Wandelen in bovenwerelds licht. - Deel 1 - 11 januari 2005

WANDELEN IN BOVENWERELDS LICHT


Dat is de titel van een boek dat Ada de Ruiter-van Delden en ik, Herman Hegger, schreven, maar waarvoor we destijds, twaalf jaar geleden, geen uitgever konden vinden. Intussen is er veel veranderd. Er is veel meer belangstelling gekomen voor beleving en voor echtheid. Er is veel kans dat een uitgever een uitgave nu wel aandurft.
Hoe het ook zij we willen daar niet op wachten. We beginnen meteen met de publicatie via onze Rondzendbrieven, want we menen nog steeds dat onze openhartige briefwisseling sommigen tot zegen kan zijn en dat we in elk geval daarmee gestalte geven aan de bijbelse dat we met elkaar een gemeenschap der heiligen moeten vormen en dus dat gelovigen het tegen elkaar moeten kunnen zeggen hoezeer zij de Here liefhebben.
Als kerntekst voor dit boek hadden we gekozen: “Indien wij in het licht wandelen gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander” (1 Joh. 1:7). Verder ook gedacht aan:

Wandelen
"Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer, want God nam hem weg" (Gen. 5:24).
"De HERE zei tot hem (Abraham): Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht" (Gen. 17:1).
"Wandelt door de Geest" (Gal. 5:16).
"Wandelt als kinderen des lichts" (Ef. 5:8).
"Wandelt in Hem" (Kol. 2:6).

Op Gods wegen
"Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen" (Jes. 55:9).
"HERE, maak mij uw wegen bekend" (Ps. 25:4).
"Welzalig zijn zij, die (...) wandelen in Zijn wegen" (Ps. 119:2,3).
"Ik ben de Weg" (Joh. 14:6).

Wereld
"Sta op, HERE, bevrijd mijn ziel ... van de lieden, die van de wereld zijn" (Ps. 17:13,14).
"Hij zal de wereld richten met gerechtigheid" (Ps. 96:13).
"De Geest der waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet, maar gij kent Hem" (Joh. 14:17).
"Opdat de wereld wete dat Ik de Vader liefheb" (Joh. 14:31).

In het licht
“Het leven was het licht der mensen” (Joh. 1:4).
“Ik ben het licht der wereld” (Joh. 8:12).
“Welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis?” (2 Kor. 6:14).
“Thans zijt gij kinderen van het licht; wandelt als kinderen van het licht” (Ef. 5:8).

Wegen
Je wandelt op wegen en paden. Daarom dachten we ook aan de volgende teksten:
"Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen" (Jes. 55:9).
"HERE, maak mij uw wegen bekend" (Ps. 25:4).
“Breed is de weg die naar het verderf leidt; eng is de poort en smal de weg die ten leven leidt” (Mat. 7:13,14).
"Welzalig zijn zij, die (...) wandelen in Zijn wegen" (Ps. 119:2,3).
"Ik ben de Weg" (Joh. 14:6).

***

WOORD VOORAF
Van de gemeente die ontstond na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag, staat geschreven dat zij alles ge¬meen¬schappelijk hadden. Dat was op stoffelijk gebied zo, maar vooral: ze deelden met elkander de éne Here. Zijn liefde en heerlijk¬heid om¬straalde hen; de gloed en de kracht van Zijn Geest vervulde hen en trad naar buiten in heel hun handel en wandel. Een bovenwereldse glans hing om hen heen.
In de éne Geest beleefden zij de band van de vrede met de Here en met elkaar. Ze wisten zich kinderen van de éne Vader, Die hen allen omspande, "Die is boven allen en door allen en in allen" (Ef. 4:6).
De intense vreugde over zoveel onuitsprekelijke zegeningen deelden ze met elkaar. Ze wisselden hun ervaringen met het Woord van God uit, niet om daardoor te roemen in eigen bevin¬dingen, maar om volgens Ef. 3:18 samen met alle heiligen dieper door te dringen tot de onuitputtelijke rijkdom van de liefde van God in Jezus Christus. Daarom zongen ze ook samen psalmen en geestelijke liederen in een voortdurende aanbid¬ding, lofprij¬zing en dankbaarheid (Ef. 5:19).

De apostel Paulus spoort zijn lezers (en dus ons allen) aan om op deze manier de eenheid in de Here te beleven. Die aanspo¬ring om met elkaar te spreken over de Here en over de heer¬lijke dingen die de gelovigen uit genade hebben ontvangen, zou eigenlijk niet nodig moeten zijn. Want waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
Maar Paulus weet ook dat er bij ons allerlei remmingen kunnen zijn, waardoor wij er toch niet toe komen om ons hart voor elkaar te openen. We volstaan er dan mee dat we als naamlozen de loflie¬deren tijdens de kerkdienst meezingen. We durven bij de koffie daarna, in het kerkgebouw of thuis, ons niet of nauwelijks te laten gaan in de lofprijzing en de dankzegging van de Here, Die we zozeer lief¬hebben. We voelen ons dan zo kwetsbaar.

Dit boekje is een poging om dergelijke barrières te doorbre¬ken. Wij hebben alle religieuze schaamte laten varen en ons¬zelf uitge¬sproken tegenover de Here en tegenover elkaar, èn we meenden er goed aan te doen zoveel mogelijk kinderen Gods in deze gemeen¬schap der heiligen te betrekken.

Wij, de schrijvers van dit boekje, hebben elkaar slechts enkele keren ontmoet. Wij hebben die gemeenschap der heiligen dan ook bijna uitsluitend beoefend door briefwisseling met elkaar. Sommige mensen - en wij behoren daar ook toe - kunnen zich nu eenmaal gemakkelijker en beter schriftelijk uiten dan monde¬ling.

Met grote nadruk verklaren wij dat wij onze bevindingen op geen enkele wijze als een voorbeeld ter navolging willen voorstellen. Redenen:
1. De Here herhaalt Zich nooit. Hij gaat met ieder van ons afzonderlijk om, alsof wij Zijn enige schep¬selen zouden zijn. Hij alleen kan dat: tegelijk het geheel omvatten én de details volkomen in Zich opnemen, Zijn volk als Zijn bruid liefhebben en toch elk lid van Zijn volk tot in alle vezels kennen en liefhebben. Zo groot is Hij!
2. Alle leven vinden we slechts in het Woord van God, niet in het woord van mensen. Wij beschouwen dit boekje daarom pas dan geslaagd, wanneer lezers daardoor een dieper zicht hebben gekregen in één of ander Bijbelwoord. En met dat dieper zicht bedoelen we niet dat wij nieuwe theologische vondsten naar voren willen brengen. Wij hopen dat sommige uitdrukkingen in de Bijbel daardoor een nieuwe kleur, een inniger gloed voor de lezers krijgen.
We denken aan het woordje 'in', dat vooral in het Nieuwe Testament een heel belangrijke plaats inneemt. Jezus zei: "Blijft in Mij en Ik in u" (Joh. 15:4). Er staat zelfs ge¬schreven: "God is Liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem" (1 Joh. 4:16).
Maar al kunt u onze bevindingen misschien niet helemaal navoe¬len, toch zijn wij overtuigd dat het u goed zal doen, althans wanneer u zich kind van God weet, wanneer u beluistert hoe andere kinderen Gods zichzelf uitzingen in de dankbaarheid en de aanbidding, in het grootmaken van de éne Here, Die wij liefhebben met ons ganse hart. We zijn immers blij, wanneer we een nachtegaal horen zingen, maar evenzeer wanneer we ons verheugen in onze God, Die alles geschapen heeft, wanneer we merken dat ook een merel zijn best doet. In het koor van Gods heiligen heeft elke stem een plaats.

We willen dit 'woord vooraf' besluiten met niet alleen te wijzen op Gods grote barmhartigheid voor zondaars, Zijn genade in Jezus Christus, die ligt te flonkeren in dat kleine woordje "in". We willen nog wat meer heerlijkheden die de gelovi¬gen ten deel vallen, nu al voor u uitstallen:

De apostel Paulus schrijft dat God aan Zijn kinderen door Zijn Geest heeft geopenbaard wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, maar wat Hij deson¬danks uit genade voor hen heeft bereid.
Die Geest is in hun harten uitgestort en dat is dezelfde Geest, Die de diepten Gods doorzoekt. En wij hebben ontvangen de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn. Die Geest getuigt in onze harten dat wij kinde¬ren van God zijn en daarom mede-erfgenamen met de Zoon van God, zodat alles van Hem ook voor ons is.
Door de wedergeboorte worden we de Goddelijke natuur deelach¬tig. Daardoor komt de ganse Drieëenheid in ons wonen: de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. We zijn gezegend met alle geestelijke en hemelse zegeningen in Christus. God heeft ons in Christus uitverko¬ren vóór de grondlegging der wereld.
Wij worden aangespoord om te wandelen als kinderen des lichts. Dat licht waarin wij mogen wandelen, komt uit God, Die woont in een ontoegankelijk licht. Maar door Christus hebben wij de toe¬gang door één Geest tot de Vader. Wij worden dus geroepen om te wandelen in een bovenwerelds licht.

Maar Gods Woord vermaant ons dat wij die heerlijkheid niet voor onszelf alleen mogen bewaren. We mogen dat licht niet opsluiten achter de muren van onze ziel. Johannes schrijft dat hij ons verkon¬digt datgene wat de apostelen gezien en gehoord hebben. En dàt met de bedoeling dat ook wij gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus zouden beleven in de éne Geest en opdat onze blijd¬schap daardoor tot volle uitbloei zou komen.
Christus draagt de Zijnen op, dat zij Zijn getuigen zullen zijn. En voor het sanhedrin verklaarden Petrus en Johannes dat zij niet konden nalaten te spreken over wat zij gezien en gehoord hadden.
Ook wij kunnen niet nalaten te spreken over de genade, die God ons, zondige mensen, geschonken heeft. Daaruit is dit boek gebo¬ren. En wij hopen en bidden dat het de Here moge behagen ook op onze lofzangen te tronen.

Misschien denkt u: is dat niet overdreven? Is al dat wonderba¬re werkelijk in Gods Woord te vinden? Ja!!! Ja!!! Ja!!! Wat wij hierbo¬ven hebben betoogd, is de neerslag van de volgende Bijbel¬teksten. Lees ze maar na.
Hand. 2:44; Ef. 5:19,20; 1 Kor. 2:9,10,12; Rom. 5:5; 2 Petr. 1:4; Joh. 14:23; 1 Kor. 6:19; Ef. 1:3,4; 5:8; 1 Joh. 1:7; 1 Tim. 6:16; Ef. 2:18; 1 Joh. 1:3,4; Hand. 1:8; Hand. 4:20; Psalm 22:4.

We hebben dit boekje ge¬noemd: "Wandelen in bovenwerelds licht ", omdat ons, gelovigen, geschonken is "de Geest der waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn" (Joh. 14:17). Voor hen die Christus niet persoonlijk kennen en daarom ook niet vervuld zijn met Zijn Geest, is wat wij schrijven enkel wartaal. Maar we hopen en bidden dat ze bij het lezen toch gaan dorsten naar dit levende water van de Heilige Geest.
A.K. de Ruiter-van Delden
H.J. Hegger

1.
EEN BRIEF, EN TOEN...
Renkum, 21 juli 1992.
Geachte ds. Hegger,
Uw boekje "Ik zag Gods heerlijkheid" is al jarenlang in mijn bezit. Ik las er des¬tijds wel wat in, gezien de onderstrepin¬gen hier en daar, maar blijkbaar was ik er nog niet aan toe.
Nu nam ik het mee op een vakantie van twee weken. Het boekje - ik kan beter zeggen: de Heilige Geest - heeft me zoveel gege¬ven, dat ik nog steeds verbaasd sta over zoveel blijd¬schap en kracht die bij het lezen ervan over me zijn gekomen; woorden schie¬ten te¬kort.

Een zekere verwantschap met wat u schreef, was er al. In 1960 - ik was toen dertig - werd ik vervuld van de heerlijk¬heid Gods door de Heilige Geest. Dat overweldigde mij zozeer, dat ik begon te bidden in een taal die de grenzen van het gewone menselijke spreken over¬schreed.
De Here heeft deze gave nooit van mij teruggenomen, ook niet in de jaren dat ik kerkelijk maar weinig meeleefde, omdat ik nergens die heer¬lijkheid Gods in de preken meende te bespeu¬ren.
Maar tweede kerstdag 1991 was ik in de Grote Kerk in Wagenin¬gen onder de prediking. Het was ineens alsof er allerlei vonken overspron¬gen. Na afloop zei ik tegen mezelf: "Dus het is tòch waar, deze dominee kent het ook".
Er volgde een tijd van geweldige blijdschap, die nog niet voorbij is.
Ik sprak met die predikant over de volheid van de Geest die ik ervaren had, en over dat bidden in een taal die niet meer in het gangbare patroon past.
Maar 'Bonders' kennen dat niet zo; dat wist ik wel. En als ant¬woord kreeg ik een uiteenzetting over excessen van Pink¬ster¬men¬sen.
Ik ga nu keurig met een hoedje op naar de kerk. Ik vind dat wel wat geforceerd, maar ik doe het, omdat ik niemand wil ergeren.

God is na die decemberdienst weer zo groot en machtig voor mij geworden, dat alles van vroeger weer terug is: de kracht van de Geest, de lofprij¬zing, veel gebed.
Ik wil voor de Here leven, heb Jezus heel erg lief gekregen, nog veel sterker dan vroeger, ben in mijn denken totaal veran¬derd.

En toen werd ik 'overvallen' door uw boek. Hoe gebeurde dat?
In mijn vakantiebagage stopte ik wat preken op een bandje, wat boekjes en op het laatste nippertje nog uw boek.
Aangekomen op ons vakantieadres las ik er wat in en ik kon mijn ogen niet geloven, vooral toen ik dat "Gesprek met God" en dat gedeelte "Jezus leeft" ontdekte. Ik las uw "Gesprek met God" met rode oortjes en een brandend hart, ging als het ware meebidden.

Ik kende dat spreken met God sinds een tijdje en het was een openba¬ring voor me dat op papier te zien, een soort legalise¬ring van iets wat ik bij mezelf ontdekte, maar waarvoor ik me bij de Here (echt waar!) vaak excuseerde.
Soms knielde ik dan neer met de bedoeling keurig te gaan bidden zoals het behoort: vooral beginnen met schuldbelijde¬nis; met name de Gereformeerde Bond is hier streng in.
Maar het ging niet. Er moest eerst lofprijzing, aanbidding, uit. Alles kwam op zijn kop te staan. God was zo nabij... enfin, veel elementen uit uw "Gesprek met God" kwamen erin voor en ik bad: "Here, als dit niet goed is, zeg het me dan". Maar ik ontving eerder bevestiging dan afkeuring. Er was in die vakantie zo'n diepe nabijheid van de Here als ik zelden beleefd heb, en nog. De gemeen¬schap met Christus is veel intenser geworden en ook weer anders, machtiger.

Ik ken momenteel niemand die dat zo beleeft, misschien die gere¬for¬meerde-bondspredikant, maar die ervaart het toch weer wat anders zoals ik later ontdekte. Vaak zegt hij: Je kunt wel gedu¬rende een moment op een toppunt van blijdschap vertoeven, maar dat is zo weer weg; je kunt tijdens en na een preek wel de kracht van de Geest erva¬ren, maar één verkeerde gedachte en ook dat is zo weer weg.
Ik weiger dit te geloven. Heus, het zijn niet alleen toppen, dat weet ik echt wel, maar zo onstabiel is het ook niet. Je kunt een hele tijd ervaren vol van de Heilige Geest te zijn; dan denk je anders, spreek je anders, je straalt iets uit.
Dat ebt wel weer weg, maar nooit lang. Je ziet Gods heerlijk¬heid, steeds weer opnieuw en dan prijs je Hem, ook als er nauwelijks gelegenheid voor is.

Ik was ook zo blij met uw uitdrukking: genieten van God. Ja, dat is het, ik had het nooit iemand horen zeggen. Maar er staat inderdaad in de Psalmen: Verlustig u in de Here.

Ik stop nu, ik hoop... tja, wat hoop ik? ...dat u me deze brief niet kwalijk neemt. Ik heb te veel over mezelf moeten schrijven om u een beetje de achtergronden te schetsen, maar de grondtoon en de boven¬toon moet zijn: ook ik zag Gods heer¬lijkheid. Zijn Naam zij gepre¬zen!

Ada de Ruiter-van Delden

Velp, 24 juli 1992.
Beste Ada,
Zo onderteken je je brief en daarom meen ik dat ik je zo ook mag aanspreken. 'Mevrouw' en 'u' zijn zo afstandelijk.
Laat ik eerst zeggen dat ik ontzaglijk blij was met je brief. Waarom? Als ik mijn gevoelens ontleed, bespeur ik er het volgende in.

1. Wanneer je een gelovige ontmoet die eveneens 'geniet' van God, ontstaat daardoor een vreemde, bovenaardse gemeenschap tussen hen. Het is alsof de heerlijkheid Gods hen dan tegelijkertijd omstraalt, zoals dat gebeurde met de engel die aan de herders in Bethlehem de blijde boodschap verkon¬digde. Je herkent elkaar als Koningskinderen. Je bevindt je dan in diezelfde sfeer van de liefde van God in Jezus Christus.

2. Er is een wederzijdse bevestiging, zoals jezelf al schreef. Er licht iets in je op aan de ander: "Die beleeft het dus ook zo; ik bèn dus niet een zonderling. Ik màg zo van God genieten!".
En het merkwaardige is dat die zekerheid niet ontstaat uit het feit dat er dan ook nog een ander is die deze ervaring door¬maakt. Want wat betekent die ene enkeling tussen de miljoenen die niet eens weten waar je het over hebt, wanneer je zou proberen met hen erover te praten?
Nee, je ZIET dan aan de ander, misschien beter: door hem heen, dàt dit waarachtig is.

3. Maar waarschijnlijk is toch de eigenlijke reden van je blijd¬schap deze: je hebt God intens lief gekregen, en dan vind je het heerlijk als je bemerkt hoe een ander mens op een eendere wijze hevig begeert om deze God groot te maken, om zijn dank¬baarheid voor Hem uit te jubelen.
Want dankbaarheid is een grondtoon van onze verborgen omgang met God. Ik kan God zo uitzinnig dankbaar zijn. Hij heeft mij overla¬den met vele, vele zegeningen.
Hij heeft mij uit het straatvuil opgeraapt. Diep in mij - dat weet en zie ik - is er altijd de neiging geweest om mijzelf te zoeken, om mijn eigen 'ik' op de troon te zetten.
En Hij, de Almachtige, heeft mij niet van die troon afge¬sleurd en weggeworpen in de uiterste duisternis. Hij is mij tegemoet¬ getre¬den in Zijn Zoon, Die het "Licht der wereld" wilde worden om de duisternis, die ik als een deken om me heen had getrok¬ken, te verdrijven. Hij heeft mij door Zijn sterven met Zijn Vader verzoend.
En die Vader heeft mij, een zondaar die dood was in zelfaan¬bidding, door Zijn Heilige Geest tot leven, tot eeuwig leven gewekt. Hij is toen tegen mij gaan zeggen: "Jij bent Mijn kind, voor altijd; niemand zal ooit jou kunnen rukken uit Mijn Vaderhand".

Nog een paar opmerkingen.
Wij, mensen, hebben altijd weer de neiging om anderen ònze wetten voor te schrijven. We hebben er blijkbaar een geheim plezier in anderen aan ons te onderwerpen. Wij spelen graag met mario¬netten. We houden ervan om andere mensen te behande¬len als robots, die hun handen en benen bewegen precies zoals en wanneer wìj dat willen: met even een rukje aan een koord of een druk op een knop.
God is zo heel anders. God heeft ons geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. En Hij wil ons ook zo herscheppen. God is Zelf leven. Hij bezit Zichzelf in rust. Hij wil dat wij diezelfde trekken gaan vertonen.
Jezus Christus, de Zoon, heeft dan ook gezegd: "Indien dan de Zoon u vrijgemaakt zal hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn" (Joh. 8:36).
Paulus schrijft: "Waar de Geest des Heren is, aldaar is vrij¬heid" (2 Kor. 3:17). Je kunt dat ook omkeren: waar geen vrij¬heid is, is ook geen spoor te bekennen van de aanwezigheid van de Heilige Geest.
En... hoe weinig vrijheid is er in onze kerken?! Alles is volko¬men gereglementeerd. Er is bijna geen mogelijkheid tot spontane uiting, wanneer de Heilige Geest iemand daartoe dringt. Hoe kan men dan nog klagen over gebrek aan Geestelijk leven bij onze kerkmensen? Dat ligt toch immers voor de hand, zolang wij geen of nauwelijks een plaats inruimen voor de werking van de Heilige Geest?

Wij willen misschien wel graag een opwekking waardoor de kerken weer vol stromen. En we weten ook wel, dat die alleen door de Heilige Geest kan gewerkt worden. Maar we willen - zonder dat we ons daarvan bewust zijn - dat die Heilige Geest Zich houdt aan ònze richtlijnen, ònze kaders, ònze schema's, ònze gestencilde liturgie.
Maar waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid, want die Geest is Zelf Vrijheid, hemelse, eeuwige Vrijheid.

Velen willen de anderen niet vrijlaten in hun omgang met God; ze willen het de ander opleggen hoe je wel en niet tot God moet spre¬ken. En ze menen die wetten uit de Bijbel te kunnen halen, maar in feite dwingen ze die Bijbel om hùn taal na te spreken. Ze zagen, beitelen, hameren op en in allerlei teksten net zo lang tot het erop lijkt: ja, ik heb gelijk!
Ze houden je dreigend voor: je mag je niet rechtstreeks tot Jezus wenden in je gebed; Hij is alleen maar een Middelaar tussen God en jou, meer niet.
En ze gruwen ervan, wanneer iemand de Heilige Geest, Die als de Godde¬lijke Gast in ons woont, aanspreekt.
Helaas, helaas, helaas!!! Hoe kunnen gelovigen zo zijn, als ze ook maar iets gezien, geroken, gesmaakt, gevoeld hebben van "de vrij¬heid der heerlijk¬heid van de kinderen Gods" (Rom. 8:1-21)?

Het lijkt mij goed om over al deze dingen eerst eens met elkaar door te praten, voordat we hierover uitvoeriger met elkaar gaan corres¬ponderen. Kun je me bellen voor een af¬spraak?
Tenslotte nog dit. Het boek "Ik zag Gods heerlijkheid" is al lang uitverkocht. Dezelfde gedachten heb ik, breder uitge¬werkt, neer¬ge¬legd in een nieuw boek "Hoe leef ik met een genadig God?". Maar ook dat boek is intussen uitverkocht.
H.J. Hegger
(wordt vervolgd)
 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------


Wandelen in bovenwerelds licht. - Deel 2 - 26 januari 2005

2. EERST EENS SAMEN PRATEN EN BIDDEN
Renkum, 30 juli 1992.
Beste dominee Hegger,
Eigenlijk heb ik er moeite mee u met ‘beste’ aan te spreken. Doordat ik nu meer boeken van u heb gelezen, heb ik het gevoel u al vrij goed te kennen. Maar dit 'kennen' is vooral geworden een 'herkennen' als broeder in Christus. En als je een predi¬kant zo ziet en, geestelijk, zo dicht bij je voelt staan, is 'Beste' een beetje banaal. Zo voel ik het in ieder geval aan.
'Geliefde broeder in Christus' is beter, maar dat klinkt in mijn oren vreselijk ouderwets en statig. Dat past absoluut niet bij mij en ik dacht ook niet bij u, hoewel ik u nog nooit heb ontmoet. De toon van uw brief is in ieder geval helemaal niet ouderwets en statig. Het 'Geachte' van mijn eerste brief is nu te zake¬lijk. Dan toch maar 'Beste'? Er is in de Neder¬landse taal geen andere oplossing, dacht ik. 'Beste' dus, maar dan wel met deze opmerkingen erbij.

Onnodig te zeggen dat ik blij was met uw antwoord op mijn brief. Ik voel mij nu minder alleen staan in mijn vreugde om en in de Here. Ik weet dat er nog ergens iemand is die zo 'uitzinnig' blij kan zijn en die met verrukking naar Hem kan opzien. Ik voel mij nu minder een zonderling.
Wel geloof ik dat dit 'zonderling-zijn voor de Here' een ver¬plich¬ting geeft, namelijk dit uitdragen aan anderen. Ik kan soms zo boordevol zitten met vreugde, met gedachten, met een jubel om Hem, dat ik er iets mee wil doen. Er ontstaat dan een vreemde spanning in mij die naar buiten wil. Je kunt dan gaan bidden, Hem gaan prijzen. Dat doe ik ook vaak als er gelegen¬heid voor is, maar ik had er ook behoefte aan mijn gedachten vast te leggen in een soort dagboek.
Ik heb het gevoel dat dit schrijven niet helemaal buiten de Here om gaat. Tegelijk lijkt het mij goed om u vlak voor het gesprek dat ik met u mag hebben, een stukje van dit dagboek toe te zen¬den, dan kunt u iets van mijn geloofsbeleving van dag tot dag, soms van uur tot uur, zien.

Van u weet ik nu al een heleboel door het lezen van uw boeken en - ik weet niet hoe het komt - bij aller¬lei passages in uw boeken springen er vonken over. Ik sta dan voor mijn gevoel in brand, er gebeurt iets met me, iets heel kostbaars. Vaak herlees ik deze passages, meestal begint het dan weer te vlammen. Ik kan dan wel jubelen, wil steeds maar de Here prijzen...
Vindt u het goed dat ik u over een paar weken een stukje van het dagboek toestuur? Dat praat makkelijker, lijkt mij, ik druk me beter schriftelijk uit dan mondeling.
Ik verheug mij heel erg op het komende gesprek. Ik zal wel een beetje nerveus zijn, denk ik. Ik ken u alleen uit uw boeken.

Renkum, 20 augustus 1992.



Beste Ds. Hegger,
Toen ik weer thuis was na het gesprek met u, had ik een sterke neiging direct een reactie te schrijven. Maar dat kan natuur¬lijk niet, dat zou overdreven kunnen lijken. Ik ben toen maar iets in mijn dagboek gaan schrijven en neem hier een klein stukje uit over:

"Ik ben weer thuis na een hele morgen met ds. Hegger te hebben gepraat. Gepraat alleen? Nee, vaak was er de stille verwondering om wat de Here doet en geeft en vooral om dat heel belangrijke: hoe Hij Zelf is, Zijn wezen. Ik geloof dat het allesbepalende steeds is: ik heb Hem lief om Hemzelf, in alles zie ik Hemzelf (ik bedoel: niet mijn kleine dinge¬tjes zijn van belang en hoe Hij mij daar doorhelpt, nee, het gaat erom hoe Hij mij Zichzelf leert kennen in dit alles).
Ik weet dat dit misschien wat hoog gegrepen is, maar ik zie het wel zo en "ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik door Christus Jezus ook gegrepen ben" (Fil. 3:12). Ik heb in dit gesprek vooral duidelijk gezien dat het gaat om Hemzelf, Zijn eer, Zijn liefde.
Je ziet dan als het ware Zijn stralende schoon¬heid vóór je. Ds. Hegger beschrijft dit soms zo in zijn boeken en ik mag dit ook zo beleven".

Dit was mijn eerste reactie en dat wat ik hier schreef, be¬heers¬te op dat moment mijn denken. Ik was ook heel erg blij na dit ge¬sprek, de hele terugreis ging een beetje op vleugelen. Vreemd is dat. Het lijkt dan of je licht geeft, alles is zo anders. Het lijkt dan ook net of de mensen anders tegen je doen, vriendelij¬ker. Die blijdschap was er ook heel duidelijk in ons gesprek, hoewel wij elkaar voor het eerst ontmoetten. Maar je kent elkaar in Christus en die ervaring had ik bij u heel sterk, meer dan bij anderen eigen¬lijk.
Ik heb vroeger een paar vriendinnen gehad. Wij hadden alle drie pas dit leven met de Here leren kennen en hadden een heel fijn geeste¬lijk contact. Soms belden wij elkaar op: "Ik ben zo blij vandaag, zullen we samen bidden en de Here prij¬zen?" Ook als er problemen waren, kwamen wij bij elkaar. Dat is heel lang gele¬den...

Maar nu heb ik uw boeken ontdekt - en ú, natuurlijk -, maar ik kan beter zeggen: de Here heeft dit gegeven, en, ik schreef het al, sommige passages slaan mij in brand.
Ik heb heel lang in mijn eentje moeten geloven, dat was vaak moei¬lijk en soms zakte ik helemaal weg. Maar nu heb ik de indruk dat de Here mij door dat contact met u en die boeken een stroom¬versnelling gaat geven.
Het is ook een bevesti¬ging. In uw boeken lees ik passa¬ges die ik mee beleef, heel merk¬waardig.
Ik had hier nog heel veel over willen zeggen, toen ik bij u op bezoek was, maar ik vind het soms moeilijk hierover te spre¬ken. Bovendien was zelfs een hele morgen nog te kort!

Wij spraken ook over het verbroken zijn voor de Here. Hier ben ik toch nog niet helemaal uit. Natuurlijk beleeft niet iedereen deze dingen op dezelfde wijze, maar ik weet nog van vroeger dat ik hiermee ook toen al problemen had. Ik wilde graag een heel diep schuld¬gevoel hebben, zag verstandelijk ook wel dat ik schul¬dig stond tegenover God, maar beleefde het voor mijn eigen gevoel niet diep genoeg.
Toch heb ik soms een verdrietig gevoel, na een fijne dienst bijvoor¬beeld, en dat is vooral heel sterk als ik mij dan niet kan uiten door even voor Hem neer te knielen. 'Tranen in mijn ziel' noem ik het wel eens, maar dat is geen echte verbroken¬heid zoals u dat in uw boeken beschrijft. Misschien moet ik hier nog in groeien.
Onlangs had ik bij het lezen van Jes. 53 het gevoel van een huilbui ergens diep binnen in mij, vreemd genoeg zonder tra¬nen. Het was een nieuwe ervaring. Toch weet ik niet of dat verdriet om mijn zonden was. Ik dacht meer dat het een diepe ervaring was van het lijden van Iemand, Die je zo heel erg liefhebt.

Er waren nòg een paar punten die niet aan de orde kwamen tijdens ons gesprek. Maar misschien mag ik u deze later - deze brief is al zo lang - schrijven? De Here laat mij zo veel nieuwe dingen ontdekken de laatste tijd. Ik weet mij geen raad van blijdschap zo nu en dan, zou allerlei mensen al dit nieuwe willen vertellen, maar ik weet dat dit weinig zin heeft. Mijn meeste kerkelijke kennissen zitten op een totaal andere golf¬lengte voor mijn ge¬voel.

Ik schrijf als ik heel erg blij ben, vaak een gebed in mijn dagboek. Daarin dank en prijs ik Hem dan voor al dat nieuwe. Ik weet zeker dat Hij dan over mijn schouder meeleest en dat ik Hem zo ook eer. En dat wil ik. Ik wil Hem maximaal eren in mijn leven, iedere dag opnieuw.

Ik eindig deze brief nu, zou nog wel even kunnen doorgaan. Nog heel erg veel dank voor het gesprek. U hebt mij er erg geluk¬kig door gemaakt en ik hoop ik u ook een beetje. Van elkaar weten dat je Hem intens liefhebt en daarover spreken, is iets heerlijks. Heel stilletjes hoop en bid ik dat dit ooit nòg eens kan.
Mag ik ook eens van u horen hoe u het gesprek hebt gevonden? Ik wens ook u dit geluk toe dat ik nu ervaar.
Ada de Ruiter

Velp, 24 augustus 1992.
Beste Ada,
Bedankt voor je brief. Ik heb ons gesprek ook erg fijn gevon¬den. Ik heb het echt als een gemeenschap der heiligen ervaren. Helaas wordt die gemeenschap maar weinig gevonden onder kerk¬mensen. Velen durven hun gelovige hart niet open te stellen voor anderen. Ze voelen zich dan erg kwetsbaar.
Misschien vinden ze het niet helemaal netjes om met een ander te spreken over je intieme verhouding tot de Here. Ik kreeg wel eens een reactie in die geest. Iemand schreef: "Je praat met een ander toch ook niet over de liefdesverhouding die je met je eigen vrouw hebt?". Daarop ant¬woordde ik dan: "Inder¬daad, want mijn vrouw behoort mij alleen toe en ik behoor haar alleen toe. Maar God is de Vader van allen die in Christus geloven. En Christus is de éne Goede Herder van al Zijn scha¬pen. Die vergelijking gaat dus totaal niet op. Als u hoort hoe iemand zijn liefde, aanbid¬ding, verootmoediging en dankbaar¬heid uit jegens dezelfde Vader en dezelfde Goede Herder, Die ook door u gekend en bemind wordt, waarom zou dat voor u dan niet een oorzaak van vreugde zijn?"

Ik blijf daarom van mening dat die weinige geestelijke uitwis¬se¬ling een wezenlijk gebrek is, waar we niet in moeten berus¬ten.
Het is immers Gods bedoeling dat de kerk een lichaam van Christus is. Maar in een menselijk lichaam hebben alle ledema¬ten een levende band met elkaar. Dat komt omdat ze op een niet te be¬schrijven manier samen¬gebonden worden door de ziel. Het is mijn ziel die alles in mij leven doet. Verlaat mijn ziel het lichaam, dan komen mijn ledematen tot ont binding en ben ik een lijk.
Vanwege die bezieling kan ik door middel van mijn wil zelfs de uithoeken van mijn lichaam, mijn vingers en mijn tenen, in bewe¬ging brengen.
Bij het Lichaam van Christus hebben de ledematen een geeste¬lij¬ke band met elkaar. Ze zijn bezield door de Heilige Geest van Jezus Christus. Daarom kan Hij naar gelang Hij dat wil, die lede¬maten in beweging zetten om met z'n allen Zijn Vader te verheer¬lij¬ken.
Helaas beperkt zich de 'gemeenschap' van veel kerk¬mensen tot het feit dat hun namen zijn ingeschreven in één kerk¬register. Maar Gods kinderen staan inge¬schreven in "het boek des le¬vens". Dat is het 'fami¬lieregister' van God, Die enkel leven is. In Hem is er geen schaduw van dood en dorheid. In Hem is alles bloeiende, intense schoonheid.
H.J. Hegger

Er volgde een briefwisseling waarin steeds meer geschreven werd vanuit het zeker weten 'in Christus' te zijn, vanuit het leven in Hem. Er groeide ook een verlangen anderen iets hiervan te doen zien, te doen 'proeven'. Over dat verlangen handelt het volgende hoofdstuk.
 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------


Wandelen in bovenwerelds licht.  - Deel 3 - 09 februari 2005

3. ZULLEN WE ONZE BRIEFWISSELING PUBLICEREN?
Velp, 2 juni 1993.

Beste Ada,
We hebben intussen al bijna een jaar met elkaar gecorrespon¬deerd. Ik vraag me af: zou het niet goed zijn onze corres¬pon¬dentie in een boek uit te geven? Wat denk je van dat idee? Misschien helpen we lezers daardoor om ook op eenzelfde manier met anderen te spreken over hun Here en Heiland, Die ze evenzeer of misschien nog meer dan wij liefhebben.

Natuurlijk mag het daarbij nooit gaan om onszelf. Wìj zijn totaal niet belangrijk. Ik weet ook dat aan het publiceren van een derge¬lijke uitwisse¬ling van ons geestelijk leven gevaren zijn verbonden. Het grootste gevaar is wel de geestelijke hoog¬moed. Ons arglistige hart zal ons influisteren dat we echt wel iets bijzonders zijn.
Maar... ook van die aanvechtingen geldt dat de Here ons steeds de overwinning zal schenken, als we daarbij maar niet bouwen op eigen kracht, maar op Zijn genade.
En altijd weer moeten we onze ervaringen toetsen aan Gods Woord. Daarin staat Christus als de Levende centraal. Alles wat we zullen schrijven, juichend of schreiend, zal moeten uitlopen op de verheer¬lijking van Hem.
En ook daarin wil Hij ons leiden, wanneer wij het van Zijn Geest verwachten, want Die wil niets liever dan Christus verheerlijken (Joh. 16:14).

Als je daarmee akkoord gaat, zullen we er enigszins rekening mee moeten houden dat ook anderen over onze schouders heen meelezen wat we aan elkaar schrijven. Dat is wel een moeilijk¬heid, maar dat hoeft toch nog geen afbreuk te doen aan de spontaneïteit en de echtheid van onze brieven.
Het belangrijkste is dat we weten dat de Here Jezus ziet wat we schrijven. In Hem ontmoeten alle waarachtige gelovigen elkaar. In Hem vinden wij het leven, het eeuwige leven. En leven, zeker eeuwig leven, is één en al spontaniteit. Hij zegt Zelf: "Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven" (Joh. 4:14).
Het leven van Hem is bruisend, er zit spanning in. Het spat eruit naar omhoog en sprankelt weer naar beneden in de kleu¬renpracht van Zijn liefde.
Graag hoor ik van je.
H.J. Hegger






Renkum, 7 juni 1993.
Beste Ds. Hegger,
Heel veel dank voor uw fijne brief. Ik zit soms zo vol met vreug¬de om de Here en met allerlei gedachten over Hem dat ik deze op de een of andere manier moet uiten. Vaak pak ik dan mijn dagboek en schrijf gedachten en ook wel eens gebeden op. Ik weet het: daar heeft niemand iets aan, tenzij ik aan ande¬ren stukjes stuur en soms doe ik dat, op gevaar af dat men mij 'overdreven' vindt. Maar van u weet ik nu dat u ook zo met de Here leeft en aan u durf ik al die wondere dingen die ik de laatste tijd door Zijn genade mag ontdekken en beleven, wel te schrijven.

Het is alsof het leven met Hem een diamant is die steeds nieuwe kantjes laat schitteren. Ik wil u dan graag die nieuwe schit¬te¬rende vlakjes van die diamant beschrijven en hoop dat u me ook dingen laat zien die u pas of al lang geleden ontdekt hebt.

Dit alles dan uitgeven als een boek? Ik was er een beetje beduusd van, toen ik uw voorstel las. Kan ik zó schrijven dat het goed genoeg is voor een boek? U kunt dat wèl, u hebt al vele boeken geschre¬ven. Maar ik?
Toch schrijf ik graag en daarom vraag ik de Here me te leren het zo op te schrijven dat het anderen laat zien hoe groot en genadig Hij is voor Zijn kinderen en dat je van moment tot moment met Hem en tot Hem kunt leven.
Het zou machtig zijn als door ons boek velen op een nieuwe manier met Hem zouden gaan leven, die nieuwe manier die u al heel lang kent en die ik al vóór ik uw boek las, maar meer nog daarna, heb leren ontdekken. Het is eigen¬lijk een geheim tussen Christus en ons dat we dan gaan beschrijven, maar omdat Hij dat geheim ook aan anderen wil openbaren, geloof ik dat het màg.
Ik las zojuist wat Jezus Zelf hiervan heeft gezegd: "Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn" (Matth. 5:14,15).

Ik heb uw boek: "Gesprekken met Heada" gelezen. Vooral van haar laatste brieven heb ik genoten en daarin mijn eigen gevoelens en vreugde in Christus herkend. Zij schrijft onder pseudoniem. Omdat onze correspondentie een totaal ander karak¬ter en ook, dacht ik, een heel andere achter¬grond heeft, zou ik willen voorstellen gewoon mijn eigen naam te gebruiken. Ook u schrijft, naar ik aanneem, gewoon onder uw eigen naam, dus waarom ik niet? Hoe denkt u hierover?

Ik kan het niet nalaten hier iets te beschrijven wat ik van¬morgen beleef¬de en in mijn dagboek schreef. Ik schreef het als een gebeds¬voorbe¬reiding. Misschien kan dat anderen ook van dienst zijn.
Hoe sta ik tegenover God? Een vraag die steeds weer het schrij¬ven in dit dagboek bepaalt. Soms zijn het inderdaad vragen, die ik mij dan vóór ik ga schrijven stel.
Zo in de geest van:
- wat beleef ik eigenlijk nu met Hem?
- is er vreugde, verdriet, berouw over mijn zondaar-zijn voor Hem?
- wat zeg ik Hem straks in mijn gebeden?
- heb ik vrede met Hem?
Ja, zo iets 'in de geest van'. Want zo systematisch als ik het hier be¬schrijf, is het zelden. Vaak is het meer een Hem zoeken met bijna altijd de ervaring dat Hij Zich dan laat vinden en vanuit dit vinden van Hem schrijf ik dan. Dat kan ook dan nog heel verschillend zijn: soms is er laaiende blijdschap, soms verdriet, soms eenzaamheid. Er zijn ook dagen dat er geen sprake is van 'Hem zoeken'. Dan is Hij er gewoon, meteen bij het ontwaken al.

Vanmorgen was Hij er, direct. Er was bij het ontwaken de verzuch¬ting: "Jezus, ik heb U lief" en de ervaring van Zijn liefde. Er was in alle vroegte een gebed, een lofprijzing eigenlijk: "Grote, machtige, heilige God, U bent zo oneindig, U bent voor mij de Andere, en toch mag ik tot U naderen in Uw Zoon, mij laten bespren¬kelen met het bloed van Uw Zoon... Ik loof U voor deze genade...".
En nu zit ik even gewoon koffie te drinken en tegelijk te denken aan Hem en eigenlijk zou ik nu naar Hem toe willen gaan met alleen het uitspreken van die ene Naam: God... , meer niet. Ik zou dan in Hem weg willen zinken en een tijdje hele¬maal niets zeggen en zeker niets vragen...
Ik doe dit nu nog niet, maar over een kwartiertje kàn het. Dan neem ik Zijn Woord, lees even kort iets. Later lees ik dan meer, maar nu stijgt mijn verlangen op naar Hemzelf. Ik merk dat Hij mij aanraakt, trekt, Zijn liefde geeft. Al schrijvend merk ik dat Hij naar mij toekomt als het ware. In Christus zie ik Hem: "...die Mij ziet, die ziet Dege¬ne, Die Mij gezonden heeft" (Joh. 12:45). Ik zie liefde, ontfer¬ming, bemoediging ook: "Kom maar, Ik wacht op je, het màg...".

Van het gebed daarna beschrijf ik in het dagboek ook nog wel iets, maar dat hoeft niet in deze brief. Vandaag is het erg licht alle¬maal, een paar dagen geleden niet, toen waren er een heleboel wolken, maar daar schrijf ik een volgende keer wel over.
Ik bid u dezelfde vreugde toe die ik vandaag mag genieten en wacht in spanning uw brief af.

Ada

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wandelen in bovenwerelds licht. - Deel 4 - 02 maart 2006


4. VERBROKENHEID

Velp, 11 juni 1993.
Beste Ada,
In je brief van 20 augustus 1992 stelde je een vraag over de verbro¬ken¬heid des harten, waarop ik je direct daarna een kort antwoord stuurde. Nu we onze correspondentie publiceren, lijkt het me goed hier nog eens, en dan wat uitvoeriger, op in te gaan. Er zullen ongetwijfeld lezers zijn die zich in jouw problemen hiermee herken¬nen. Maar voordat ik dit doe, wil ik met nadruk het volgende voorop stellen.

In sommige kringen wordt het hebben van een diepe verbroken¬heid voor Gods aangezicht als een kenmerk gehanteerd, waaraan men kan weten of iemand echt bekeerd is of niet. Ik kan het daar beslist niet mee eens zijn.
Bij mij komt dat over als een gebrek aan eerbied voor het werk van de heilige God in een mensenziel. Als de Here iemand doet wederge¬boren worden, dan is dat zó'n teer gebeuren, dat je dat niet als een instrument voor je redenerend verstand mag ge¬bruiken om daarmee een medemens te gaan meten.

De wedergeboorte raakt een mens tot in de diepste diepte van zijn ziel. Alles wordt dan door het zwaard van het Woord (Hebr. 4:12,13) open gekliefd. Hij wordt dan zo pijnlijk aan zichzelf ontdekt in zijn gemene zelfzucht, dat hij daardoor sterft aan dat zondige 'ik', maar tegelijk met Christus op¬staat tot het nieuwe leven in Hem, zodat hij met Paulus kan juichen: "Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, (doch) niet meer ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20).
Het is een feit dat sommige kinderen Gods bij de wedergeboorte het opstaan met Christus veel intenser beleefden dan het wegster¬ven aan de eigen zonde in het mede gekruisigd zijn met Christus. Maar laten we toch a.u.b. vasthouden aan de soeve¬reiniteit van de Heilige Geest van Wie geschreven staat: "Doch al deze dingen werkt een en dezelfde Geest, delende aan een ieder in het bijzon¬der gelijk Hij wil" (1 Kor. 12:11), dus NIET: "gelijk wìj wil¬len".

Na deze ernstige waarschuwing durf ik iets te schrijven over de verbrokenheid des harten zoals ik die beleef.
Misschien vind je het vreemd, maar ik durf mij bijna niet meer over te geven aan de verbrokenheid des harten. Als ik tot mij laat doordringen dat ik zoveel jaren uitsluitend, hoewel vaak onder vrome voorwendsels, mezelf heb gezocht en dat ook nu nog mijn 'vlees' telkens weer het eigen 'ik' naar voren wil schui¬ven (Rom. 7), dan kan ik daar innerlijk zo'n pijn om hebben dat ik dat nauwelijks verdragen kan. Ik denk dat die pijn zozeer is toegenomen, omdat de Here mij door de jaren heen steeds dichter naar Zich heeft toege¬trokken. Daardoor ben ik steeds meer Zijn heerlijkheid gaan zien, Zijn smetteloze licht en Zijn overweldi¬gende liefde in Chris¬tus.
Ik zou die 'oude mens' in mij er dan wel uit willen ranselen. Ik kan het niet hebben dat hij zich steeds weer brutaal in mij verheft tegen God.

Ik heb God lief met een liefde, die een geschenk van Hem is. Ik kan daar zo intens dankbaar om zijn, als ik die liefde in mezelf zie.
Maar in mij is er ook dat andere, waarover Paulus zozeer zucht, dat geniepige dat zich juist verzet tegen God. Ik kan daar kwaad om worden en er een nameloos verdriet om hebben. Dan zou ik mijn hele ziel stuk willen schreien voor God.
Ik weet echter dat God dat niet wil. Hij moedigt mij altijd aan om naar Christus te zien, Die al mijn schuld op Zich heeft geno¬men en mij voor altijd met God, mijn Vader, verzoend heeft. Paulus kan dat zo helder uiteenzetten: Christus is onze Gerech¬tigheid! Hij zit thans aan de rechterhand van Zijn Vader. En als ik Hem daar zie zetelen, dan zie ik daar mijn eigen Gerechtigheid zitten, onvergan¬kelijk, voor eeuwig gel¬dend.

Die Vader wil de Zoon verheerlijken en wil daarom de blijd¬schap en de dankbaarheid zien stralen uit het hart en uit de ogen van Zijn kinderen, de verlosten door het bloed van Zijn Zoon.
En dàt Hij dat wil, is geen wensdroom van mij, maar dat heeft Hij duidelijk in Zijn Woord gezegd. En wie kent de Vader beter dan de Zoon? En Christus heeft in de ontroerende gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15) laten zien dat de Vader uit¬bundig feest wil vieren als een zondaar tot bekering komt. De vader van die gelijkenis wil er niet van weten dat die terug¬gekeerde zoon in details zijn zonden opbiecht. Hij is alleen maar blij dat zijn jongen heeft ingezien en beleden dat hij gezondigd had.
Zo is, verzekert Jezus, Zijn Vader, Die door Hem ook onze Vader wil zijn. Maar juist omdat die hemelse Vader zo goed voor mij is en mij altijd maar weer geduldig vergeeft, kan het mij zo intens spijten dat ik met Paulus moet vaststellen: "Want ik weet dat in mij, dat is: in mijn vlees, geen goed woont" (Rom. 7:18). Maar des te meer klamp ik mij dan vast aan Hem, Die een en al goedheid is. Dan ben ik Hem zo dankbaar, o zo dankbaar.

Renkum, 14 juni 1993.
Beste ds. Hegger,
Toen uw brief van 11 juni arriveerde, gebeurde er iets merk¬waar¬digs. Het was zaterdagmorgen, mijn man en ik hadden net ontbeten, dronken nog een kop koffie. Er was méér post, dus ik pakte mijn poststukken bij elkaar, opende snel uw brief, keek hem vluchtig door om te zien over welk onderwerp u had ge¬schreven... en toen kwam het: het leek alsof de Here Zich op mij legde. Ik voelde een kracht over mij komen, het leek of er een ander licht in mijn ogen kwam; ik had dol¬graag voor Hem willen neerknielen..., maar alles ging gewoon door: ons ge¬sprek, nóg een kopje koffie, plan¬nen maken voor de rest van de dag.
Ik heb dit wel vaker. Soms ga ik dan in mijn dagboek zitten schrij¬ven, schrijven lukt dan extra goed. Het lijkt dan of Hij dicteert...
Nu kon dat nauwelijks. Ik had er behoefte aan u direct terug te schrij¬ven, wist dat het zou lukken, maar er was geen gele¬genheid. Toch had ik het gevoel iets met die kracht in mij te moeten doen en in steno schreef ik - in gedeelten, tussen allerlei dingen door - een paar ervaringen op die aansloten op uw brief. Ik schreef op wat ik ook reeds vóór uw brief ervaren had:

1. Een dag van grote vreugde. Steeds weer was er aanbid¬ding. Tege¬lijk was er de behoefte mij diep te buigen voor Hem, heel diep. Ik voelde me een klein stofje en - hoe is het mogelijk? - dat kleine stofje heeft Hij lief, laat Hij schit¬teren, dat stofje vervult Hij met Zich¬zelf.
Ik ging naar mijn kamer, knielde neer, wilde Hem prij¬zen, dan¬ken... Maar nee, ik had het gevoel naar beneden geduwd te worden. Ik voelde mij kleiner dan ooit, een wormpje voor Zijn aangezicht. Ik huilde, huilde maar, soms mèt, soms zònder tranen. Ik kromp ineen voor Zijn Grootheid, tegelijk wist ik mij veilig in Chris¬tus.
Ik had mij nooit eerder zo diep voor Hem kùnnen buigen, hoewel ik er wel naar had verlangd en, vooral de laatste tijd, veel om had gebe¬den. Ik was kapot en tegelijk ook weer niet, want Hij was er. Het was alsof Hij mij Zelf door een dal leidde, mij er leerde. Hij leerde mij vooral mijn klein¬heid, mijn nietigheid als mens zien tegen¬over Zijn Groot¬heid, Zijn Majesteit.
Een uur later had ik het gevoel alsof ik ondergedompeld was geweest in Hem, hele¬maal onder in Hem. Hij heeft mij daarna weer opgericht, Vaderlijk, vertroos¬tend.

2. Een moeilijke dag. Ik had slecht geslapen, was moe. Het leek alsof er een muur was tussen de Here en mij. Niets lukte die dag. Hij leek mijlen ver. Tijd om Hem te zoeken was er nauwe¬lijks. Er kwam een brief met een verve¬lende medede¬ling... Ik werd steeds nerveu¬zer.

Eindelijk kwam er gelegenheid om te bidden. Maar ik dacht dat het nauwe¬lijks kòn. In deze stemming bidden? En toch... ik voelde mij ineens zo sterk naar Hem toe gedreven dat ik mij nauwe¬lijks de tijd gunde om, zoals anders, eerst iets uit Zijn Woord te over¬denken. Ik knielde neer en... huilde.

Ik zal niet alles opschrijven wat ik gezegd heb, maar ik voelde mij op dat moment zó schuldig vóór Hem staan dat ik niet op verge¬ving durfde reke¬nen en daar eerst niet om kon vragen. Er was iets van: "Here, ik dacht heel wat van mij¬zelf, maar dat is niet waar, ik ben niets. Als U maar even de andere kant uit kijkt, gaat het mis. Dit kàn niet zo. Ik weet dat ik ermee naar Christus mag gaan, maar kan Hij mij dit echt vergeven? Nu, en misschien morgen wéér en steeds op¬nieuw...? Ik weet dat het steeds weer fout gaat. God, ik kàn het niet...".

Dit duurde een hele tijd... Tot ik het bij Hem durfde bren¬gen, durfde vragen om vergeving en reiniging door Zijn bloed. Voor de zoveel¬ste keer, ja... Ik noemde mijzelf een onmoge¬lijk schepseltje en toch... vrijgekocht door Zijn bloed...
Er kwam rust. Hij wilde mij vergeven. Ik mocht Zijn liefde ontvan¬gen, opnieuw beginnen. Het gebed duurde lang, er was lofprijzing, voorbede. Daarna voelde ik mij als herboren.

Dit zijn mijn ervaringen van gebrokenheid voor Hem. Ik schrijf ze op omdat ik er Hem heel dankbaar voor ben, omdat het zo duidelijk is dat Hij deze verbrokenheid geeft, soms op een hoogtepunt van vreug¬de, soms bij schuldbesef. Het is alsof Hij mij over een drem¬pel heeft getild waar ik zelf niet overheen kon komen.
Je kunt tiental¬len boeken lezen over schuldbesef en verbro¬kenheid des harten (u schrijft er ook over in uw boek: "Hoe leef ik met een genadig God?"), je kunt verstandelijk zien dat je niets bent voor God, maar je beleeft het pas als Hij het geeft. En dat heeft bij mij heel lang geduurd.

Het is met mij gegaan zoals u schreef in het begin van uw brief van 11 juni. Ik heb het opstaan met Christus bij mijn wederge¬boorte veel sterker beleefd dan het wegsterven aan mijn eigen zonden in het mede gekruisigd zijn met Hem. Naar dat laatste heb ik lang moeten verlangen - hoewel ik wist dat ik een kind van God was en de vervul¬ling met Zijn Geest kende - en nu gaf Hij het Zelf. Hij gaat met ieder Zijn eigen weg.

Ik zou nog veel meer kunnen vertellen, maar wacht op uw vol¬gende brief. Misschien kunt u dat wat ik in het begin van de brief be¬schreef, dat plotseling Zijn kracht ervaren (dat kan nooit door uw brief zijn gekomen, ik had hem op dat moment nog niet gele¬zen) uitleggen? Hebt u dat ook wel eens zo en ge¬beurt dat vaak?

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------


Wandelen in bovenwerelds licht. - Deel 5 - 16 maart 2006


DE HONGER VAN RUUSBROEC
Velp, 17 juni 1993
Beste Ada,
Je vraag. Ja, dergelijke onverwachte ervaringen van de aanbiddelijke grootheid van God heb ik ook. Soms komt dat over me door een bepaal¬de tekst. Bijvoorbeeld: "O diepte van de rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oorde¬len en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen... Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen" (Rom. 11:33,36).
Dat was het epistel van de mis op de Drie-eenheidzondag, de eerste zondag na Pinkste¬ren. Elk jaar opnieuw overweldigden die woorden mij. Dan wist ik mij opgenomen in de heilige sferen van de Vader, de Zoon en de Heili¬ge Geest. Dan wilde ik mij in aanbidding voor deze heilige Drie neer¬werpen èn tegelijk naar Hen opzien; zo ver mogelijk van Hen weg¬vluchten in het besef van mijn onwaardigheid èn tegelijk mij in Hun armen storten om er Hun liefde en reinheid te smaken.
En ook nu nog kan het besef van Gods onvoorstelbare groot¬heid plotseling over mij komen, als ik die tekst lees of er maar in de verte aan denk.

Of: wanneer ik in de Psalmen lees over het stil zijn, het zwijgen voor Gods aangezicht, kan er zo'n intens gevoel van stilte over mij komen, dat het is of alle geluid gedempt wordt en overgaat in een absolute geluidloosheid, de stilte van God Zelf, Zijn zwijgen dat tegelijk een alles omvattend spreken is.
Vaak had ik dat ook reeds bij het lezen of het in gedachten komen van de naam Ruusbroec, omdat ook in zijn geschriften de stilte voor Gods aangezicht een grote rol speelt en omdat hij, om die stilte steeds intenser te beleven, zich terugtrok in de vallei van Groenen¬daal in het Zoniënbos ten zuiden van Brus¬sel.

Uit dit laatste voorval meen ik te moeten opmaken dat derge¬lijke geestelijke overweldigingen niet uitsluitend van Boven hoeven te komen. De Here sluit vaak aan bij onze vroegere belevenissen. Ook in de Bijbel worden de zegeningen van het verleden herdacht om ervoor te danken en op grond daarvan opnieuw tot de Here te nade¬ren.


Renkum, 22 juni 1993
Beste ds. Hegger,
Vandaag kan ik in mijn brief putten uit een geweldige rijkdom. Ik zeg expres: 'kàn ik', want dat is niet vanzelfsprekend. Gisteren probeerde ik u te schrijven, maar ik kreeg geen letter op pa¬pier, mijn ge¬dachten leken geblokkeerd, het ging niet. Als ik tòch had doorge¬zet, zou het zinloos geschrijf zijn geworden en dat is niet de bedoeling.
Wat dan wèl zin heeft? Allereerst dit.
Het is vandaag alsof de Here alle sluizen van de hemel voor mij heeft opengezet. Ik moet Hem steeds maar prijzen. En het heeft toch zín om dit te schrij¬ven? Het heeft toch zín om te zeggen: 'wat is Hij groot en gena¬dig'? En: 'ik verheug mij met een onuit¬sprekelijke en heerlijke vreugde' (1 Petr. 1:8)? Híj wordt hier¬door toch grootgemaakt? En dat is toch wat we met onze corres¬pondentie ten diepste bedoelen?

Vóór ik u deze brief ging schrijven, ben ik even neergeknield. Ik was zó gelukkig dat ik Hem dit wilde zeggen. Soms móet ik dat gewoon, ook als de omstandigheden niet zo zijn dat dat ongestoord kan. In zo'n geval zeg ik Hem dit zachtjes, onhoor¬baar voor anderen, uit het diepst van mijn ziel. Dan zeg ik ook dat ik Hem zo liefheb. Dan noem ik Hem 'mijn Geliefde' (zoals in het Hoog¬lied) en vraag dan tegelijk soms, een beetje beschaamd bijna, of ik - klein nietig schepseltje voor Zijn aangezicht - dit wel màg zeggen. Maar dan zeg ik tegelijk: "Jezus, U bènt mijn Geliefde, mijn Liefste. Ik houd heel erg veel van mijn man, maar boven alles en nog veel dieper en anders is er die liefde voor U en daarom durf ik U mijn hemel¬se Geliefde noemen". En dan is het alsof ik Hem zie glimla¬chen: "Dat màg je zeggen, Ik wil dit graag. Ik heb jou immers ook lief, Ik kocht jou met Mijn bloed".

Ik zie - het voorgaande nalezend - dat ik nogal hooggestemde dingen schrijf. Ik voel me geladen en zou nog wel even zo kunnen doorgaan. De woorden buitelen dan over elkaar heen en ik moet me dan beheersen om voor anderen niet overdreven te lijken. Ik denk - of nee: weet zeker - dat u dat ook wel kent: je wilt steeds meer zeggen over dat mooie, over Hem, Die je zo in beslag neemt.

Nu iets heel anders. U noemde de naam Ruusbroec. Met die naam heb ik ook iets. Bij mij is het niet het zwijgen voor Gods aange¬zicht wat dan over me komt, maar een getrokken worden naar God toe. Ik weet helaas weinig van Ruusbroec en die stilte kant kende ik niet zo. Maar in één van uw boeken las ik een citaat van hem en dat citaat sloeg op het moment dat ik het voor het eerst las, als een bom bij mij in. Het woord bom is eigenlijk niet goed, het was juist heel teer. Hier is het citaat, dan begrijpt u wat ik be¬doel. Het is heel diep be¬schreven:

"Het is Gods inwendig roeren en aanraken dat ons hongerig maakt en doet haken: want de Geest Gods jaagt onze geest: hoe meer aanroe¬rens, hoe meer honger en begeerte. En dit is het liefdele¬ven in zijn hoogste werken, boven rede en ver¬stand; want de rede kan hier aan onze liefde geven noch nemen, daar ze wordt aange¬roerd door de goddelijke liefde".
En verder: "Gods aanroeren en Zich geven, en ons lievend neigen en weer¬geven, dit houdt de liefde gestadig. Dit vloei¬en en weder¬vloeien doet overvloeien de fontein der liefde. Aldus wordt Gods aanroepen en ons liefde nei¬gen één louter liefde".

Als je God liefhebt en dat merkwaardig hevig verlangen naar Hem kent, is dit wat Ruusbroec schrijft heel reëel. Tegelijk doet het je zien dat Hij het is Die die liefde en dit verlan¬gen naar Hem geeft.

Soms verlang ik zo naar Hem. Dan is het alsof ik Hem wil nalopen, aanraken. Ik vraag me wel eens af of dit mag en dan zeg ik Hem dit en vraag om vergeving als ik te veel van Hem wil zien en erva¬ren. Hij is zo groot en oneindig en ik als mens kàn Hem toch niet nade¬ren?

Toch heb ik nu ik dit typ, ditzelfde gevoel weer en er komt een gebed in me naar boven, dat ik hier opschrijf. Hij leest vast wel over mijn schouder mee:
"God, Grote, Machtige, Oneindige, Maje¬steit. Ja, met welke namen kan ik U nog meer noemen? Uw grootheid vervult me, diep ontzag voor U vervult me. Tegelijk is het alsof U me als een grote Magneet naar U toetrekt. Ik zou U willen aanraken, willen omhel¬zen, maar het kan niet. Ik zou mijn handen willen uitstrekken naar U, door U willen worden vastgegrepen. Het kan niet. God, vervul iets van dit verlangen in mij...".

En dan na zo'n gebed van verlangen lijkt het vaak alsof Hij me toch verhoort, dan ervaar ik Zijn tegenwoordigheid, dan word ik heel erg rustig en gelukkig.

Ja, hier kwam ik op door uw brief, maar vooral door Zijn kracht, Die Hij vandaag geeft. De afgelopen dagen waren wat moeizaam, nerveus. Er waren omstandigheden die dit veroorzaak¬ten en die ik niet in de hand had. Hij liet dit toe, maar was dicht bij me, ondersteunde me. Nu vergoedt Hij me die moeilij¬ke dagen. Hij is groot, vol van genade en liefde. Hiermee wil ik deze brief be¬slui¬ten. Hij geve u dezelfde vreugde. Ik vraag Hem erom.
Ada
 

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

 


Wandelen in bovenwerelds licht. - Deel 6 - 30 maart 2006

DOOR HET DAL MET DE PSALMISTEN

Velp, 23 juni 1993
Beste Ada,
Deze keer wil ik eens iets vertellen over één van de meest pijn¬lijke belevenissen van mijn leven. Deze zomer moest ik door een dal van diepe duisternis, waarover de schaduwen van de dood hingen.
Ik vind het niet goed om daarover in details te treden. In de eerste plaats niet, omdat mijn persoonlijk verdriet voor niemand belangrijk is en het zou zonde zijn om daarvoor de aandacht van lezers te vragen.
En in de tweede plaats, omdat je gemakkelijk gevaar loopt jezelf in de hoek te plaatsen waar de slagen vallen en je een slachtof¬ferrol aan te meten. Ons 'vlees' houdt wel van het aureool van de marte¬laar.
Vaak doen we dan anderen onrecht aan, die het immers ook allemaal goed bedoelen. Wat zijn er niet een misverstanden onder mensen, ook onder christenen! En uit die misverstanden kunnen dan weer giftige planten groeien zoals achterdocht, roddelarij, jaloers¬heid, (half onderdrukte) woedegevoelens enzovoort.
In de derde plaats is het ook niet tot eer van God. Christus was heel anders. Hij beklaagde Zich niet over de hoon die over Hem werd uitgegoten. Hij aanvaardde al dat lijden vrijwillig en wist het aan te wenden voor Zijn goede doel: een geslacht offerlam te worden voor de verzoening van onze zonden. Zo vervulde Hij de wil van Zijn Vader en werd Zijn lijden een bron van zegeningen voor miljoenen mensen, o.a. voor jou en voor mij.

Wanneer je door zo'n diep dal moet, zie je geen plekje blauw meer boven je. De hemel is dan zwaar betrokken. Je ontdekt geen licht¬puntje meer. Je bent gekneusd, gebeukt, murw gesla¬gen.
Wat moet je dan? Ik grijp dan wel naar vertroostende Bijbel¬tek¬sten, maar die zijn dan als het mulle zand dat tussen je vingers weg¬glijdt.
Ik denk dan bijv. aan Ps. 23. Maar ik kan dan maar moeilijk met de Psalmist meebidden: "Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt bij mij". Dat besef namelijk dat Hij bij mij is, mis ik dan. Hij lijkt dan zo heel ver weg. Wat kun je je dan ellendig voelen!

Weet je wat ik toen gedaan heb? Ik ben de Psalmen achter elkaar gaan lezen. Ik dacht: die dichters hebben ook dergelij¬ke worste¬lingen gekend en ze beschrijven hoe ze over hun twijfels en aanvechtingen heen zijn gegroeid. En bij het neerschrijven daar¬van is de Adem Gods over hen gegaan, zodat wij die Psalmen nu kunnen lezen als Woord van God.

Ik begon bij Psalm 1: "Welgelukzalig is de man, die ... zijn lust is in des Heren wet, en Hij overdenkt Zijn wet dag en nacht". Ja, dat Gods wet mijn lust en mijn leven is, dat kon ik beamen. Maar... juist dan ontdek je in jezelf ook andere lusten, de lust om zo zwart mogelijk van anderen te denken, om het ze betaald te zetten. Telkens voel je de woede in je koken. En dan komt de vraag: kan ik mij desondanks zalig weten?
"Natuurlijk niet", sist dan de Boze je toe, "jij met je vrome smoesjes! Kijk eens in dat boze hart van je". En ik moet hem tot op zekere hoogte gelijk geven. Dat zegt ook Ps. 130: "Zo Gij, Here, de ongerechtigheden gadeslaat; Here, wie zal bestaan?". Maar ik mag de satan met diezelfde Psalm tegenwer¬pen: "Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt". En ik probeer het de gewijde zanger na te zeggen: "Ik verwacht de Here; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord".

Maar in die Psalmen bemerkte ik ook telkens weer eenzelfde kreu¬nen, bijv. "O Here, waarom staat Gij van verre? (Waarom) ver¬bergt Gij U in tijden van benauwdheid?" (Ps. 10:1). En dat doet je dan goed; het is of de Psalmisten dan helemaal naast je staan. Ik realiseerde mij: eeuwen geleden hebben gelovigen ook die pijn gehad. Ze lagen met zichzelf overhoop en... met hun God, Die ze maar niet begrepen.
In Psalm 18:30 hoorde ik David juichen: "Met mijn God spring ik over een muur". Maar dat kon ik op dat moment hem nog niet nazeg¬gen.
Bij Psalm 23 begon de lucht al een beetje op te klaren. David zingt daar van de goede Herder, Die hem zo'n grote rust geeft. Die Herder richt een feestmaaltijd voor hem aan en nodigt hem uit om daarvan ongestoord te genieten, terwijl zijn tegenstan¬ders om hem heen staan te razen. "Gij richt de tafel toe voor mijn aange¬zicht, tegenover mijn tegenpartijders" (vers 5).

Toen ik bij Psalm 65 was aangeland, was er weer een blauwe hemel boven mij en kon ik met de Psalmist instemmen: "De lofzang is (in) stil¬heid tot U, o God, in Sion ... Gij hoort het gebed ... Ongerech¬tige dingen hadden de overhand op mij; (maar) onze over¬tredingen, die verzoent Gij. ... O God van ons heil, o Vertrouwen van alle einden der aarde".

Moet jij ook wel eens door zulke diepten heen? En hoe is dan jouw luctor et emergo - ik worstel en kom weer boven?

 

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wandelen in bovenwerelds licht. - Deel 7 - 14 april 2006

IK WORSTELDE EN KLOM OMHOOG

Renkum, 30 juni 1993
Beste Dominee Hegger,

U vraagt hoe míjn 'worsteling en boven komen' is als ik in de diepte zit. Een moei¬lijke vraag. Het boven komen is, vind ik, minder moeilijk te be¬schrijven. Mijn ervaring is dat Hij dat meestal in één, heilig, moment geeft. Ik weet me deze momenten uit het (nabije) verleden nog te herinneren.
Eén van die momenten beleefde ik onderweg van Wageningen naar Renkum in de auto. Het was daar op die splitsing van wegen bij de waterto¬ren. Ineens waren alle problemen en nevels weg, Hij was er, Zijn liefde overspoelde me. Ik beleefde het als het ware knipperend met mijn ogen: waakte ik of droomde ik? Hoe kàn dat? Het kòn, Hij had in Zijn wijsheid besloten me op dat moment te hulp te komen, alles wat beschadigd was te herstel¬len, Zichzelf aan mij te betonen als de Almachtige...

Zulke momenten zijn heilig, bijna niet te beschrijven. Je vergeet ze ook nooit meer. U schrijft in uw brief: "Toen ik bij Psalm 65 was aangeland, was intussen de lucht weer opge¬klaard en kon ik met de Psalmist instemmen....". Kijk, dat woordje 'intus¬sen' sprong er voor mij onmiddellijk uit, dat gaf een wéreld weer, die wereld van het ingrijpen van Hem, Die je nooit langer laat wor¬stelen dan je aankunt en je dan op een liefdevolle wijze laat 'boven komen': luctor et emergo.

Maar nu mijn worsteling in de diepte. Toen uw brief kwam, had ik niet direct gelegenheid terug te schrijven. Wèl had ik vage gedach¬ten over een antwoord, maar erg duidelijk was het niet. De dagen die volgden, waren moeilijk. Veel vermoeidheid, door om¬standigheden waar ik weinig aan kon veranderen, weinig gelegen¬heid rustig te gaan schrijven, weinig inspiratie voor¬al, althans zo voelde ik het.
Toen kwam er ook nog een onverwacht gesprek met een predikant, waarbij ik het idee had dat mijn getuigenis niet dóórkwam en waar ik over bleef piekeren, een nacht niet sliep... Ik be¬zeerde mijn knie, waardoor ik nauwelijks kon knielen... Het werd een aaneen¬schakeling van proble¬men en probleempjes, die me het schrijven beletten.
Ik bleef nadenken over die brief die ik u wilde schrijven en wat niet lukte. Totdat... ik ineens zag dat mijn worsteling in deze diepte het antwoord op uw vraag zou kunnen zijn. En direct daarna vroeg ik me af: grijpt Hij daarom niet in, wil Hij deze beleving in deze brief?

Ja, hoe trek ik door dit dal? Ik gebruik hier de tegenwoordige tijd, want ik zit er nog midden in. In zo'n dal worden soms mijn gebeden een beetje verhinderd. Ik bid wel, maar heb wel eens het gevoel dat ik dan niet 'door het plafond kom'. Het is heel anders dan anders. Toch wéét ik heel diep van binnen dat Hij er is, heel nabij zelfs. Vaak huil ik alleen maar een beetje voor Zijn Aange¬zicht en dan troost Hij mij. Dat is dan heel reëel. Ik lees ook in Zijn Woord, natuurlijk, zou ik bijna zeggen. Wat? Soms kijk ik waar mijn Bijbel openvalt en verwacht dan één of ander antwoord, maar dat komt zelden op die manier. Ik lees als ik het moeilijk heb, bijna altijd die wonderbare woorden van onze Heiland uit het Johannes-evange¬lie, de hoofdstukken 14 tot en met 17. Eén tekst al kan me dan diep ontroe¬ren en heel dicht bij Hem brengen.

Ik heb nog een andere (tijdelijke) 'ontsnapping' uit de ellen¬de ontdekt: mezelf uit schrijven in mijn dagboek. Ik houd dit dag¬boek nog steeds bij en het begint al een aardig boekwerk te worden. Ik wil proberen een heel jaar mijn leven met de Here te beschrijven. In dit dagboek schrijf ik dus ook deze strijd uit en vaak ook schrijf ik dan de gebeden die ik in die diep¬tes opzend, neer in dit boek. Vooral dat opschrijven van die gebeden concre¬tiseert als het ware je nood en ook je vertrou¬wen in Hem. Ik heb dan het gevoel dat Hij meeleest en ervaar zo een geweldige steun en troost. Ik citeer hier een stukje uit mijn dagboek dat ik schreef in zo'n diepte:
"Midden in een nog steeds diepe afgrond schrijf ik verder. Zou de weg vandaag omhoog voeren? Ik ben niet bang. Ik ben ook nu in Christus, Hij houdt mij vast en vangt de vurige pijlen van de boze die op mij afkomen, op. Ze beschadigen mij niet. Wel ervaar ik dat ze er zijn en op mij afkomen. Zonder Hem ben ik nergens. Maar misschien zouden ze dan ook niet komen.
Ik ervaar het als een stukje van Zijn lijden, de haat van de boze om Hem, die nu op mij afkomt. Ik geloof ook dat ik hier door de Heilige Geest gebracht ben. Waarom en waartoe? Dat zal later blijken. In alle schijnbare ellende ben ik er blij om. Er moet blijkbaar het een en ander uitgezuiverd wor¬den...".

Zo worstel ik dus in mijn dieptes en ook in de diepte van van¬daag. Actueler kan het niet. Er blijft een vraag aan u: kan ik zo'n diepte - zoals ik het hierboven schreef - zien als een deel¬hebben aan Zijn lijden? Kun je ook problemen als: pijn, vermoeid¬heid, verdriet, ziekte misschien, zó beleven met Hem dat je daarin iets van Zijn kruislijden mag mee ervaren?

En nòg een vraag: ik heb wel eens gelezen dat Johannes van het Kruis bepaalde diepte perioden omschrijft als 'nacht van de zinnen' en 'nacht van de geest'. Hebben periodes zoals u die in uw vorige brief omschreef en diepte periodes zoals die waarin ik me bevond, toen ik dat stukje dagboek schreef, hier iets mee te maken? Ik geloof wel dat je altijd anders uit zo'n diepte te voorschijn komt. Ik heb dat destijds heel sterk ervaren, had het gevoel 'weer iets nieuws te hebben gekregen'. Kàn dat, of moet je dan nog veel dieper gaan?
Ik beëindig deze brief, heb het gevoel nog veel meer te kunnen schrijven, maar dan wordt het te lang. Ik worstel nog wat door, tot... Hij, de Overwinnaar, ook mij hier de overwinning geeft.

Ada

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wandelen in bovenwerelds licht.                    Deel 8                        05 mei 2006

                                           ÉÉN MET DE LIJDENDE CHRISTUS

                                                                                                  Velp, 5 juli 1993.

Beste Ada,

Eerst mijn mening over de vragen die je stelde.

 1.   Ja, ik meen dat je dit, en zelfs elke vorm van lijden, mag zien als een gemeenschap met de lijdende Christus. Redenen:

a.   In het Nieuwe Testament wordt wel benadrukt dat vooral het lijden omwille van Zijn Naam (de smaadheid en vervolging die we omwille van Hem moeten doorstaan) ons één maakt met Chris­tus. Maar Jezus heeft ook gezegd dat we dagelijks het kruis achter Hem aan moeten dragen. En het is duidelijk dat wij niet dagelijks gehoond en uitgestoten worden, omdat wij Zijn Naam belijden voor de mensen. Dat dragen van het kruis achter Hem moet dus blijkbaar breder worden opgevat. Boven­dien voegt Jezus eraan toe: "hij verloochene zich­zelf". De zelf­verlooche­ning is een voortdurend, pijnlijk gebeuren, een lijden dat zich telkens weer aan ons vol­trekt, een dagelijks sterven aan jezelf.

  b. Elke vorm van lijden is een gevolg van de vloek die God over de zonde heeft uitgesproken, een nasleep van de rebel­lie van onze stamouders. Christus heeft al die straf gedra­gen en weggenomen. Het lijden heeft voor ons dus nooit het karakter van uitboeting, uitdelging van onze zonden. Maar in dat lijden kunnen we ons wèl één weten met deze lijdende Godsknecht, Die onze zonden weg­droeg aan het hout. Ik meen dat dit ook een troostende gedachte is voor hen die ziek zijn. Ze hoeven dat lijden niet slechts te dragen, omdat God het nu eenmaal toelaat, maar ze mogen het ook als een instrument zien, waardoor ze een diepere ge­meenschap krijgen met Christus vanwege deze eenheid of althans gelijkenis in en met Zijn lijden.

 2.   Je tweede vraag. Inderdaad, ik ben overtuigd dat Johannes van het Kruis ook dat bedoelde, toen hij schreef over "de donkere nacht". Door die weg van de loutering door het lijden, met name van de verlatenheid, leidt God je steeds dieper naar de binnenste hoven van Zijn huis. 

Nu iets anders, dat er echter wel mee te maken heeft.

1.   Enige weken geleden had ik bezoek van een innig-gelovige broeder en zuster. Deze broeder zei toen ineens: "U moet wel erg worden aangevochten door de machten der duisternis, want velen worden door uw geschriften gezegend". Hij zei dat op een volkomen nuchtere manier zoals je ook over het weer kunt spreken, bijvoor­beeld: "Ik denk dat er gauw onweer komt, want de atmosfeer is erg drukkend".

 2.   Deze week las ik in de gebedsbrief "Op de bres voor Neder­land":

  "De verslinder zoekt. We horen de laatste tijd steeds meer berichten over mensen op hoge plaatsen, die God willen ge­hoor­za­men en daardoor aan steeds heviger aanvallen van de boze worden blootgesteld. Misschien kent u enkelen van hen. Sommi­gen dreigen te bezwijken of zijn bezweken. Laten we met ernst, zo nodig met vasten en smekingen, voor hen op de bres staan, zodat zij niet alleen standhouden, maar tot rijke zegen zullen zijn voor de kerk en/of het land". 

Aan deze beide uitingen moest ik denken, nu ik weer innerlijk geslagen ben, omdat ik het niet kan nalaten, hoe beroerd het ook voor mij is, om een "beroerder Israëls" te zijn. Men vindt het prima als ik de onjuistheden bij Rome aanwijs, maar als ik laat zien dat in wezen dezelfde zondige uitwassen ook bij 'het' pro­tes­tantisme voorkomen, krijg ik de wind van voren.

Natuurlijk moet ik ervoor oppassen mezelf niet in geestelijke hoogmoed zo maar de 'status' van een profeet of van een 'mens op een hoge plaats' te geven.

Maar diezelfde aarzelingen hadden ook de bijbelse profeten. Toen Jesaja de levende God zag, riep hij uit: "Wee mij, want ik verga, daar ik een man van onreine lippen ben". Maar daarna raakte de engel zijn lippen met de vurige kool aan en zei: "Uw zonde is verzoend". En dan durft Jesaja te zeggen: "Zie, hier ben ik, zend mij heen" (Jes. 6:1‑8). En als Jeremia geroepen wordt, strib­belt hij ook eerst tegen: "Ach, Here, zie ik kan niet spreken, want ik ben jong" (Jer. 1:6).

Zo heb ook ik wel eens de neiging om tegen de Here te zeggen: "Zie, ik ben te oud. Ik ben moe van al dat vechten voor Uw Naam, al zoveel jaren lang. Laat mij nu a.U.b. met rust". Ook mij bekruipt wel eens de moedeloosheid van Elia: "Het is genoeg; neem nu, Here, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen" (1 Kon. 19:4).

 

En toch kan ik nooit in die lusteloosheid blijven vertoeven. Dan ervaar ik hetzelfde als Jeremia, nadat hij zijn geboorte­dag had vervloekt. "Daarom zei ik: Ik zal Zijner niet gedenken en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur". En dan roept hij uit: "Maar de Here is met mij als een verschrikkelijke Held" (Jer. 20:7‑18).

Dat vuur dat de Here in je doet branden, kan pijn doen, maar is tegelijk zoet, omdat je er de nabijheid in voelt van Hem, Die sprak vanuit het brandende braambos. En Zijn nabijheid voelen maakt je alleen maar diep gelukkig. 

                                                                                              Renkum, 7 juli 1993.

Lang heb ik erover moeten nadenken (en bidden) wat ik op uw brief zou antwoorden, zó dat het voor de lezers van dit boek interes­sant en vooral getuigend zou zijn. Hier kwam nog bij dat ik gisteren door een klein voorval laat in de middag ineens zo aangeslagen was dat de dag, die eigenlijk een feest­dag had moeten zijn - ik had iets (vooral met de Here) te vieren, te herden­ken -, eindigde in iets wat ver­dacht veel op een depressie leek.

Nu, de volgende morgen, zit ik mij nog steeds door een berg van gedachten heen te worstelen.

Kan ik onder deze omstandigheden deze brief schrijven of moet ik wachten tot de hemel weer is opgeklaard en de feeststemming terug is? Ik geloof niet dat ik moet wachten. Dit boek moet levensecht zijn. En heeft het leven, ook het leven met de Here, niet zijn vreugdevolle en zware momenten? En wat hebben de lezers eraan als zij in onze brieven alleen maar jubelende verhalen over uitred­dingen voorgeschoteld krijgen? 

Toch begin ik met een uitredding. Ik eindigde mijn vorige brief met "Ik worstel nog wat door, tot... Hij, de Overwin­naar, ook mij hier de overwinning geeft". Die overwinning kwam, totaal onver­wacht.

Ik zat eind vorige week in de bus, een beetje ontredderd, want ik had geen lectuur bij me. Wat nu? Helemaal niet zo moeilijk, bedacht ik me toen: de Here is er toch? En wat is er heerlij­ker dan aan Hem denken? Ik zocht in mijn geheugen naar een Bijbel­tekst.

Plotseling gingen de volgende woorden door mij heen: "Zoek Míj toch!". Wat was dat? Een boodschap van de Here? Ik kwam er niet van los en schreef het op. Had ik Hem de laatste tijd in die spanning niet genoeg gezocht of was het pas nú Zijn tijd? Ik zocht Hem, blij met deze bevestiging. Ik mòcht, móest Hem dus zoeken, het was een opdracht en een belofte. Ik was geen zonder­ling, als ik dat deed en ik zou Hem vinden.

Ik zal het verhaal verder kort houden op het gevaar af dat het een soort heilig sprookje lijkt: Hij liet Zich vinden, nam alle spanning weg en er volgden dagen van grote vreugde. 

Nu uw brief. Ik kan hier weinig op zeggen. U zit, begrijp ik, nóg midden in de problemen. Uw laatste alinea houd ik vast: "Dat vuur dat de Here in je doet branden, kan pijn doen, maar is tegelijk zoet, omdat je er de nabijheid in voelt van Hem, Die sprak vanuit het brandende braambos. En Zijn nabijheid voelen maakt je alleen maar diep gelukkig".  

Als ik zo'n probleem wat u hier beschrijft, bekijk - en door wat u mij in een telefoontje nog verder vertelde, word ik hierin nog versterkt -, heb ik een heel simpele kinderlijke gedachte. Kin­der­lij­ke gedachten zijn niet altijd uitvoerbaar, maar zegt Jezus niet iets over het "worden als de kinderkens" (Matth. 18:3)?

Het gaat hier om mensen die over meerdere zaken verschillende gedachten hebben. Het zijn allemaal kinderen Gods. Waarom gaan deze mensen dan niet bij elkaar zitten en vragen zij samen de Here hoe zij verder moeten? Waarom verootmoedigen zij zich niet voor Hem? Kan dat niet in een gezel­schap waar ongetwij­feld eer­waarde heren bij zitten? Het is maar een vraag.

Ik denk aan passages uit het boek Handelingen, maar blijf dan steken bij het gedeelte (Hand. 15: 35‑41), waar Paulus en Bárnabas uit elkaar gingen. Ook dát kan dus. En later wordt dan duidelijk waarom zoiets moet.

                                                                                            Ada

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wandelen in bovenwerelds licht.                   Deel 9              19 mei 2006

                                                    JEZELF UITSPREKEN IN HEM

 Ik heb ook nog twee vragen aan u, dominee:

1.   Ik had kort geleden een gesprek met een predikant over de Heilige Geest. U hebt, precies zoals ik, veel rondgekeken bij allerlei kerken en groepen en wij weten hoe ontstellend veel verschillende gedachten er juist over deze derde Per­soon van de goddelijke Drie-eenheid bestaan.

  De Here is zo genadig geweest mij - ik schreef er iets over in de brief waarmee dit boek begint - op een concreet mo­ment, thuis op mijn kamer, op een niet te herhalen wijze met Zijn Geest te vervul­len. Velen hebben dit ook zo ervaren, anderen weer op een heel andere, meer geleidelijke wijze. Mijn leven met de Here is daarna veranderd, verdiept.

  Mijn vraag is - en dat was in wezen de vraag van die predi­kant aan mij -: kun je altijd zeggen met Zijn Geest vervuld te zijn? Waren de apostelen na de Pinksterdag altijd vervuld met de Geest? In het boek Handelingen wordt het soms speci­aal vermeld: "Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met de Heilige Geest..." (Hand. 4:8) en: "Doch Saulus..., vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zeide..." (Hand. 13:9).

  Zijn dat dan speciale momenten of kun je dat in het geloof altijd zeggen? Bij die vraag van die predikant voelde ik me helemaal niet vervuld met de Geest, want ik was op dat moment vreselijk teleurgesteld over de dienst die er zojuist was geweest, maar in het geloof heb ik toch "ja" tegen hem ge­zegd. Was dat fout?

  Een feit is dat er momenten zijn waarin je zo overweldigd wordt door de Geest, dagen soms, dat je anders (boven­aards?) spreekt, denkt, kijkt. U schrijft hier ook over in uw boe­ken. Maar dit zou con­stant niet vol te houden zijn met dit aardse lichaam. Dàn is het 'vervuld zijn met de Geest' duidelijk, maar die andere momenten dan?

 2.   Mijn tweede vraag.

  Hoe beleeft u uw eenheid met God, te midden van de drukte van allerlei mensen om u heen? En hoe beleeft u uw 'stille tijd'?

 Dat was het voor deze keer. Ik bid u veel kracht en wijsheid van de Here toe in de problemen die u beschreef.

                                                                                               Renkum, 9 juli 1993.

Uw antwoord op mijn brief van 7 juli is nog niet binnen, maar ik voel me zo vol van de liefde van de Here en zo geladen door Zijn kracht, dat ik - als een soort ontlading? - u nu al wil schrij­ven.

Een paar dagen geleden ging ik, volkomen onverwacht, even door een heel diep dal, het was meer een spelonk, denk ik. Ik ervoer een geweldige eenzaamheid toen, wist dat Hij bij me was, maar Hij liet het me niet ervaren. Het ging vrij snel voorbij en toen daalde Zijn kracht weer op mij neer.

Zulke ervaringen zijn pijnlijk, maar doen je, dacht ik, toch wel groeien in de diepte. En dat is ook nodig. Een plant moet zijn voedsel wel eens diep uit de bodem halen. Ik zie zoiets als een soort oefening die Hij me laat verrichten. Ademloos (zouden wij, mensen, zeggen) kijkt Hij dan toe hoe dit mensen­kind, dat immers Zijn eigendom is, hier doorheen gaat. En Hij verheugt Zich als zo'n mensje dan midden in die diepte dit lijden aan Hem toewijdt. Iets van Zijn lijden wordt dan mee‑gedragen. 

Maar nu de vreugde. Vanmorgen vroeg was er al blijdschap, diep in mijn ziel. Ik wist 'ergens' dat het goed zou worden van­daag, zocht en vond Zijn liefde, gaf Hem mijn liefde, at en dronk Hem tot mij tijdens mijn ochtendgebed.

Wat gehaast ging de ochtend verder, een niet zo beste bodem voor Zijn zegen. Ik moest, zoals ik vaker doe, even met de bus naar een naburig dorp om wat boodschappen te doen. Ik las wat in uw boekje: "Gesprekken met Heada".

In dit boekje staat een passage die ik lees en herlees, zo ook nu. U schrijft daar (p.124):

  "Als die woestij­nervaring mijn deel wordt, kan ik intens dankbaar zijn. Dan loof ik de Here, omdat ik bemerk dat Hij bezig is mij steeds meer los te maken van de aardse banden. Dan zeg ik het tot Hem, dan spreek ik het bijna ín Hem uit, hoezeer ik Hem liefheb, hoe Hij mijn alles is...".

Die uitdrukking 'iets bijna ín Hem uitspre­ken', ik zoek nu naar woorden, gaat zó diep door mij heen, is op zo'n moment dan zó levensecht voor mij, dat ik het mee‑be­leef, bijna mee‑doe op zo'n moment. Ik zeg dan: "Ja, Here, dat is het, dat is het mooiste en diepste wat ik kan beleven, iets ín U uit‑spreken...". Ik zeg dan nog veel meer soms, wat nauwelijks op te schrijven is, en het geluk overspoelt mij dan, of lie­ver: Hij omspoelt me dan, ik duik als het ware onder in Hem.

Dit beleefde ik vanmorgen ten diepste. Hij overweldigde me, en nog: er is een geweldige spanning in me gekomen, die hoogte en diepte in zich schijnt te verenigen. Ik dank Hem ervoor, maar hoef dit nauwe­lijks te zeggen, ik ben helemaal in Hem, zonder mijn woorden be­grijpt Hij het. Ik ga straks voor Hem neerknie­len, maar wilde toch eerst deze brief schrijven. Ik mag mijn gesprek met Hem even uit­stellen, dichter bij Hem kan eigenlijk niet. Het is zo al zo goed.  

Wat heeft de Here u veel gegeven en hoe dankbaar ben ik dat u dit moest opschrijven. En hoe dankbaar ben ik dat ik dat mocht lezen en mee‑ervaren. Hier is niets van ons bij. Het is hele­maal en allemaal van Hem èn tot Hem. Ik weet dat u dit ook zo be­leeft en dat u elke eigenroem met alle beslistheid afwijst. 

Waarom ik dit hier allemaal neertyp? Allereerst omdat Hij het me laat doen, ik ontkom er op dit moment niet aan. Ook omdat ik hoop en bid dat ook anderen deze ervaring, beleving met de Here, zullen hebben. Iets ín Hem zeggen is iets heerlijks, je voelt je dan helemaal door Hem omgeven. Je bent ín Hem.  

Ik zag dit onlangs toen ik die tekst in het Johannes‑evangelie las als een uitnodiging van Hem: "Blijft in Mij, en Ik in u" (Joh. 15:4), de NBG-vertaling zegt het, vind ik, nog iets tref­fen­der: "blijft in Mij, gelijk Ik in u".

Met dit ín Hem zijn, ben ik veel bezig de laatste tijd. Het is iets geweldigs, ik schrijf u nog wel eens hoe dit in mij is ontstaan. 

Nu zindert die gloed, dat vuur, die blijdschap, nog in mij. Ik kom er niet van los, wíl dat ook niet. Ik moet allerlei huis­hou­delijke dingen doen, straks nog naar Wageningen, heel 'profaan' allemaal, maar ik weet bijna zeker dat die gloed blijft, dat alles wat ik nu ga doen, in dat Licht blijft, dat mijn gedachten bijna uitsluitend bij Hem zullen zijn - dat kàn, 'ergens' boven je gewone gedachten, woorden en werkzaam­heden uit - totdat... en dat gebeurt óók, Hij mij voorzichtig weer wat van Zich afschuift en mij, heel erg ge­sterkt en verblijd door deze dag, het, soms moeilijke, leven weer in­stuurt.

Maar Hij blijft mij volgen, Hij verliest mij nooit uit het oog, Hij ziet dan uit naar het volgende moment waarop Hij mij weer voluit kan omhelzen... en zo gaat het door totdat... Hij komt, Zijn kinderen meeneemt totdat... Hij zal zijn "alles in allen" (1 Kor. 15:28). 

Een hooggestemde brief, maar die momenten zijn er ook, veel zelfs. Die momenten zijn heel erg heilig, je houdt ze meestal voor jezelf, dat móet ook, anderen begrijpen het vaak niet of worden erdoor geïrriteerd misschien.

Ik weet dat u het wèl begrijpt, veel lezers ook, anderen mis­schien minder, Hij leidt iedereen op Zijn wijze.

Maar als een getuigenis van Zijn liefde en grootheid heb ik het hier opgeschreven. Ik wil Hem ermee eren, laten zien hoe groot Hij Zich betuigt in het leven van Zijn kinderen, hoe Hij Zich steeds weer ontfermt, hoe Hij die "onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8) als het ware door je heen stuwt... 

Ik eindig deze brief die ik er zo even tussendoor heb geschre­ven. Ik wacht met spanning op uw antwoord op mijn brief van 7 juli.

Veel geluk en blijdschap in de Here!                                                                         Ada

                                                                                                   Velp, 9 juli 1993.

Beste Ada,

1. Je vraag over het vervuld zijn met de Geest.

Nee, er is zeker geen blijvend vol zijn van de Geest. Dat blijkt uit de teksten die jij aanhaalde. Maar ook nog uit Hand. 4:31, waar staat: "En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest".

Onder die 'allen' bevonden zich Petrus en Johannes, maar waar­schijn­lijk ook nog heel wat meer gelovigen die op de Pinkster­dag, enkele weken tevoren, gedoopt waren in de Geest (Hand. 1:5) en vervuld waren met de Geest (Hand. 2:4).

Het is dus mogelijk dat een eerste golf van de Geest over je heen spoelt, zodat je daardoor zo uitbundig van vreugde kunt worden, dat mensen die je dan zouden gadeslaan, zich (spot­tend) over je uitla­ten: "Zij zijn vol zoete wijn" (Hand. 2:13). Maar evenzeer is het mogelijk dat er telkens weer een nieuwe golf van die Geest over je heen komt, die zwakker of misschien nog sterker is dan de eerste keer. 

Het belangrijkste is dat de Bijbel dat leert, maar diezelfde waar­heid kun je ook beluisteren in de verhalen van Gods kinde­ren. Ze gaan soms door troosteloze, dorre dalen, waarbij God heel ver weg lijkt en alles Wind-stil is. Maar dan ineens is er weer dat Waaien van de Geest, dat kan uitgroeien tot een diep-gelukkigma­kende storm.

 Bij mij is die eerste vervulling met de Geest geleidelijk geko­men. Maar een tweede keer kwam ze plotseling en als een volkomen verras­sing, namelijk bij de Pinksterconferentie in Helsin­ki in 1981. Ik heb daar­over geschreven in "Hoe leef ik met een genadig God?" op p. 209-211. Die vervulling voltrok zich aan mij als een lied dat bijna lichamelijk zong aan de bronnen van mijn be­wust­zijn. Nog altijd is dat voor mij een raadsel, omdat die volheid volkomen onverwacht over mij kwam.

Wanneer je erg naar iets uitziet en het overkomt je dan, is zoiets nog altijd te verklaren vanuit auto-suggestie. Maar op dat moment verwachtte ik zeer beslist niets. En toch werd ik door de Geest zozeer aangegrepen, dat het een zoete, lijfelij­ke aandoe­ning werd.

Maar ook daarna zijn er telkens weer van die heilige Wind-stoten over mij gekomen; nu ook weer bij het lezen van dat gedeelte van je brief. Ik denk dat dit in de lijn is van: "En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldi­ge windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren" (Hand. 2:2 NBG). 

2. Je tweede vraag.

Ik denk dat hier een verschil is tussen jou en mij. Ik leef veel meer vanuit een permanente, bijna onbewuste aanwezig­heid van God in mij. Dat heeft verschillende oorzaken. Eén daarvan, de belang­rijkste oorzaak, is mijn zelfanalyse. Ik kan daar hier niet over uitweiden. Ik heb daarover uitvoerig geschreven in "Oog in oog met jezelf - De geschiedenis van 47 jaar zelf­ontleding".

Maar ik hoop dat ik, als die zelfontleding helemaal voorbij is, mij ook zo helemaal aan een bewust gekozen tijd van omgang met de Here zal kunnen wijden. Ik ben een beetje jaloers op jou, zoals jij daar­over schrijft. 

Ik kan de Here bijna altijd vinden. Het is alsof Hij, wanneer ik Hem dat vraag, Zich van­uit Zijn permanente, heilige aanwe­zigheid zo maar ineens in al Zijn heerlijkheid aan mij, zondig mensje, ver­toont.

Een enkele keer gebeurt het dat ik Hem helemaal niet kan vin­den. Dan ben ik hopeloos, nerveus. Dan kan ik nergens rust vinden. Dat is een akelige ervaring.

Ik vind de Here het meest intens, wanneer ik in de tuin op en neer loop. Dan is het letterlijk een "wandelen met Hem", zoals dat bezongen wordt in het lied: "Ik wandel in het licht met Je­zus". Dan spreek ik met Hem, stort mijn hart helemaal in Hem uit, rust bij en in Hem. Zijn Naam, Zijn goedertierenheid voor zondige mensen, zij voor altijd geprezen! Amen!

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wandelen in bovenwerelds licht.                  Deel 10             02 juni 2006

 

 

                                                 GODS AANWEZIGHEID IN ONS

 

                                                                                            Renkum, 13 juli 1993.

Beste dominee Hegger,

Vóórdat ik aan deze brief begon, ben ik even neergeknield. Ik wil deze brief graag schrijven vanuit Hem, vanuit zijn - zoals u dit in uw brief noemde - permanente aanwezigheid in mij. Ik zit boorde­vol gedachten voor deze brief, had eigenlijk pas morgen willen schrijven. Maar nu heb ik tijd en, wat belang­rijker is, ik voel een enorme spanning in mij, een spanning naar Hem toe, een spanning die maakt dat ik over dit leven met Hem wil schrijven.

 

Ik wil allereerst ingaan op wat u een verschil tussen u en mij noemde. U leeft, schreef u, "veel meer vanuit een permanen­te, bijna onbewuste aanwezigheid van God" in u. Deze opmerking heeft me de laatste dagen niet losgelaten. Aanvankelijk irri­teer­de die opmerking me een beetje. Een verschil tussen ons? U wilt toch niet beweren dat ik niet die aanwezigheid van God in mij ervaar? Ik dacht dat u wel beter wist... Zo begon ik te denken, toen ik uw brief ontving.

 

Verder hierover nadenkende, werd ik steeds meer vervuld met die heilige God, Die... mij Zijn tegenwoordigheid in mij opnieuw, maar nu versterkt, deed proeven. Het werden een paar wonderbare dagen. Er waren ook dagen bij waarin ik geen enkele kans had mij, al was het maar een half uurtje, volledig aan de omgang met de Here te wijden. Meer bewust dan anders leefde ik toen vanuit Hem, vanuit Zijn aanwezig­heid in mij.

Hoe ik die aanwezigheid ervaar? Door een onbeschrijf­lijk gevoel van warmte en liefde in mij als ik maar even aan Hem denk. Ook doordat Hij Zich op de een of andere manier, die ik niet kan weerge­ven, aan mij open­baart als ik met alle 'vezels van mijn bestaan' naar Hem zoek. Hij is er dan, ik zie Hem in het geloof en dat geeft mij dan een 'gelukzalig' ge­voel. Soms schieten er tranen in mijn ogen van ontroering over Zijn liefde voor mij, klein armza­lig schepsel­tje.

 

Is er hierin een verschil tussen ons? Ik dacht het niet. Mis­schien was ik me die aanwezigheid van Hem in mij de laatste tijd te weinig­ bewust. 

Toch is er een verschil tussen ons en dat zag ik eerst over het hoofd: u leeft - zoals u schrijft - veel meer vanuit die aanwe­zigheid van God in u. Dat wordt versterkt door de omstan­dighe­den, waarvan u er een noemt, de zelfanalyse, en door die onmoge­lijk­heid u aan bewust gekozen tijden van omgang met de Here te wijden.

 

Die 'bewust gekozen tijden van omgang met de Here' betekenen veel voor mij. Ik verlang er iedere dag weer intens naar.

Heel vroeger al begon ik hiermee. Heel pril nog. Ik werkte bij de Internationale Bijbelbond. Men gaf daar een boekje uit: "De stille tijd". Er werden (en worden) daar ook periodieken uitgege­ven met Schriftlezingen voor iedere dag en een korte uitleg. Ik begon zo mijn dagelijkse omgang met de Here. Al vrij snel liet ik de boekjes los. Hij gaf me Zelf zoveel, die uitleg van anderen leidde mij teveel af.

De jaren door is dit zo gebleven. Er zijn heel moeilijke tijden geweest, Hij hield me vast. Een tijdje zijn mijn gebe­den minimaal geweest... tot Hij me opnieuw greep, ik schreef het u in die brief waarmee dit boek begint.

En nu zijn die 'gesprekken met Hem' zo belangrijk in mijn leven geworden, dat er dagen zijn dat ik gewoon naar Hem toe getrok­ken word. Er komt dan een verlangen in mij, een spanning naar Hem toe, waaraan nauwelijks te ontkomen is. Ik schrijf dan vaak eerst wat in mijn dagboek, een soort voorbereiding. Ik schrijf me dan als het ware uit naar Hem toe. Ik citeer hier een stukje dat ik een tijdje geleden schreef:

 

  Er is in mij een diep verlangen om Hem al mijn angsten en span­ningen te vertellen, mij te laten reinigen door het bloed van Zijn Zoon, mijzelf opnieuw aan Hem toe te wijden, mijn werk aan Hem op te dragen. Vooral verlang ik ernaar een tijdje heel erg stil bij Hem te zijn, ja, vooral dat... mij te laten onderdompe­len in Zijn liefde.

  Terwijl ik dit opschrijf, voel ik wat tranen opkomen. Ik wacht niet langer, ik ga naar mijn kamer..., in mijn hart is er een van mijn lievelingspsalmen: "O God, Gij zijt mijn God. Ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U..." (Psalm 63:2).

  Ik weet dat Hij op mij wacht. Hij dringt zachtjes aan: "Kom maar, Mijn kind, Ik ben er toch..., Ik heb je lief...". Ik aarzel nog even, sluit mijn ogen, richt mij helemaal op Hem. "God, U bent ook hier, U raakt mij nu al aan, mijn hart staat in brand... U omhelst mij nu al... Ik kom...".

 

Zo ga ik dan mijn tijd van gebed in, een geweldig voorrecht, zie ik nu. Niet iedereen heeft de gelegenheid om midden op de dag die wonderbare eenheid met Hem te zoeken.

 

Uw antwoord op mijn vraag over de vervulling met de Heilige Geest heeft mij veel duidelijk gemaakt. Ook nu voel ik Zijn Adem, een van die heilige Wind-stoten, zoals u schrijft. Dit was toen ik het gesprek met die predikant had, duidelijk niet het geval. Vind u het goed dat ik hem mijn vraag aan u met uw antwoord toe­stuur?

 

Je kunt met deze dingen vaak zo theoretisch bezig zijn en daar­door Zijn levende tegenwoordigheid missen. Totdat... het moment aan­breekt, dat Hij je wil vervullen met Zichzelf.

Soms wil Hij op die weg mensen gebruiken om je hierover iets uit te leggen, soms ook spreekt Hij tot je uitsluitend door Zijn Woord. Ik heb vroeger eerst wat uitleg nodig gehad, een predikant vertelde mij wat uit zijn eigen leven met de Here. Op mijn verlangen antwoordde Hij...

 

Voor vandaag laat ik het hierbij. Ik beleef, na een tijd van wat spanningen, nu een paar dagen van geweldig geluk met Hem, dagen waarin Hij me extra verwent. Ik ga Hem straks hiervoor danken, de spanning naar Hem toe is er nog steeds. Zijn grote Naam zij geloofd en geprezen!

                                                                                            Ada

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wandelen in bovenwerelds licht.                  Deel 11                         15 juni 2006

 

 

                                    HET STILLE WOORDELOZE BIDDEN

 

                                                                                                                           Velp, 22 juli 1993

Beste Ada,

Inderdaad, zo bedoelde ik het. Beiden mogen wij genieten van de genadige, permanente aanwezigheid van de Here in ons. Maar ik heb de indruk dat het vage, soms bijna onbewuste weten daarvan bij jou veel vaker en intenser opvlamt dan bij mij. Dat is een gave, die de Here jou geeft.

Bij mij komt het dikwijls niet verder dan het stille besef van Zijn heilige tegen­woordigheid in mij.

 

Zeker, jij zult het daarin met me eens zijn, dat besef geeft op zichzelf al de ervaring van een vrede die alle verstand te boven gaat. Daardoor weten we door ervaring dat het waar is wat Paulus in 1 Kor. 6:19 schrijft: "Of weet gij niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die gij van God hebt (en) dat gij van uzelf niet zijt?".

Ja, ook dàt is een stukje van de heerlijkheid van Gods genade: te mogen weten dat je niet meer van jezelf bent, niet meer gekluis­terd bent aan je eigen 'ik', maar voor altijd Hem toebehoort, van Hem bent.               

Maar ik ben het met je eens dat we geregeld ook bewust de gemeen­schap met de Here moeten zoeken in de 'stille tijd'. Ik werd daar opnieuw bij bepaald door wat ik las over het gebeds­leven van onze Hogepriester.

Jezus bad bijvoorbeeld opzettelijk en lang wanneer Hij voor belang­rijke beslissingen stond. Dan trok Hij daar heel wat stille tijd voor uit.

Zo lezen we: "En het geschied­de in die dagen dat Hij uitging naar de berg om te bidden en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God. En toen het dag geworden was, riep Hij Zijn discipe­len tot Zich en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook aposte­len noemde" (Lukas 6:2,13).

 

In die nacht zal de Here Jezus, denk ik, Zijn bidden niet aan één stuk door in woorden geuit hebben. De diepste eenheid met God is woordeloos. Het is een stil zich bevinden vóór Hem, het ver­wijlen in Zijn heilige en liefdevolle tegenwoordigheid.

Er is ook een gebed van de stilte, van het uitzien naar Hem. "Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal" (Psalm 121:1).

Blijkbaar mist de Psalmist op dat moment een beetje de nabij­heid van de Here. Het lijkt of de Heilige hem uit het oog heeft verloren. Daarom spreekt hij zichzelf en ons moed in met de verzekering: "Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluime­ren, noch slapen" (vers 4). 

 

Dat gebed van de stilte kun je ook met elkaar beleven. In een bidstond is het niet nodig dat er uitsluitend hardop gebeden wordt. Een bidstond kan ook zeer gezegend worden, wanneer wij een tijdlang eenvoudig bij elkaar zitten in afwachting van het moment dat Gods tegenwoor­digheid over ons komt.

In het gereformeerde protes­tantisme kent men dat stil (samen) bidden nauwelijks.

"Bidden is praten met God", heb ik vaak gehoord. Is dat wel zo? Is bidden niet veel meer luisteren naar God? Is dàt niet pas het echte bid­den, wanneer God tot òns spreekt? Dat maakt mij bijna uitzinnig van geluk, wanneer de Heilige Zich ver­waardigt naar mij, zondaar, om te zien, wanneer Hij de wolk van Zijn heilige en liefdevolle Aanwe­zig­heid op mij laat neerdalen en er mij mee over­schaduwt, mij hult in die schaduw, die tegelijk hevig licht is, het licht van Zijn liefde en genade.

Maar de stem van God is zo oneindig teer, zo sereen, zo zuiver dat je die alleen maar met de gehoorschelpen van een intense, ootmoedi­ge, afhankelijke, verwachtende houding kunt opvangen.

 

Ik las onlangs nog eens het boek van Jan de Hartog: "De kinde­ren van het Licht". Het is een historische roman. De Hartog be­schrijft in dit boek het ontstaan van de Quakerbeweging. De Quakers beweren dat we af moeten gaan op een innerlijk licht in ons, een licht dat een deelna­me is aan God Zelf, een vonk uit Zijn vuur. Ik ben het hier totaal niet mee eens.

Ik kan in mezelf geen licht, maar alleen duisternis vinden. Het licht vind ik slechts buiten mij, in Hem, Die gezegd heeft: "Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal in de duis­ternis niet wandelen, maar zal het licht des levens heb­ben" (Joh. 8:12).

'Volgen' betekent hier niet 'Hem navolgen'. Dat kan ik uit mezelf niet, want in mij is er slechts duisternis; daarom kan ik geen licht verspreiden zoals Hij doet.

'Hem volgen' betekent hier: gelovig achter Hem aangaan, het oog vol vertrouwen gericht houden op Hem, alles verwachten van Hem, van Hem alleen. Want als zo mijn ziel openstaat naar Hem toe, dan bestraalt die Zon mijn dorre maan‑vlakte en weerkaats ik Zijn licht naar de wereld toe, zodat Christus ook tegen mij zegt: "Gij zijt het licht der wereld" (Matth. 5:14).

Hij voegt er dan wel aan toe: "Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken" (vers 16). En als ik dat van Hem hoor, heb ik een neiging om in elkaar te krim­pen en tegelijk tot Hem te roepen: "Here, help mij, zodat ik echte goede werken zal doen, echte liefde zal uitstralen naar anderen, want uit mezelf kan ik dat beslist niet".

 

Wel zijn er in het leven van een mens soms beslissingen die hij vanuit een heel bewuste keuze maakt, enkel met zijn wil. Maar een gelo­vige zal achteraf zien en dankbaar belijden dat de Here hem ook in die bewuste keuzen geleid heeft. 

De eerste grote beslissing in mijn leven was het besluit om de R.‑k. Kerk te verlaten. Die beslissing heb ik heel bewust genomen als met het kille topje van mijn wil, na vijf jaar van om en om keren van de argumenten waarom ik meende die stap te moeten zetten.

 

Maar de grote beslissingen daarna zijn gegroeid uit de omgang met de Here.

Dat was in de eerste plaats de gelovige overgave aan Christus als mijn enige en volkomen Zaligmaker. Ik werd daartoe gedre­ven vanuit de manier waarop Hij naar mij keek, toen Hij mij de belof­te gaf: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6:47).

 

Die andere beslissingen groeiden in mij tot er een moment kwam dat ik wist: nu kan ik innerlijk niet meer terug. Hoezeer ik soms ook tegen zo'n beslissing opzag, ik wist dan: er is niets meer aan te doen, het mòet gebeuren! Ik ervoer het als een 'moeten' van Godswege.

Het is heel moeilijk om dat te be­schrijven. Het is als een soort zoete geladenheid. Ik stel me voor, dat de weeën van een barende vrouw er veel op lijken. Zij mòet haar kind ter wereld brengen; ze kan niet anders en wil ook niet anders.

De Bijbel noemt dat het aangeraakt worden door de Heilige Geest van God. Die aanraking was bij Maria zo sterk dat daar­uit het Kind begon te groeien in haar schoot, zodat het eeuwi­ge Woord vlees werd in haar.

Maar die ervaring kun je bemerken bij al de profeten van het Oude Testament en vooral op en vanaf de Pinksterdag bij hen die Jezus simpel wilden volgen, zonder theologie, zonder ingewikkelde redene­ringen, eenvoudig als een kind.

 

Die vervoering in Christus is de dynamiek geweest van de jonge gemeente. Daardoor konden ze alles doorstaan voor Hem, zelfs marte­ling en dood.

Die vervoering missen wij helaas zozeer in de kerken. Alles gaat daar gewoonlijk zijn zelfde gangetje. Je merkt weinig van het gegrepen zijn door God, van het niet anders kúnnen, van weeën die pijnlijk, maar tegelijk vol verrukking zijn, omdat ze gericht zijn op het voortbrengen van de Vrucht in je, Chris­tus, Die Zich door Zijn Geest op je legt en je voort­drijft naar dat ene grote doel: de verheerlijking van Zijn Vader.

 

In het klooster heb ik intens de drift naar de volmaaktheid beleefd. Maar het werd voor mij duidelijk dat die volmaaktheid hier op aarde niet te bereiken is. Ze leek op een horizon die altijd weer week, het mooie morgenrood dat altijd weer ver­bleek­te, een vogel die voor je uitwipte en als je hem wilde grijpen, je telkens ontglipte.

Het is alsof je in het klooster de bloedende schreeuw hoort van de mens die staat te rammelen aan het gesloten ijzeren hek van het verloren para­dijs.

 

Het Evangelie dat ik na mijn uittreden uit het klooster en uit de R.‑K. Kerk ontdekte, was daarom voor mij de redding uit een uiterste nood. Ik was zozeer teleurgesteld, toen ik inzag dat ik die vol­maaktheid nooit zou bereiken en dat daarom heel mijn kloosterleven zinloos bleek te zijn, dat ik aan alles, zelfs aan het bestaan van een persoonlijke God, was gaan twijfelen. Maar de Here was mij genadig. Hij heeft mij niet laten rond­dwalen in de duisternis, die mijn duistere hart had opgezocht. Hij heeft Zich over mij heengebo­gen en mij bij de hand geno­men. Zo voerde Hij mij naar Zijn wonder­bare Licht, Jezus Christus.

 

Nee, ik ben het ideaal van het klooster niet kwijtgeraakt. Nog altijd jaag ik net als Paulus naar de volmaaktheid (Fil. 3:­12). Maar ik weet nu tegelijk dat ik in Christus reeds vol­maakt bèn (Fil. 3:15), doordat de Vader vanuit Zijn barm­har­tigheid mij de volmaaktheid van Christus toerekent. Daarom is er bij mij niet meer de krampachtigheid van vroeger. De zweep van de wet, van het onver­biddelijke 'moeten', knalt niet meer over mij. Ik mag voor altijd rusten in Hem, Die ook voor mij heeft gezegd: "Het is volbracht!".

 

De enige manier om de vruchten te mogen plukken van Zijn vol­brachte werk en om Zijn volmaaktheid te ontvangen, is geloven in Zijn onvoorstelbaar grote liefde, geloven dat Hij inderdaad zo is, zo heel anders dan wij zijn, geloven in Zijn volstrekte trouw aan de belof­te die Hij gege­ven heeft. Geloven is onvoor­waardelijk ver­trouwen in Hem.

En Hijzelf heeft mij tot dat vertrouwen gebracht. Uit mezelf zou dat ver­trouwen nooit gegroeid zijn. Uit mezelf kan ik alleen maar iedereen wantrou­wen, ook Hem. Maar Hij openbaarde Zich aan mij met zo'n onweerstaan­bare heerlijkheid en liefde dat ik mij wel in Zijn armen mòest werpen. Ik kòn niet anders.

 

Geprezen zij Gods lieflijke en liefdevolle Naam!