Openbare aanklacht grote domper op a.s. 100 jaar Ger.Gem.
NB.1: Voor de juiste opmaak kunt u beter gebruik maken van het Word document wat u
kunt vinden door hier te klikken!
NB.2: Deze informatie is ons toegezonden en
tevens wijd verspreid onder betrokkenen en de pers. Alhoewel we niet verantwoordelijk zijn voor de inhoud,
is er in dit genoemde stuk sprake van een hartenkreet die wij u niet wilden onthouden,
daar wij van mening zijn dat u prima in staat bent om e.e.a. te beoordelen naar
waarheid. (Redactie Eenheid.org)
OPENBARE AANKLACHT
THEOLOGIE VAN DE RECTOR BOEZEMSINGEL (Ds. A. MOERKERKEN) LOOPT VOLLEDIG UIT DE HAND
GROTE DOMPER OP
AANSTAAND 100 JARIG BESTAAN Ger.Gem.
Opzettelijke
Leervervalsingen door ds. A. Moerkerken:
- Evangelieloze-levendmaking nota bene: door de Wet (zie pag. 11 en 59 t/m 63) Moerkerkens leer:Christus vergeefs gestorven!
- Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven. Gal. 2 : 21b
- Onbewuste wedergeboorte zonder kennis van Christus. Ds. G.H. Kersten gruwde daarvan! (zie pag. 7 t/m 16)
- Gods Kind nog immer onder de vloek, toorn en doemvonnis
De leer van ds. A. Moerkerken van het voor Gods-kind in een “nadere oefening” alsnog verloren gaan (!) onder Gods Recht en een nog altijd openstaande schuld lijkt veel op het handelen van de vreselijke Laban met Jacob! Erskine (pag. 46 t/m 49 hieronder) noemt het: Godslasterlijk en Goddeloos! Ds. C. Harinck, de nestor van de Ger.Gemeenten, noemt het: ONBIJBELS!
Laban, als bedrieger, wenste (net als de Roomse Kerk) uiteindelijk herhaalde of dubbele betaling c.q. een langere knechtelijke positie van Jacob én langere knechting van de bruid!
Méér en/of langere betaling/knechtelijke diening dan oorspronkelijk eerlijk was overeengekomen (vergelijking met de Raad des Vredes)! Jacob had over de bruidsschat vóóraf immers met Laban onderhandeld (zoals Christus in de Raad des Vredes), moest een vreselijk hoge prijs betalen en zou alsdan zijn bruid krijgen. Nadat dit alles was voldaan en vooral Jacob (vooral Jezus) nu hevig verlangde naar de volle gemeenschap met zijn bruid op de huwelijksdag (wedergeboorte) werd nu bedrieglijk gefopt in zijn bruid! Hij moest alsnóg, wederom 7 jaar dienen én ook zijn bruid moest al die tijd onder de wet van Laban blijven! Dus niet alléén de Bruid (Rachal) werd gefopt en alsnog onder de wet (van Laban) gehouden, maar vooral: Jacob, vooral Jezus wordt met eerbied gesproken: gefopt met Zijn Bruid, gefopt in Zijn kwitantie!
CONCREET:
Ds. A. Moerkerken leert helaas : Ná het geestelijk huwelijk (de
wedergeboorte/levendmaking) waardoor vlgs. God Woord iedere
schuld is opgelost: toch een vlgs. ds. A. Moerkerken nog steeds
openstaande schuld voor Gods kind! Dus géén echte satisfactie!
En als boerenbedrog zegt hij dan: “ja maar dat is van ’s mensen
kant gezien” terwijl het toch juist Gods-initiatief zou zijn om over
openstaande schuld die nog betaald móet worden te beginnen!
· Leer van Athanasius van de heilige drie-eenheid in theorie erkend; in de praktijk: God de Vader als Rechter bóven God de Zoon en God de H. Geest een bedienaar der wet in de zgn. wettische levendmaking i.p.v. door het Evangelie!
· Labadistische onbijbelse vierschaarsleer; zie ds. C. Harinck
· Embryonale Habitus (vergeleken bij een tulpenbol die in de bol reeds de bloem bevat) zou zonder Actus (het dadelijk geloven) zelfs ook het kennen, het toestemmen en het vertrouwen behelzen! Waarom dan ook geen embryonale ellendekennis?
· Een zgn. druppel ingestorte (Roomse gratia infusa-leer) liefde (Moerkerken en cons.) buiten de kennis van Christus) is volgens Erskine slechts: haat. En vanwaar komt zo,n “liefde”?
· Onder ds. Moerkerken is de huidige leer verworden tot de embryonale leer van Abraham Kuyper vermeerderd met wettische ellendekennis; een wettisch buigen wordt thans voor de wedergeboorte gehouden; bij Kuyper verondersteld.
· Voor precies dezelfde leerdwalingen (zie blz. 59 t/m 63) waarvoor Dr. Steenblok destijds werd geschorst, wordt thans in de huidige Ger. Gem. ds. Moerkerken alom jubilerend gehuldigd en wordt hem een vrienden-feest-bundel aangeboden! Wie let nog op deze dodelijke grensverlegging?
Het Spécialité de Maison van de Boezemsingel: Jodendom annex Rooms!
Geachte lezer(es),
Zoals u bekend zal zijn heeft ds. A. Moerkerken, de Rector van de Theologische School der Gereformeerde Gemeente aan de Boezemsingel te Rotterdam de zogenaamde "standen- en kruispuntenleer"op "formule"gebracht. Ds. Moerkerken publiceert hierover geregeld openlijk in de Saambinder en ook in diverse door hem geschreven boeken waaronder zijn catechismusuitgave.
Ds. Moerkerken stelt daarin uitdrukkelijk dat deze "standen- en kruispuntenleer" nietin de eerste plaats betrekking heeft op de opwas in de genade, maar........ op zaken waar de één nog voor staat en waar de ander reeds achter staat!
Zeer centraal in deze "standen- en kruispuntenleer" (en de daaraan verbonden gedachte dat vele kinderen van Godnog vóór "de grote zaak" staan van het "verloren gaan onder Gods Recht") staat daarin de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie ofwel hierna kortweg genoemd: vierschaarbeleving.
Deze vierschaarbeleving kan wel het hart- of zenuwcentrum van deze “standen- en kruispuntenleer” worden genoemd.
Pas dáár (de doorleving in de ziel van Pasen) zou het Priesterlijk ambt van Christus worden toegepast aan de ziel; de nog steeds openstaande schuld van Gods kind(!) worden vergeven! Pas dáár de Wet van haar vloek ontwapend!
In deze vierschaarbeleving zouden degenen die zulks , als nadere weldaad vanuit het welwezen des Geloofs, als extra te beurt mogen vallen,alsreeds in engere zin wedergeboren kind van God zijnde en hun daardoor in-zijn in Christus, dat is: in niemand minder dan het in-zijn in ……. de Zaligmaker(!): desondanks nog immer vallen onder de vloek en toorn van de wet (!) en alsnog (weer) worden gedaagd voor het Recht Gods waarbij hij/zij met met een volledige Labadistischeaanvaarding van zijn/haar doemvonnis wordt afgesneden van eigen leven en ....uitroept:.zijt Gij met mijn doem (=verdoemenis) gediend,.............. zoek Uw eer, ik heb het verdiend!
Erskine en met hem in ongeveer dezelfde of zelfs nóg sterkere bewoordingen Ambrosius, Brakel, van der Groe, Coccejus, ds. C. Harinck (die hieronder allen aan het woord komen) en vele, vele hedendaagse Professoren en Hoogleraren noemen de (vierschaar)-leer zoals ds. A. Moerkerken de docent van de Theologische school van de Ger. Gem. aan de Boezemsingel te Rotterdam die leert:
a. Niet de leer die naar de Godzaligheid is
b. Strekkende om de gelovigen zelfs te houden onder de wet
welke de kracht der zonde is
c. Strijdig met het evangeliebeginsel
d. Vals
e. Belofte ontkrachtend
f. ONBIJBELS
g.De zondaar nog gewilliger dan Christus in de hof van Getsemane
h. Goddeloos/ Godslasterlijk
Gods onfeilbaar Woord leert ons immers zo duidelijk:
”Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” (Rom. 8:33a)
en
Zo is er dan géén verdoemenis voor degenen die in Christus, Jezus zijn (Rom 8: 1).
De Boezemsingel leert helaas in 100% tegenspraak met de bijbel: dat er in de “nadere oefening” in de vierschaar der consciëntie voor wedergeborenen (in engere zin, in Christus, dat is dus met de toerekening van de Gerechtigheid van de Zaligmaker) nog wél terdége beschuldiging is; te weten:…….doodschuldig! Met zélfs een Labadistische bereidheid tot aanvaarding van dit doemvonnis, die nota bene ............vérder gaat dan die van de Heere Jezus in de hof van Getsemane!
Een dodelijke beschuldiging, die van Gods kant zou uitgaan!
Immers het heet toch: dat juist God als Rechter die "extra" vierschaarsgerichtsdagvaarding doet uitgaan; die mens dagvaardt zichzelf immers niet, maar deze betalingsopeising t.a.v. die zgn. openstaande schuld geschiedt juist op Gods initiatief als Rechter!
Impliciet leert de Boezemsingel daarmee:........dat er voor wedergeborenen nog wél terdége vloek, toorn en verdoemis is!
Het wordt zelfs zo gezegd: ondanks dit in-zijn in Christus, dat is: ondanks het in-zijn in de Zaligmaker alsnog voor hun persoon eeuwig omkomen! Ondanks dus Christus’, dat is dus: des Zaligmakers toegerekende Gerechtigheid!
Het heet dan immers nota bene: "met een geopenbaarde Christus, met een geopenbaarde Zaligmaker (…) met geopenbaard Bloed alsnog de dood in"!
Het door God als Rechter uitgesproken vonnis zou immers luiden: eeuwigeverdoemenis. Dit vonnis treft echter het meest: Christus-kwitantie! Vanwege het impliciet vernederen van Christus als Zaligmaker, van wie staat geschreven dat Hij verhoogd zijnde in het midden van de Troon van God is. Door Hem in dit “gericht” knechtelijk te plaatsen achterGods alsnog en wederom eisend Recht!
Dus: juistvan Gods kant ligthet hier niet "vlak"!
Juist van Gods kant zou de openstaande schuld (aan de Wet) in Gods ogen nog onverzoend en onbetaald zijn! De aan Christus gedane kwitering is hier blijkbaar géén kwitering voor degenen die door wedergeboorte in Hem zijn omdat er na die wedergeboorte (!) alsnog betaling van des zondaars zijde door God wordt geëist!
En deze betalingsopeising zou geschieden: vanuit een, voor Gods kind(!),nog immer vloekende endodende Wet! Het (door wedergeboorte) in-zijn in en de reeds volkomen betaling vanChristus als Zaligmaker en Gods Woord in Rom. 8: 1 ten spijt!
Dus die mens zou vlgs. deze leer zogenaamd wél van het werkverbond (Adam) afgesneden zijn en het Genadeverbond, dat is Christus (Die voor al Zijn volk de vervuller der Wet is) zijn ingeplant en……….. gelijkertijd toch nog qua persoon (ondanks het zgn. embryonaal geloof) volop onder de toorn en vloek der Wet liggen!
Wat baat dan zo’n niet van de vloek bevrijdend embryonaal geloof?
Erskine merkt t.a.v. Rom. 8: 1 en 33a op: dat hun personen nimmermeer onder de vloek kunnen komen, maar wél hun zonden (Deel IV, pag. 398).
Gods onkreukbare Rechtvaardigheid ontaard bij deze Moerkerken-leer in: GRUWELIJK GODDELIJK ONRECHT doordat zij Zich in haar opeising en vonnis vérder uitstrekt dan de dood van Christus; en dat is bijbels onmogelijk, want bij die dood verliest de Wet haar kracht! En in Zijn dood is voor al Gods volk: de Wet van haar vloek ontwapend!
Ja, deze leer is ongelofelijk Goddeloos, want God wordt hier beticht van grof ONRECHT, door, 2 x betaling voor hetzelfde te eisen, te weten: éénmaal van Christus, als: Zaligmaker in diens Zoendood en
alsnog (dus dubbel) óók van de zondaar! Van diégenen die toch reeds (door wedergeboorte) in Hem , dat wil zeggen: in al Zijn weldaden begrepen zijn!
Ds. Moerkerken sluit namelijk in strijd met o.a. antw. 21 HC t.a.v. het in-zijn in Christus: van al de weldaden de impliciete weldaad van schuldvergeving vanuit de wedergeboorte uit!
Dáár, vlgs. de consequenties uit deze leer, juist van Gods kant nog géén schuldvergeving: Want het is immers God Zelf die voor de zgn. openstaande, de blijkbaar nog niet van Gods kant vergeven schuld de volle alsnog-betaling van de zondaar gaat eisen!
Kennis van Christus is bij ds. A. Moerkerken een surplus; iets naders. Vanaf de wedergeboorte (inlijving in Christus) gaat men vlgs. hem de weg der werkheiligheid op vanuit en nog immer liggend onder de vloek der Wet(!). Immers wie onder schuld der Wet is, is onder haar vloek! Als reeds wedergeborene: onder de Wet op weg naar de Beloften, onder de Wet op weg naar het Evangelie, onder de Wet op weg naar de kennis van Christus, onder de Wet op weg naar het geloven in Christus, op weg naar het vrij verklaard worden van de Wet, op weg naar de schuldvergeving; die echter vlgs. hem lang niet iedere wedergeborene te beurt valt!
De inlegkundige uitleg van o.a. Bunyans-christenreis waarbij de wettische overtuiging wordt gehouden voor de wedergeboorte speelt hierin een grote rol! Een gevaarlijke misleiding van ds. Moerkerken en velen van zijn (ex)-studenten!
Volgens Gods Woord, antw. 21 HC, en de allerbeste Gereformeerde Godgeleerden valt immers de schuldvergeving echter wél terdege iedere wedergeborene ten deel! Déze volgens Erskine Goddeloze opnieuw dagvaarding/veroordeling, wordt, als het hart en zenuwcentrumvan deze "kruispuntenleer", nota bene door de (ex)-studenten van de Boezemsingelin bijna iedere preek altijd uniform “ingehamerd” als het crème de la crème!Dáár moet men naar staan!
Ook héél bedenkelijk is zijn hardnekkige onbijbelse stelling en die van zijn leerlingen (o.a. ds. A. Verschuure te Krabbendijke) dat er wél van wedergeboorte en geloof sprake kan zijn: zónder de kennis van Christus; zodat deze wedergeboorte ONBEWUST is !
Een onbewuste wedergeboorte heeft echter ds. G.H. Kersten juist ten zéérste bestreden in zijn dogmatiek (deel II, bldz. 96 + 97+160)!
Ik laat ten aanzien van de wel terdége noodzakelijke kennis van Christus bij de wedergeboorte hieronder enkele citaten volgen van de allerbeste Gereformeerde Godgeleerden. Wanneer u zich op deze Godzalige Godgeleerden beroept dan komt u echter bij het huidige Ger. Gem.-klimaat waarschijnlijk onder (stille) censuur! En toch zegt ds. A. Moerkerken dat hij in de lijn der Reformatie wenst te staan. Als u het onderstaande leest gelooft u deze verleiding dan nog als hij zegt dat wij bij de wedergeboorte/de inlijving in Christus/de Zaligmaker geen Christuskennis hebben? Let bij de prediking goed op de leerstukken die men u denkt op te dringen. U komt immers niet in de kerk om bedrogen te worden of om slechts uit te rusten!
Het gaat hier om het zaligmakende geloof. Het zaligmakende geloof omvat kennis, toestemmen en vertrouwen. Kort Begrip vrg. + antw. 19.
· Er is een logische volgorde tussen kennen, toestemmen en vertrouwen. Wat gekend wordt, wordt toegestemd, en uit de toestemming vloeit het vertrouwen voort. Omgekeerd kan er geen vertrouwen zijn als er geen toestemmen is, en geen toestemmen als er geen kennis is (Voetius)1
· Kennis, toestemmen en vertrouwen horen alle drie wezenlijk tot het geloof. Waar één van drieën gemist wordt, daar is geen geloof (Comrie)2.
Wannneer Comrie hier de kennis, toestemmen en vertrouwen embryonaal bedoeld zou hebben dan zou één van drieën ook nooit gemist kunnen worden.
Het embryonaal kennen, toestemmen en vertrouwen is dus louter een bedenksel van ds. Moerkerken en veronderstelt (evenals bij Dr. Kuyper) een embryonale roeping en daarmee is het geloof niet meer uit het gehoor van het evangelie!
(Ds. G.H. Kersten, dogmatiek deel II, bldz. 69: “Niet door de wet, doch door het Evangelie roept God Zijn uitverkorenen in den tijd Zijns welbehagens tot de zaligheid”).
· Het voorwerp van het geloof moet gekend worden om het te kúnnen toestemmen.
· Qua kennis 3 verschilt het zaligmakende geloof niet van het historische geloof (Bastingius 4, Synopsis 5, Voetius)6..
· Zonder kennis is er geen geloven mogelijk (Voetius)7.
· De kennis van het zaligmakende geloof omvat ‘alles wat God ons in het Evangelie heeft geopenbaard’, zoals dit in de HC aan de hand van de 12 art 9zd 8-22 (H.C. vr/antw. 22) 8.
· Het voorwerp van het rechtvaardigende geloof is de belofte van het Evangelie, d.w.z. Christus en al Zijn weldaden (Synopsis) 9.
· Zonder kennis van de belofte van het Evangelie is er geen zaligheid mogelijk (Voetius)10.
· Zonder kennis van Christus is er géén geloof in Christus mogelijk, en zonder geloof in Christus is er geen zaligheid mogelijk (Trigland 11; Turrettini 12; Witsius 13).
· Omdat ‘Christus in Zijn Priesterlijke bediening’ het eigenlijke voorwerp van het rechtvaardigende geloof is (Owen)14, is kennis van Christus in Zijn Priesterlijke bediening onmisbaar.
__________________
1 Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 256: “Vooronderstelt deze toestemming, en zendt ze vooruit de kennis en wetenschap, ja stelt ze die vast? Antw. Ja: want ik kan niet approberen noch toestemmen, tenzij dat ik heb goede kennis en wetenschap van de zaak.”
(Voetius antwoord hierop uiteraard volmondig: Ja.
Helaas, helaas……. ds. A. Moerkerken ontkent dit echter)!
2 Comrie, Katechismus, blz. 406: “De kennis, de toestemming en het vertrouwen zijn de wezenlijkheden die tot het wezen des geloofs even wezenlijk behoren, de ene niet meer als de andere; deze drie in derzelver samenvoeging met elkander zijn het oprecht geloof, dat Gods Geest in de harten der uitverkorenen werkt in hun krachtige roeping. Zo een enige van die ontbrak, zelfs voor het minste ogenblik, zo had het geloof niet zijn wezenlijke natuur en was dus geen oprecht geloof.”
(Wannneer Comrie hier de kennis, toestemmen en vertrouwen embryonaal bedoeld zou hebben dan zou één van drieën ook tijdelijk (tot aan de dadelijkheid van de actus) nooit meer kúnnen ontbreken want Gods Schenking is volmaakt!(Doordenkertje).
Het embryonaal kennen, toestemmen en vertrouwen is dus louter een bedenksel van ds. Moerkerken en veronderstelt (evenals bij Dr. Kuyper) een embryonale roeping (zie ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek, deel II, bldz. 97) en daarmee is het geloof niet meer uit het gehoor van het evangelie)!
(Ds. G.H. Kersten, dogmatiek deel II, bldz. 69: “Niet door de wet, doch door het Evangelie roept God Zijn uitverkorenen in den tijd Zijns welbehagens tot de zaligheid”).
3 Hiermee bedoelen we de kennis zoals deze in de H.C. wordt omschreven als logisch voorafgaand aan de toestemming en het vertrouwen. Er is immers ook kennis die ontspringt aan de particuliere toestemming en het vertrouwen, zoals de kennis dat God mijn God is. Dergelijke kennis maakt geen deel uit van de kennis van het historisch geloof.
4. Bastingius, Verclaringe op den Catechisme der Christelijker Religie, 1893 (1594), blz. 67: “Want al is het dat een oprecht geloof de kennis gemeen heeft met een historisch geloof (waarvan hier gezegd wordt) zo kan toch het oprecht geloof zonder deze wetenschap en zekere kennis niet zijn…”
5. Synopsis, XXXI, 7: “… het historische geloof komt in de kennis en de [algemene] toestemming met het rechtvaardigende geloof overeen…”
6. Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 259: “Is het genoeg dat een mens heeft zo’n generale kennis en wetenschap van al hetgeen de Heere in Zijn woord geopenbaard heeft? Antw. Neen. Wat wordt er dan nog meer vereist? Een particuliere toestemming en verzekering. […] Waarom is het niet genoeg, dat ik zo’n generale kennis en wetenschap heb? Antw. Omdat de duivelen ook zulk een geloof kunnen hebben (Jak. 2:19). Gij gelooft dat God een enige God is; gij doet wel: de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.”
7. Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 256: “Kan iemand wel in Christus geloven zonder kennis van Hem te hebben? Antw. Neen.
Kan ik Hem voor mijn Zaligmaker wel aannemen, als ik Hem niet ken? Antw. Neen.
Kan ik God wel geloven, vertrouwen, liefhebben, als ik Hem niet ken? Antw. Neen”.
(bij ds. A. Moerkerken kan men zgn. in Christus zijn ingelijfd en toch Christus niet kennen).
8. H.C. vr/antw. 22: “Wat is dan een Christen nodig te geloven? Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.”
9 Synopsis, XXXI, 20: “Het speciale voorwerp van het geloof voor zover het rechtvaardigend is, en wat dit geloof eigenlijk van de andere soorten van geloof onderscheidt, is de Evangelische belofte van Christus de Middelaar, want het rechtvaardigt eigenlijk in zoverre, en het behoudt, voorzover het de verdienste van Christus in het Woord van het Evangelie geopenbaard, aangrijpt en omhelst; want het is niet voldoende als iemand de geschiedenis van de gebeurde zaak, namelijk dat Christus geleden heeft, kent; en ook niet als iemand toestemt en gelooft, dat Christus geleden heeft voor de zonden van alle mensen; maar daarenboven wordt vereist, dat daarbij komt de volle verzekerdheid en het vast vertrouwen, waardoor de zondaar allerzekerst gelooft, dat niet alleen aan andere gelovigen, maar hem ook in het bijzonder, vergeving der zonden om de verdienste van Christus geschonken is, en dat hij diens verzoening in genade aangenomen is, en dit zichzelf vol vertrouwen toeeigent.”
10. Voetius, Voetius, Catechisatie, deel 1 blz. 266: “Maar zo iemand niet weet en verstaat de belofte des Evangelies, kan hij wel behouden en zalig worden? Antw. Nee.
Blz. 265 : “ Waarom moet gij Gods beloften weten en kennen? Antw. Omdat ik anders niet zalig kan worden.
(laat ds. A. Moerkerken dit ook eens lezen inplaats van de kerk te verwoesten door eigensnuffigheid; de beloften des evangelies kunnen immers niet embryonaal worden geweten en verstaan?
Zo ja? Waarom dan ook geen embryonale ellendekennis?
Dán is het volkomen predestinatianisme!
Waarom dan ook geen tulpenbol=embryonale-heiliging?
11 Trigland, Kerkelijke Geschiedenissen, blz 644: “Wij bekennen, dat in onze belijdenis en catechismus schriftuurlijk geleerd wordt, dat het zaligmakende geloof niet kan wezen zonder kennis van de persoon en verdiensten van Jezus Christus, en dat niemand kan zalig worden, dan die de weldaden van Christus met een oprecht geloof aanneemt. Hiertegen verwerpen wij als onschriftuurlijk en strijdig met onze belijdenis en catechismus, dat de mensen zalig kunnen worden door een geloof, hetwelk zonder de kennis van de persoon en verdiensten van Jezus Christus is”.
Ds. A. Moerkerken leert op zeer droevige en bedrieglijke wijze hetzelfde als Dr. Steenblok, die wegens diézelde leerafwijking(!) destijds bij de vroegere Ger. Gem. werd geschorst! Terwijl nu ds. A. Moerkerken voor dezelfde dwaling thans in de huidige Ger. Gem. ,als PAUS der Ger. Gem. jubilerend wordt gehuldigd en alom in de lucht gestoken. Beiden leren namelijk dat: wetsovertuigden nota bene uitsluitend door de Wet en buiten de kennis van Christus worden levendgemaakt door Gods Geest. Wetsovertuigden worden zelfs aangesproken en verleidend betiteld met:…….volk, maar…..dit “volkje” wordt vervolgens niet als “kleinen in de genade” getroost (zoals bijvoorbeeld Jacobus Koelman in : De natuur en gronden van het geloof, ISBN 90-71272-19-2 zo kostelijk doet en zoals ook van ds. Moerkerken als rector verwacht zou mogen worden).
In plaats van troost……. worden zij zelfs na de wedergeboorte(!) toch volop onder de vloek, toorn en verdoemenis der Wet gelaten en wordt een schrik-en-afkeer Godsbeeld opgeroepen van een wraaklustige God waar je beter maar geheel niet mee van doen kan hebben! Immers in Moerkerkens-optiek is de wet in de reeds levendgemaakte/wedergeborene nog steeds zaligmakend(!) aan het plaatsmaken voor het in nadere kruispunten/oefeningen te ontdekken evangelie, de beloften, inleving van: zien is nog geen hebben en de krachtdadigheid van Christus enz.
Het evangelie/de beloften welke vlgs. de bijbel in de wedergeboorte door het geloven/geloof omhelst worden regarderen (nog) niet bij de levendmaking zegt ds. A. Moerkerken!
Na deze “Evangelielozelevendmaking” komen “levendgemaakten” nog méér onder de geestelijkheid der wet; dus nog altijd géén evangelie, géén omhelzen van de Beloften-Gods!
LET GOED OP: Dus het uitsluitend levendmakende evangelie
(DL 3,4 par.5+6) speelt in deze verwarrende Heilsordeleer in de eigenlijke levendmaking géén, ja zelfs géén énkele rol omdat in dit Steenblok-Moerkerken-systeem, bij een nadere weldaad/kruispunt, pas sprake is van enige openbaring van het evangelie/het gelovig omhelzen van beloften: MAAR…LET WEL: NA de levendmaking! Daarom moet, vlgs. dit Moerkerken-Steenbloksysteem: nu het evangelie én de beloften in het eigenlijke wedergeboortestadium (nog) totaal niet van toepassing zijn, maar alléén wet en vervloeking, de eigenlijke levendmaking noodzakelijkerwijs DOOR DE WET (die volgens Gods Woord alléén doodt) ZIJN)!
Dus nota bene rechtstreeks in totale strijd met Gods Woord(!): de wet als doder maakt levend en behoudt, in plaats van de LevensVorst! Dit denken de Joden ook! De dodende leer van de wet…..liever dan de LevensVorst!
Zo groot is de vijandschap tegen Christus en Zijn Werk dat de kennis van Christus in de levendmaking in de huidige Ger.Gem. wordt geloochend op straffe van (stille) censuur!! Zie s.v.p. het bewijs van de valse leer der levendmaking door de wet van Steenblok en Moerkerken aan het eind van dit artikel, blz. 59 t/m 63. Trigland noemt het strijdig met onze belijdenis en catechismus.
12. Turrettini, Institutio Theologiae Elenchticae, Locus XII Qu. 6, 15: “Christus zal niet zaligmaken tenzij Hij wordt gekend en aangenomen door het geloof (Jes. 53:11; Joh. 6:29; Joh. 6; 40; Joh. 17:3). Waarom zou het anders het Evangelie nodig zijn, als wij zaligheid zouden kunnen verkrijgen zonder kennis van Christus?
(ook door Turretini wordt de dwaalleer van ds. A. Moerkerken verworpen; maar ja….wie is Turrettini vergeleken bij Thona Melis?). Waarschijnlijk een Hoogleraar die domme dingen zegt (zie ds. A. Moerkerken daarover in de Saambinder 9 febr. 2006)!
13. Witsius, Grondstukken van het Algemene Christelijke Geloof, Delft 1723, blz. 14: “Daar er geen zaligheid te verkrijgen is zonder Christus (Hand. 4:12) en geen volwassene door Christus behouden wordt dan door middel des geloofs (Mark. 16: 16), en het geloof kennis vooronderstelt (Rom. 10:14), zo is het nodig ter zaligheid dat Christus gekend wordt (Joh. 17:3; Joh. 20:31).”
(blijkbaar wuift ds. A. Moerkerken ook Witsius weg en houdt het liever op: ds. de Wit).
14. Owen, Works V, p. 118-119: “De Schrift verklaart duidelijk dat het geloof als rechtvaardigend geloof alleen betrekking heeft op het priesterlijke ambt en de priesterlijke verrichtingen van Christus.
(bij ds. Moerkerken kan men zelfs alleen al in het “geloof” in Christus profetisch ambt zalig worden; de toepassing van Christus Priesterlijke werk is immers slechts voor een witte raaf)!
Erskine leert ook in boek II van Al de werken bldz. 290 uitdrukkelijk de bijbelse leer: dat in de nieuwtestamentische bedeling het Geloof zich als eerste richt op het Priesterlijke ambt van Christus! (Héél jammer dat ds. Moerkerken anders leert)!
Halyburton, Een zedig Onderzoek, blz. 15: “…wedergeboorte, het geloven en de rechtvaardigmaking geschieden alle in een en hetzelfde punt des tijds.”.
Blz. 26: “Er is geen daad van genade die ook maar een ogenblik het rechtvaardigmakende geloof voorafgaat.”
(het geloven is bij ds. A. Moerkerken niet op hetzelfde ogenblik; bij hem is het: Christus Jezus voor eigen hart en (be)leven: als eventueel surplus op lange termijn)!
Boston, Complete Works VII, p. 82: “Het is niet de habitus van het geloof, maar het daadwerkelijke geloven (de actus) , waardoor de Geest ons met Christus verenigt. De Heilige Geest werkt in ons dat daadwerkelijk geloven, als hij dit onmiddellijk voorbrengt vanuit het geestelijke leven dat Hij ons gegeven heeft door de mededeling van Zichzelf aan ons. En door dat daadwerkelijke geloven worden wij verenigd met Christus, in de zin dat wij daardoor Christus aannemen, en Hem aankleven”.
(ds. A. Moerkerken staat met zijn kruispuntenleer toch wel héél ver van Boston af door niet alleen (grote) tijdsruimte te laten tussen wedergeboorte en het daadwerkelijk geloven in Christus; hij laat helaas de vereniging met Christus juist wél uit de habitus vloeien waardoor de in het Geloof bestaande kennis, toestemmen en vertrouwen nota bene ook embryonaal wordt; ds. A. Moerkerken vergelijkt dit met een tulpenbol die wel alles in zich heeft maar nog niet tot volle bloei is gekomen; dus het klinkklare bewijs dat hij de ONBEWUSTE WEDERGEBOORTE aanhangt)!
Brakel, Redelijke Godsdienst I, XVI, 22 (Blz. 364): “Niet de goederen, niet de bevalligheid, niet de liefde maakt een huwelijk, maar de wederzijdse bewilliging aan elkander verklaard. Dit is ieder bekend: als beide partijen in de voorwaarden bewilligen, zo is de vrede tussen die tevoren in oorlog waren, gemaakt. Zo is het ook hier.”
(dus bij Brakel géén ONBEWUSTE WEDERGEBOORTE zoals ds. A. Moerkerken leert) Zie ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek deel II, bldz. 97 waar ds. Kersten t..a.v. onbewuste wedergeboorte zegt: “zielsmisleidend”!
Halyburton, Een zedig Onderzoek, blz. 22: “De Heilige Geest neemt de arme zondaar in bezit, maakt hem bekwaam om te geloven, en doet hem geloven, door in habitus en actus het geloof te werken; en hierdoor wordt deze mystieke vereniging die door de inkomst des Geestes was begonnen, door de geloofsvereniging met Christus voltooid.”
Witsius, Vier Boecken III, VIII, 59 (blz. 385-386): “Hoewel de uitverkoren zondaar door Christus vrijgekocht is […] nochtans wordt dat recht dat door Christus is verworven, aan hem niet toegepast totdat hij wedergeboren en door het geloof met Christus verenigd worde. […] Terstond nadat hij Christus door het geloof aangenomen heeft, zo verklaart God in de vierschaar des Hemels dat hij niet meer onder de toorn maar onder de genade is.”
Boston, Complete Works VII, p. 93: “Rechtvaardiging is niet een werk dat bij trappen wordt uitgevoerd, maar het is een daad die in een ogenblik wordt volbracht. Een zondaar wordt gerechtvaardigd op het eerste ogenblik van zijn geloven in Christus, en niet eerder. Rechtvaardiging is een daad van God zelf”.
(de leer van de Rechtvaardiging van eeuwigheid behoort tot het hypercalvinisme).
Owen, Works V, p. 144: “Door ons metterdaad geloven met een rechtvaardigend geloof, door in Christus te geloven en in Zijn naam te geloven, ontvangen we Hem. En dáárdoor, volgend op onze eerste rechtvaardiging, worden we kinderen Gods (Joh. 1:12). […] Al deze zaken zijn niet los te maken van ons eerste geloven in Hem; en daarom is onze rechtvaardiging meteen compleet.”
(vraag aan ds. A. Moerkerken: “welke troost is er vgls u bij het zgn. in Christus ingelijfd zijn, als we volgens u Christus niet kennen en vooralsnog ook niet metterdaad geloven)?
Erskine, deel IV, p. 296: “Het is een ander stuk van de nieuwe en de vreemde theologie of Godgeleerdheid van sommige in onze dagen, te weten, dat de evangelische bekering of enige daden van dezelve, vóór het zaligmakende geloof gaan; maar deze leer van de kracht der zonde bewijst het tegendeel; want, wanneer de evangelische bekering stand grijpt, dan is de kracht der zonde gebroken, en de mens is dadelijk in de wapenen tegen dezelve; maar…. van waar heeft hij zijne wapenrusting , indien hij nooit door het geloof tot Christus gekomen is, om kracht daartoe? De bekering is een wederkeren tot God; maar wie is ooit tot Hem wedergekeerd zonder Christus? Want niemand komt tot de Vader, dan door Hem. Daar kan wel veel geveinsde, huichelachtige en wettische bekering zijn, zonder het geloof, maar de ware en dadelijke evangelische bekering is altijd de vrucht van het zien van Christus op de ziel” Einde citaat Erskine.
(het is bekend dat de uitgetredenen en cons. ten diepste niets van de Erskines moeten hebben; om echter aan eigen gezag en geloofwaardigheid te winnen doen zij slechts gelegenheids-verwijzingen naar deze Godgeleerden)
Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1 blz. 266: “Maar zo iemand niet weet en verstaat de belofte des Evangelies, kan hij wel behouden en zalig worden? Antw. Neen”.
Blz. 265: “Waarom moet gij Gods beloften weten en kennen? Antw. Omdat ik anders niet kan zalig worden.”
Ds. G.H. Kersten, dogmatiek deel II, bldz. 160: “Een blind geloof, zonder kennis, is niet het zaligmakende geloof. Dat geloof is een kennen en dááraan hangt de rechtvaardiging des zondaars en het eeuwige leven.
(zo ziet u hoezeer ds. A. Moerkerken steeds verder van ds. Kersten af is geradicaliseerd richting Steenblok/uitgetredenen)!
Owen, Works V, p. 118: “Omdat de staat waarin zij verkeren voor hun rechtvaardiging niet alleen een staat van schuld en toorn is, maar ook een staat waarin de kracht der zonde in hen aanwezig is, is hun oogmerk niet alleen om te worden gerechtvaardigd, maar ook om te worden geheiligd. Met het verlangen naar heiliging beoefenen de gelovigen het geloof in bijzonder opzicht tot het koninklijk en profetische ambt van Christus. Maar tot hun bevrijding van de schuld der zonden, hun aanneming bij God, hun rechtvaardiging voor Hem, - zodat zij bevrijd worden van de vervloeking, zodat zij niet in het oordeel komen – dan is het de gekruisigde Christus, Christus verhoogd als de koperen slang in de woestijn, dan is het het bloed van Christus, de verzoening die Hij was en de verlossing die Hij aanbracht, dan is het zijn dragen van hun zonden, en dat Hij voor hen zonde en vloek is gemaakt, dan is het de eeuwigdurende gerechtigheid die Hij aangebracht heeft, dan is het dat alleen waaraan hun geloof zich vastklemt en waarin zij rust vinden.”
Hellenbroek, Vragenboekje, hfst. 1, vraag 9 en hfst. 11, vraag 5: “Is Christus te kennen juist nodig tot zaligheid? Antw. Ja”. “Waarin moet de Middelaar al gekend worden? Antw. 1. In Zijn Namen; 2. In Zijn ambten. 3. In Zijn naturen; 4. In Zijn staten en 5. In Zijn weldaden”.
(Hellenbroek zegt hierop uiteraard: Ja. Bij ds. A. Moerkerken kan men levengemaakt zijn vanuit de Wet zónder de kennis van Christus; embryonale kennis, embryonaal vertrouwen en embryonale toeeigening bestaan immers niet)!
Alléén daadwerkelijk en…. metterdaad!
Owen, Works V, p. 144: “Door ons metterdaad geloven met een rechtvaardigend geloof, door in Christus te geloven en in Zijn naam te geloven, ontvangen we Hem. En daardoor, volgend op onze eerste rechtvaardiging, worden we kinderen Gods (Joh. 1:12). […] Al deze zaken zijn niet los te maken van ons eerste geloven in Hem; en daarom is onze rechtvaardiging meteen compleet.”
(wat zou ook Dr. Owen het vreemd gevonden hebben dat ds. A. Moerkerken beweert dat een wedergeborene nog immer onder de vloek en toorn der Wet ligt en NIET metterdaad gelooft)! Metterdaad gelooft = geloven!
Synopsis, XXXI, 6: “Het zaligmakende geloof is de krachtige toestemming uit zekere kennis der goddelijke openbaring, door de Heilige Geest door het woord van het Evangelie in onze harten ingeplant, aan alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar voornamelijk aan de heilaanbrengende beloften in Christus gedaan, waardoor ieder gelovige met vast vertrouwen in God rustende, zeker vaststelt dat er niet slechts aan de gelovigen in het algemeen vergeving der zonden beloofd is, maar hemzelf in het bijzonder ten deel gevallen is en eeuwige gerechtigheid, en daaruit het leven, uit Gods barmhartigheid wegens de verdienste van Jezus Christus alleen, geschonken is.”
Van der Groe, Schadelijk Misbruik, blz. 17: “Dus moet het dan noodzakelijk door ons gehouden worden voor een vaste regel in het Christendom, dat zolang als iemand de Heere Jezus niet kent, met een geestelijke en gelovige kennis van bijzondere toeëigening voor zichzelf en van een hartelijk vertrouwen op Hem en Zijn genade, op grond van de beloften des Heiligen Evangelies, hij dan ook nog geen ware zaligmakende overtuiging bekomen heeft welke ontdekking van zonde, en vloek, verdoemenis, onmacht, enz. hij schoon anders ook al in zich bevinden moge, en hoe grotelijks beangst en bekommerd hij daaronder ook wezen moge.”
(van Van der Groe zal ds. A. Moerkerken helemaal wel niets moeten hebben, immers van der Groe leert hier 100 % tegengesteld wat ds. A. Moerkerken op droevige wijze met zijn tulpenbolvoorbeeld beweert).
J. C. Appelius, Vervolg van Aanmerkingen, Voorrede § 35; blz. LII-LIV: “De grond nu, waarop de mensen die onder het Evangelie leven, recht en vrijheid hebben om Christus met al Zijn goederen aan te nemen, is niet gelegen in enige gestalte van armoede, licht, overtuiging of iets anders, maar enkel en alleen in de vrije roeping, aanbieding, en nodiging van het Evangelie. Zónder dezelve kan of mag niemand, hoe arm hij ook zij - maar óp dezelve mag en moet een ieder, hoe verstokt hij zij, tot Christus komen. Erkentenis van zonde, armoede van geest, en waarachtige overtuiging zijn wel wegen en beweegredenen zonder welke niemand van dit aanbod gebruik zal maken, maar het zijn geen gronden, welke hem recht en vrijheid geven; overmits ook een geruste en blinde, die niet weet dat hij ellendig is, door de roeping vrijheid krijgt om van Christus voor zichzelf, tot verlichting, gebruik te maken (Openb. 3:17-18). Een eenvoudige zal misschien de zaak, door de volgende gelijkenis, eenvoudigst verstaan kunnen. Een bedelaar, die tot een volle tafel geroepen wordt, heeft, buiten alle twijfel, recht en vrijheid om aan te zitten, en de opgediste spijze, voor zichzelf te gebruiken. Zijn armoede en zijn honger kan wel een beweegreden zijn, dat hij aanstonds naderbijkome [bijga] en ete; maar deze dingen zijn geen gronden, die hem recht en vrijheid tot de tafel geven. Dat recht en vrijheid hangt enkel en alleen af van de roeping, aanbieding en nodiging van hem die de tafel toekomt. Al was die bedelaar nog zo arm: hij mocht toch niet aanzitten, indien de eigenaar hem niet nodigde. Maar wanneer hij genodigd is, heeft hij recht en vrijheid om aan te zitten, [ook] al was hij niet eens recht arm, of al had hij geen honger.”
Lubbertus (mede ondertekend door Polyander, Gomarus, Thysius en Walaeus), Acta, blz. 771-772.: “De eerste genade [der wedergeboorte], dewelke werkende, voorkomende, opwekkende genoemd wordt, is een werking der Goddelijke barmhartigheid, dewelke het verstand des mensen met de ware en zaligmakende kennis van Jezus Christus verlicht….
(leest u hier goed hoe o.a. Gomaris totaal anders leert dan ds. A. Moerkerken; bij de eerste genade zegt Gomaris: wel kennis)!
Shorter Catechism, qu. 31: “31"Wat is de krachtdadige roeping? De krachtdadige roeping is het werk van Gods Geest, waardoor Hij, terwijl Hij ons overtuigt van onze zonde en ellende, onze geest verlicht met de kennis van Christus en onze wil vernieuwt, ons gewillig maakt en in staat stelt om Jezus Christus te omhelzen, Die ons in het Evangelie vrij wordt aangeboden."
Witsius, Vredelievende Aanmerkingen, blz. 74-75: “Aan een op zo’n wijze beangste ziel vertoont zich nu de weldoende Zaligmaker Jezus, met de overvloed van al Zijn genade en heerlijkheid, die Hij vrijwillig en mild aan allen die ze begeren, aanbiedt; en Hij biedt ze niet alleen aan, maar Hij nodigt ook zeer vriendelijk om deze aan te nemen, en doet dienaangaande zeer krachtige betuigingen, ja trekt ook, door een verborgen kracht van Zijn Geest het binnenste van het hart doordringende, het verstand en de wil tevens door een aangenaam geweld: waardoor het geschiedt dat de ziel door de glans van dit hemels licht bestraald, en daardoor aangelokt, Jezus met alle krachten voor zijn Zaligmaker aanneemt, en dit onwaardeerbare geschenk door deze aanneming vast en onherroepelijk maakt. Dit is dat geloof van Gods uitverkorenen hetwelk de H. Schriften dikwijls zeer hoog prijzen. Dewijl nu dit geloof in de aanneming van Christus bestaat, zo is het openbaar dat Christus dan eerst door bezitting de onze is, wanneer wij Hem door het geloof hebben aangenomen,. Hem aannemende nemen wij tegelijk aan en maken door de aanneming de zone al die gerechtigheid die Hij voor ons vervuld heeft.”
Witsius, Vier Boecken, III, 8, 51 (bl. 381): “[De Gereformeerden] ontkennen niet hetgeen de Meester Christus zelf zegt (Joh. 6:29), dat het geloof een werk is, ja, wat meer is, zij ontkennen niet dat de aangrijping en de aanneming van Christus zelf, in de zaak van de rechtvaardigmaking een daad des geloofs is, en dat het geloof tot zo ver als dadig moet aangemerkt worden. Nochtans ontkennen zij dat het geloof ons rechtvaardigt voor zoveel het een daad van God voorgeschreven is [..]; maar zij zeggen dat wij door die daad worden gerechtvaardigd voor zoveel wij daarmee Christus aangrijpen, met Hem verenigd worden en Zijn gerechtigheid omhelzen. Hetwelk zij met deze gelijkenis plegen te verklaren. De uitsteking van de hand van een bedelaar waarmee hij op het bevel van een rijke, een genadige gift van barmhartigheid aanneemt, is een daad van de bedelaar, door de rijke voorgeschreven; nochtans voor zoveel zij een daad is, verrijkt zij de bedelaar niet, maar voor zoveel hij op die wijze de gift zich toepast en de zijne maakt. Welke dingen klaarder zijn, dan dat ze door enige beuzelingen en bedriegerijen kunnen verduisterd worden”.
Synopsis, XXXI, 21: “Hoe kan de genade willens aangenomen worden, […] en toch niet geweten worden door degene die haar aanneemt, of hij haar heeft? Want om een zaak met een willende beweging der ziel aan te nemen, is het noodzakelijk dat wie haar eigener beweging aanneemt, weet dat de zaak hem gegeven is, en ook dat hij ze waarlijk aanneemt, en dat hij, als hij ze aangenomen heeft, bezit.”
Halyburton, Een zedig Onderzoek, blz. 22: “De Heilige Geest neemt de arme zondaar in bezit, maakt hem bekwaam om te geloven, en doet hem geloven, door in habitus en actus het geloof te werken; en hierdoor wordt deze mystieke vereniging die door de inkomst des Geestes was begonnen, door de geloofsvereniging met Christus voltooid.”
Witsius, Vier Boecken, III, 8, 31 (blz. 371): “Maar opdat de grondslag van deze toerekening klaarder blijke, zo moet men aanmerken dat Christus niet alleen voor de uitverkorenen volgens de eeuwige Raad des Vaders al deze dingen als Borg beloofd heeft, en volgens de borgbelofte vervuld heeft, maar dat ook de uitverkorenen voor en aleer dat hun de rechtvaardigheid van Christus tot rechtvaardigmaking des levens wordt toegerekend, zo nauw met Hem door het geloof verenigd worden, dat zij één lichaam zijn (1 Kor. 6:17) en niet alleen verenigd met Hem maar ook ÉÉN; [...] Maar uit kracht van deze vereniging of eenheid welke de uitverkorenen met Christus hebben, worden zij gerekend zelf in Christus gedaan en geleden te hebben datgene dat Christus gedaan en geleden heeft voor hen”.
(en delend in de toegerekende Gerechtigheid van Christus toch vlgs. Ds. A. Moerkerken nog immer onder de toorn en vloek liggen! Juist van Gods kant komt toch die zgn.2e betalingseis)?
Witsius, Vier Boecken III, VIII, 59 (blz. 385-386): “Hoewel de uitverkoren zondaar door Christus vrijgekocht is […] nochtans wordt dat recht dat door Christus is verworven, aan hem niet toegepast totdat hij wedergeboren en door het geloof met Christus verenigd worde. […] Terstond nadat hij Christus door het geloof aangenomen heeft, zo verklaart God in de vierschaar des Hemels dat hij niet meer onder de toorn maar onder de genade is.”
Maccovius, Distinctiones, blz. 127: “Het geloof als daad rechtvaardigt, niet het geloof als habitus. Dit getuigt de Heilige Geest in Hand. 26. Door het geloof, zegt Hij, ontvangen wij de vergeving der zonden en een erfdeel onder de heiligen. Tegenwerping: maar het geloof verdwijnt in degene die slaapt. Antwoord: Dat moeten we ontkennen. Want het geloof is een morele act in de rechtvaardiging; en een morele act hoeft niet noodzakelijkerwijze altijd er te zijn, maar het is voldoende als deze daad er is geweest of er soms is.”
Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 259: “Is het genoeg, dat een mens heeft zo’n algemene kennis en wetenschap van al hetgeen de Heere in Zijn Woord heeft geopenbaard? Antw. Neen.
Wat wordt er dan nog meer vereist? Antw. Een particuliere toestemming en verzekering.
“Waarin is deze particuliere toestemming gelegen? Antw. Daarin dat ik niet alleen weet en geloof dat er een God is, maar dat Hij mijn God is; niet alleen weet en geloof dat de Heere Christus een Zaligmaker is, een Zaligmaker van anderen, of van al de Zijnen, maar mijn Zaligmaker
Costerus, De Geestelijke Mensch, Nijkerk, 1864, blz.138-140: “In het geloof komen drie dingen tesamen: A. Kennis [...]. B. Een gemene toestemming, waardoor hij die leer des Evangelies, die leert dat God de wereld zo lief heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het het eeuwige leven hebbe; en dat Hij in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, toestemt en voor waar houdt, ‘gelovende alles dat in de Wet en de profeten geschreven is’, zegt Paulus (Hand. 24:14). […] C. Een bijzondere toestemming, waardoor de verlegen zondaar die Evangelische waarheid voor zichzelf gelooft, en de Zaligmaker voor zichzelf aanneemt; [...] Zo dat de rechte aard en kracht van het geloof niet bestaat in die generale toestemming, maar in die bijzondere toepassing, waardoor de zondaar de Zaligmaker voor zichzelf mijnt, als de zijne aanneemt en in Hem rust”.
Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, Blz. 259: “Is deze particuliere toestemming en verzekering eigenlijk het instrument waardoor wij Christus aannemen en ons toepassen, en zo voor God gerechtvaardigd worden? Antw. Ja.”
Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, Blz. 255-256: “Hoeveel leden heeft het zaligmakende geloof? Antw. Twee.
Welk zijn die twee leden? Antw. 1. Een generale toestemming, waardoor men toestemt en voor waarachtig houdt, al hetgeen God in Zijn Woord heeft geopenbaard, als bijvoorbeeld, dat er een God is, een Zaligmaker is, en dat die [Zaligmaker] Christus is, etc., hetwelk vooronderstelt en vooruitzendt, ja includeert en insluit een bepaalde kennis en wetenschap. 2. Een speciale, particuliere of bijzondere toestemming, dat is, dat ik niet alleen geloof, dat er een God, een Zaligmaker is, etc., maar dat God mijn God is, en Christus mijn Zaligmaker, aan mijzelf Christus applicerende en toepassende, met al Zijn verdiensten, zeggende: “Heere Jezus, Gij zijt mijn, Uw gerechtigheid, heiligheid etc., is mijn. Waaruit volgt dat heerlijk vertrouwen, namelijk is God mijn God, en Christus mijn Zaligmaker, zo mag ik volkomen gerust zijn: want al mijn zonden zijn mij dan vergeven en daarom zal ik gewis zalig worden”.
Polyander, Gomarus, Thysius, Walaeus, Lubbertus, in: Acta, blz. 852: “Het geloof der tijd-Christenen is noch het ware geloof, alzo eigenlijk genoemd, noch het gehele, noch het rechtvaardigmakende geloof; maar zodanig is alleen het geloof der uitverkorenen, hetwelk wij zeggen van hetzelve [tijdgeloof] in verscheidenheid van wezen te verschillen [...] omdat het geloof der uitverkorenen begaafd is met een vrijmoedigheid, en met een vast vertrouwen (hetwelk somtijds ook genoemd wordt een verzekerdheid), dat is, met een zekere en gans vol vertrouwen, hetwelk de algmenen beloften Gods zichzelf inwendig in het bijzonder is toeëigenende, hetwelk het geloof der tijd-Christenen niet heeft”.
Daarom is wat de Boezemsingel t.a.v.deze zeer cruciale zaken leert: ZEERschadelijk,bedroevend en frustrerendvoor hetware Sion en tot smaad van Christus! Want uit deze eeuwigheidsmisslag betr. het meestcrusialepunt: de rechtvaardiging (dit betreft toch immers géén accéntverschillen maar wezensverschillen) blijkt dat er met deHeilsordelijke leer nog méér aan de hand is; namelijkdat het Gods Woord, door de duivelse belofteontneming aan onbekeerden, krachteloos wordt! Immers neem de Beloften weg uit Gods Woord en ge neemt heel de kracht van de Bijbel weg, omdat voor het woordBijbel ook Gods Belofte mag staan! En was er voor een arme verloren zondaar geen Belofte: zijn/haar verlorenheid was definitief!
Uw verantwoordelijkheid:
U bent nu bekend c.q. door dit stuk verder te lezen wordt u bekend met het feit dat ds. A. Moerkerken zeer bewust zulke Goddeloze, onbijbelse zaken (Erskine) openlijk en met veel fanatisme reeds jarenlang, ondanks allerlei broederlijke terechtwijzingen en vermanende publicaties waarin werd gezegd dat dit volgens Gods Woord zo niet kán en mág, op Roomse wijze blijft proclameren, schrijven en indoctrineren aan studenten, en daarbij ook nog eens initieert en/ofvia, via bevordert dat iedereen die langs de reguliere kerkelijke weg tegen zulke dwalingen op wil komen of gebruik maakt van het grondwettelijk recht van persvrijheid en meningsuitingkerkelijk wordt gecensureerd.
Vanuit uw verantwoordingvraag ik u : is het dan niet zo langzamerhand tijd dat er op grond van art. 79 en 80 DKO maatregelen tegen hém worden genomen?
Denkt u daar eens ernstig over na voor Gods aangezicht, want .........door Godslastering, en zo noemt Erskine het, (verder) te tolereren maakt u zich volgens Gods normen: mede schuldig!
Als Kerkelijke "rechtspraak"door de "rechtsprekers" tot openbare belachelijkheidwordt gemaakt, een vermaak voor de pers, en een smaad voor Gods Kerk doordat men "rechtspreekt" zonder bij de "behandeling der zaak" inhoudelijk ergens op in te gaan, zonder zelfs inhoudelijk gehoord te hebben(dus van een vóóroordeel uit gaat) mag ds. Moerkerken niet boos zijn alsanderen , die ook kennisnemen van dit onrecht, worden genoodzaakt ookin de toekomstalternatieve zielsbevrijdende wegen te kiezen!
En...... via de e-mail heeft men, door gebruik te maken van ger. gezindte-netwerken en doorzending van geadresseerden aan vrienden en kennissen, zo maar vele, veleduizenden bereikt; dus........... is het beter, correcter en kerkrechtelijk juister om wél serieus op gegronde grieven in te gaan.
Want het ongebreideld dictatoriaal doorgaan met middeleeuws mondsnoeren en censureren van iedereen die met redenen omkleed iets tegen zeer ernstige leerdwalingen onderneemtzal een keer als een boemerang blijken te werken tegen
de dictators en bovendien: degene die werkelijkovertuigd is van het gelijk van zijn/haar zaak is daar allerminst bang voor, die heeft van tevoren "de kosten overrekend"!
Dus niet bang maar wel bedroefd! Maar dié droefheid kent ds. A. Moerkerken helaas totaal niet:want hij heeft wel eens geschreven over zijn verwonderende irritatiedat "zulke mensen" tegenwoordig maar blijven hangen in ons kerkverband.
Máár......... niet degenen die een Goddeloze leerbestrijden moetenuit ons kerkverband gaan en zich laten verjagen(!), maar diégene moet worden geschorst die apertestrijdigheden met het evangeliebeginsel (kwalificatie van Erskine) als dierbare waarheden brengt, anderen (laat) censureren en zichondertussen schuldig maakt aanheilsordelijke misleiding!
Heilsordelijke misleiding door ons kerkverband middels Goddeloze-leerverkrachting fusierijp en acceptabel te maken voorde uitgetredenen, door evenals hén: voor onbekeerden geen énkele belofte "voor te stellen", laat staan aanbiedenen de levendmaking uit de Wet (!) te laten vloeien, zodaterleerstellig (precies zoals bij Dr. C. Steenblok) pas ná de levendmaking/wedergeboorte sprake kán zijn van enige belofte/het evangelie!
Het is dan dus niet meer: dóden zullen horen, maar.......(in ieder geval inhoudelijk gezien):levenden (door de Wet!! ) zullen het evangelie horen!
De levendmaking door de Heilige Geest vanuit de Wet is echter in strijd met Gods Woord o.a. in Galaten 3:2,3,5,10,11,12,13,18,21b (leest u die s.v.p. eens na).
Of zijnde kwalificaties van o.a. Erskine, s(Goddeloos/Godslasterlijk) en ds. C. Harinck(ONBIJBELS) u nog niet ernstig genoeg? Vind u het allemaal slechts accentverschilletjes? Dan zult u hemel of hel ook wel slechts een accentsverschil vinden! Maar leest u dan toch s.v.p. even verder, want dan weet u tenminste welke drastische verschuivingen er sinds ds. G.H. Kersten hebben plaatgevonden, waaronder o.a. een onbewuste wedergeboorteleer!
Gelieve ook eens te lezen de preek van Erskine over Matth. 28: 12: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde!
Door ook deze preek te onderzoeken krijgt men een beter zicht op het onderstaande!
Het moge duidelijk zijn dat ik onder de Vierschaarsleer, welke hieronder door mij wordt bestreden, NIET versta de in de hier onderstaande scriptie omschreven Vierschaarsleer die samenvalt met de wedergeboorte.
Ik kan mij van harte vinden in hetgeen de “oudvaders” hierover hebben gezegd en zoals die juist zo kostelijk in onderstaande scriptie is verwoord.
Wat ik hartgrondig bestrijd, is een vierschaarleer die niet alleen temporeel niet samenvalt met de wedergeboorte maar die, nota bene, leert dat een door wedergeboorte in Christus, dat is:Zaligmaker ingelijfde bij de wedergeboorte niet definitief ontheven zou zijn van schuld en straf maar – als wel reeds kind van God zijnde - nog immer onder de vloek en de toorn van de wet zou liggen.
Hierdoor worden niet alleen de 3 Goddelijke personen leerstellig vanéén gescheiden zoals hierna zal blijken, maar worden ook de 3 ambten van Christus op een verkeerde wijze voorgesteld. Immers deze leer brengt mee dat men – levend in de huidige bedeling van het nieuwe testament – wel in Christus, dat is:Zaligmaker zou kunnen zijn t.a.v. Zijn Profetische bediening, maar dat men nog geen kennis zou hebben aan en totaal, totaal bevindelijk (dus inhoudelijk) blind zijn voor Zijn Priesterlijk ambt!
Op dié wijze zou echter ook de orthodoxe Jood, vanuit alleen het oude testament, op grond van alléén het Profetische ambt van Christus zalig kunnen worden buitenom de Grote, Eeuwige en Enige Hogepriester Jezus Christus en diens volbrachte, aan de ziel door het Geloof toegepaste, Priesterlijk Werk!
Het “deksel op hun aangezicht” (t.a.v. de kennis van Jezus Christus)zou op die wijze geen bezwaar zijn om toch zalig te worden!
Die mogelijkheid van zalig worden van zo’n Jood op die gronden wordt gelukkig echter leerstellig nog wel ontkend in de Gereformeerde Gemeente, maar…………. eigenlijk (bevindelijk) leert men dit wel terdege! Namelijk: ……..het Priesterlijke ambt van Christus zou in wedergeborenen die reeds wel in Zijn Profetisch ambt begrepen zijn, pas als extra en als nadere weldaad vanuit het welwezen des Geloofs, voor slechts enkele witte raven, toegepast worden in het dodelijk tijdsgewricht van de beleving der ziel wanneer zij wordt afgesneden van eigen leven in de extra rechtvaardigmaking in de Labadistische vierschaar met zijn Resignatio ad Infernum!
Voor de meeste “kinderen van God”, die deze “extra en nadere weldaad”, als witte raaf, niet te beurt valt is dus het Priesterlijk ambt van Christus NIET aan zijn/haar ziel toegepast en staat hij/zij derhalve nog voor de “grote zaak”. Maar………… - zo wordt immers in de Ger. Gem. geleerd - hij/zij wordt per saldo toch zalig vanuit een wedergeboorte met uitsluitend kennis van het Profetisch ambt van Christus, of zelfs geheel zonder de kennis van Christus; als bekommerde/uitziende!
Men wordt dan als een wedergeboren godlover (dat is de betekenis van Jood) krachtens de besnijdenis des harten (wedergeboorte) een Jood………. die buitenom de kennis van Christus, dat is: Zaligmaker zalig kan worden!
Wat is nu de diepste reden dat zoveel mensen in de Ger. Gem. psychologisch en geestelijk zeer ernstig met de leer in de knoei komen?
Ten diepste dit:
Formeel, voorwerpelijk/leerstellig leert men wel een nieuwtestamentische rechtvaardigingsleer vanuit het volbrachte priesterlijke werk van Christus.
Een mens kan alleen uit louter genade om des bloeds van Christus wil zalig worden om niet. Tot zover loopt alles ogenschijnlijk in de pas met de Reformatie.
Je zou ogenschijnlijk immers zeggen: een nieuw-testamentische leer van de Verbondsbediening door God de Heilge Geest. (zoals u weet leert de God de Heilige Geest 4 Verbondsbedieningen namelijk van Adam tot Abraham de particuliere Verbondsbediening door God de Heilge Geest, van Abraham tot Mozes de patriarchale Verbondsbediening door God de Heilge Geest, van Mozes tot Christus de Nationale Verbondsbediening door God de Heilge Geest en na Christus de nieuwtestamentische Verbondsbediening door God de Heilge Geest.
In de voortschrijding van de tijd heeft God de Heilige Geest als instrument een steeds verdergaande en een steeds helderder wordende Verbondsbediening gebruikt, waarbij steeds, wanneer er een nieuw tijdperk – van particulier naar patriarchaal, naar nationaal, naar uiteindelijk nieuwtestamentisch – aanbrak, de oudere Verbondsbediening en haar Zaligmakende Kracht kwam te vervallen (zie de Bijbel hierover in de Hebreeënbrief en ook Witsius en Luther hieronder).
Dit betekent dat: konden de oud-testamentische vaderen zalig worden door een profetisch gelovend gezicht op de komende Messias, nú, in de nieuwtestamentische Verbondsbediening door God de Heilige Geest, nú dat de vervulling reeds hééft plaatsgevonden kan dat niet meer omdat dié Adventperiode in dié Adventvorm is afgesloten!
Dáárom verwerpen wij, als het goed is, de zogenaamde moderne twee-wegenleer: namelijk Eén noodzakelijke Weg voor de Christen namelijk Jezus Christus als De Weg, en….. daarnaast ook – in een uitziende weg naar de Messias - een andere weg voor de Jood, want er is maar Eén naam gegeven onder de Hemel door welken wij moeten zalig worden!
Ik zeg met nadruk: ogenschijnlijk lijkt alles in de pas te lopen met de Reformatie! Want…… wanneer men op zeer schrome en tere wijze probeert te stamelen dat je, je doodschuldigheid, alles bedorvenheid en verlorenheid inlevende, het leven in eigen hand niet meer kon houden (dus de schuld voorop), maar….. nochtans desniettegenstaande vanuit de Beloften uit het Woord vervrijmoedigd mocht worden om de toevlucht te nemen tot die Beloften (op een wijze zoals de Bijbel, Calvijn en ook alle oudvaders de toeeigening leren), dan begint de grote trammelant!
In “liefde” wordt dan aanvankelijk gezegd dat God zó niet werkt! God vindt een schuldige zondaar niet omhangen met Beloften wordt er dan gezegd!
De bevindelijke “adventsgangen” in een gewrongen en onbijbelse Heilsorde met een oud-testamentische Adventsverwachting echter zelfs ontdaan van iedere aanmoediging tot Christus worden hem/haar dan voorgehouden.
Met de “wens” of de Heere zich op die wijze ook nog maar eens in je ziel mocht openbaren, want dat we ons anders voor eeuwig bedriegen!
Want het klaarste bewijs dat je je tot op heden bedriegt, is wel het feit dat je nu al over Beloften en over Jezus spreekt! Immers Jezus is toch de meest verborgen persoon die ooit bestaan heeft?
Het begint toch niet met Jezus?
We zullen er eerst eens buitenzet moeten worden willen we er ooit door genade eens ingezet worden! We zullen eerst eens een verloren zondaar moeten worden!
De geestelijke keurmeesters kunnen echter die vernederende “gangen” helaas uit hetgeen je verklaart nog niet opluisteren en dringen aan op diep zelfonderzoek zoals de Schrift ook zegt: onderzoekt uwzelven nauw, ja zééééér nauw! Het gaat immers op een eeuwigheid aan en je hebt maar 1 ziel te verliezen.
Vaak wordt nog het advies gegeven: lees maar eens grondig de bevindelijk-schriftuurlijke gangen die ds. A. Moerkerken heeft geschreven.
Een knappe man of vrouw die na zo.n hartgrondige afkeuring nog iets durft te zeggen.
En…….. voor de Beloften en voor Jezus moet eerst plaats voor worden gemaakt in de weg van bekering! Jezus kan toch niet in een beestenstal komen!
God verspilt zijn genade toch niet?
We zullen eerst (dus voorwaardelijk voorafgaand) in een vernederingsweg en vanuit ons leven moeten bewijzen dat we aller zonde vijand zijn, zo wordt gezegd!
Niet alleen intentionaliter, maar daadwerkelijk!
Zij, deze geestelijke keurmeesters, hebben namelijk Erskine nog nooit begrepen over: de kracht der zonde is de Wet; zij lezen immers veel liever syllogistische lectuur waarbij men van hun gemis hun bezit weet te maken en waarbij ze in hun gemis worden aangesproken met: Volk).
Dit doet mij tevens veel denken aan hetgeen Dr. Van der Sluijs in zijn laatste boek schrijft: het is in de ger. Gezindte veelal de rechtvaardiging van de vrome mens geworden in plaats van de goddeloze!
Wanneer men echter door Gods Geest op grond van de Schrift, de drie formulieren van enigheid, de belijdenis van de Reformatie al wat standvastiger is mogen worden en men volhard openlijk én ten opzichte van anderen in hetgeen in Galaten 2, 3: 5, 10, 11, 12, 13, 18, 21b (leest u die s.v.p. eens na) is geschreven door God de Heilige Geest (!), dan is de kans op stille censuur bepaald niet denkbeeldig!
Durft men echter zelfs iets daarover aan het papier toe te vertrouwen, dan………., of men nu ds. R. Kok heet of Prof. Dr. Ir. Blauwendraad of Dr. K. van der Zwaag , dan moet Barbertje bij voorbaat hangen! Ongeacht de inhoud van het geschrevene, want de geestelijk keurmeesters hebben niet eens van node daar ook maar enigszins kennis van te nemen want zij missen bij de in hun ogen brutale opstelling van betrokkene: oetmoed, oetmoed, oetmoed. Ook het hartelijk buigen wordt zo gemist!
Principevraag:
Kunt u, lezer, mij nu aangeven wat het wezenlijke en practicale verschil is tussen de Orthodoxe Jood die alléén het oude testament heeft en dus buitenom Jezus Christus denkt zalig te kunnen worden vanuit de Wet en een profetisch gezicht op de komende Messias, en de gereformeerde gemeentemens die formeel wel het nieuwe testament heeft maar tegen wie materieel en leerstellig wordt gezegd dat Jezus Christus de meest verborgen persoon is en dat we naar Zijn inwendige komst in het hart (dus niet vanuit het vertrouwend geloven vanuit Het WOORD op de Gekomene en Zijn Volbrachte Hogepriesterlijke Werk) moeten uitzien?
De Jood is dan nog beter af, want hij gelooft dat hij nog steeds op profetische wijze, op het profetische ambt van de komende Christus/Messias kan zalig worden!
Maar de Ger. Gem.-mens zit met een geweldig geestelijk en psychologisch probleem.
Hij/zij leeft in 2 werelden! Omdat hij/zij af en toe, al dan niet door de Geest gewerkt, in de Schrift en de drie formulieren en enigheid en de oudvaders wel eens iets mag zien gloren van de Christus wat zijn/haar ziel gaande maakt, maar………… waarvan hem/haar steeds wordt ingehamerd: pas op hoor(!) dat je niets steelt(!), want bij de dood moet je alles wat je steelt weer teruggeven!
Dat is hét grote dilemma!
Enerzijds: in het nieuwe testament te lezen dat het voorhangsel gescheurd is en de toegang tot God door Christus voor heidenen, goddelozen vrij is en dat er nu een nieuwtestamentische Verbondsbediening door God de Heilge Geest is en………… anderzijds: steeds met “ernst”en “liefde” en met tranen bewogen te moeten horen:
“Zolang je de Christus nog niet geschonken is in je hart, dan niets aannemen!
Och, Volk ik bid het u, ga toch niet de zelfverlossingsweg op door zomaar Beloften te omhelzen die je niet in een eerlijke weg eerst in je hart geschonken zijn, de hel ligt immers al bezaaid met al die verbondskinderen die roemden en prezen in zomaar gegrepen Beloften en wat is het toch slecht met hen uitgekomen, ik heb u daar niet voor over; blijf maar liggen Volk aan die poort, want zelfs bij het naderen van de dood zal Hij volkomen uitkomst geven. Houdt maar moed”!
Hoort u het zoet gefluit van de vogelaar voor deze hongerigen en dorstigen?
Rust geven waar God niet rust(!) (namelijk alleen in het offer (als Priester) van Zijn Zoon), de schenking in het Woord en het Goddelijk bevel om daarop te vertrouwen ontkrachtend door naar het innerlijk van jezelf te verwijzen en in misleiderswoorden zeggen: afwachten (met zo’n afwachtende poortwachter begon ook Dr. K. van der Zwaag immers zijn inleiding), blijf maar liggen voor die poort, het komt op het einde wel goed, ja volkomen uitkomst. Gods Woord zegt echter niet: later, of blijf maar (afwachtend) liggen, maar zegt: HEDEN zo gij Mijn stem hoort.
Men maakt van het synoniem van het Geloof (dat is immers Vertrouwen door de Kracht van God de Heilige Geest Zelf gewerkt) en ook van de Autoriteit van Gods Evangeliebeloften waarop dit Geloof zich grond een nieuw en eigen synoniem (het theologisch eigene van de Ger. Gem.?) ; namelijk:
Zomaar!
Zomaar de Beloften aangenomen, zomaar zondaar geworden voor God, zomaar een zicht op Jezus, zomaar aangaan aan het Avondmaal enz. enz. U zegt misschien: maar nu zeg je het zelf dat het hongerigen en dorstigen zijn en spreekt Jezus deze Zelf niet zalig? Nee! Want in de Ger. Gem. zijn het hongerigen en dorstigen nog buiten de kennis van Christus.
· Hongeren en dorsten zonder kennis van Christus zijn voorafgaande daden, geen geloofsdaden. De eigenlijke geloofsdaad wordt namelijk niet met hongeren en dorsten, maar met eten en drinken aangeduid (Joh. 6:51-54).
· Hongeren en dorsten naar Christus als geloofsdaden vloeien voort uit het verlangen opnieuw verzadigd te worden (Ps. 63:2-3).
In de huidige ger. gem. prediking wordt steeds weer terugverwezen naar een het Geloof voorafgaande bekeringseis volgens het Dr. Steenblokmodel en een oud-testamentische Adventverwachting met de leerstellig ingepompte angst voor een (wellicht stelend) zicht op Christus! En stelen doe je altijd als er eerst in je hart geen plaats gemaakt is voor Hem. En dat plaats maken doet de Heilige Geest nu door de Wet in een eerlijke weg in een totale, totale ontgronding die zover moet komen, mijne geliefden, wordt er dan gezegd, nee wij willen geen trap, maat of diepte stellen want daar is God geheel vrij in, maar (in één adem) dat de mens zijn eigen doemvonnis vrijwillig ondertekent en uitroept: Uw vonnis is gans rechtvaardig.
En – zegt de duivel – je weet wel dat je op die plaats nog lang niet bent!
Jij werkt zelf nog op behoud aan en - wil het wél en echt zijn- dan werkt God juist op verlies aan! Je moet niet over Jezus denken en praten zolang je niet genoeg vernederd bent en je een geschikt en voor Hem plaatsgemaakt voorwerp bent!
Want: God wil alleen vrijwilligers en zolang je dat niet bent, zolang je niet hartelijk de zonde en de wereld een scheidbrief hebt gegeven dan ken je nog niets van dat plaatsmakende werk! Je mag wel eens dieper graven in jezelf, bedrieg je toch niet!!
Of – zegt de duivel – ik weet het nog veel beter: om af te komen van die verschrikkelijke verleiding om toch buitenom rechtsgronden de zaligheid te willen binnenglippen en zomaar allerlei Beloften aan te nemen, die je niet eerst geschonken zijn en zomaar je vertrouwen op de Heere Jezus te stellen, zonder dat je nu eens echt, echt zondaar geworden bent en plat voor de Heere neergevallen bent, dan moet je eerst zorgen dat je met al je vromigheid eens een echte zondaar wordt. Je moet de zonde maar eens hartelijk indrinken en je als een beest uitleven, ja zo erg dat je als het ware door je overmatige zonde als vanzelf aan Jezus voeten geslagen wordt.
Dan kun je in der waarheid en echtheid tot God over je zonde schreien en loop je in ieder geval niet het risico dat je wat gemoedelijkheid en een traantje houdt voor waarachtig berouw en denkt dat het in een opgaande weg wel in orde komt.
Hier zien wij zoals Erskine zo breed uit de doeken doet: de kracht der zonde, dat is de Wet! De duivel is het echt om het even of hij de Wet of het evangelie, welke van zijn kracht beroofd is, moet gebruiken om een mens naar de afgrond te trekken.
Als Jezus als Redder er maar buiten blijft! De duivel geeft er niet om al lezen we desnoods dag en nacht in de beste GBS-bijbel, zolang je de ingepompte “waarheid” maar blijft vasthouden: de Beloften: NIET VOOR JOU! Wel de kaft, maar…….: niet de inhoud!
Ho, ho wordt er dan gezegd: denk erom in de jaren tachtig hebben we op deze moeilijkheid wat gevonden als Ger.Gem.: er zijn voor de onbekeerden weliswaar geen enkele verbondsbeloftes, maar er zijn wel voorwaardelijke evangeliebeloften. Mijn korte vraag: Zijn deze door de Ger.Gem. “uitgevonden” “voorwaardelijke evangeliebeloften” alle BLOEDLOZE BELOFTEN; dus losstaand van Christus bloed? Erskine leerde: alle beloften zijn doordrengt van Christus bloed, en worden ons allen (in de schenking in het Woord) obligatoir aangeboden. Door geloofsaanname worden de obligatoire beloften gericht aan en tot allen, alleen de aannemers (een verdacht woord in de Ger. Gem. maar wél Bijbels) tot een recht van bezit!
Hier zit het zwakke scharnier! De huidige ger.gem. kent in de levendmaking/wedergeboorte géén geloofsaanname door de Beloften te geloven! Dit is het vreselijke gevolg van het temporeel scheiden van de Habitus en Actus! Men weet vanwege die temporele scheiding het geloven ook geen plaats te geven! De Bijbelse woorden: “aannemen” en “geloven” zijn uitermate zéér verdachte woorden die in ger. gem. –optiek zonder pardon gelijk staan met doortrapt Remonstrantisme.
Intussen slinger je maar heen en weer: enerzijds hoor of lees je Christus liefdevolle stem: mijn zoon, mijn dochter geeft Mij uw hart, O alle gij einden der aarde wendt u naar Mij toe en wordt behouden, hoe lang weegt gijlieden geld uit voor hetgeen niet verzadigen kan enz. enz. en anderzijds die leer, o die vreselijke leer:
a. Christus moet eerst in je hart geschonken worden; het Woord is slechts een historisch geloof een gesloten boek voor ons verduisterd verstand; wie zal ten hemel opklimmen?
b. Beloften zijn alleen voor de uitverkorenen, niet voor jou;
c. Voor het evangelie en evangeliebeloften moet eerst (door de Heilige Geest vanuit de Wet) plaats worden gemaakt in de weg van zeer, zeer diepe zielsvernedering; hoe diep weet niemand;
d. De uitverkorenen hebben immers van ganser harte, ook qua begeerten, met de zonden gebroken en zolang je dat niet kunt gelden de Beloften jou zeker niet
Je loopt geestelijk en psychisch helemaal muurvast, maar dat moet ook, wordt er gezegd. Mocht u maar eens helemaal totaal vastlopen en in de put komen, want dan, en dan alleen komt pas die echte harteschreeuw: geef mij Jezus of ik sterf, buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf. De noodzakelijke doordringendheid van deze harteschreeuw wordt bijna zo voorgesteld alsof God dáárdoor bewogen moet worden; in plaats van dat geleerd wordt dat God in-Zich-Zelf bewogen is geweest.
Maar……… je ervaart het zoals ds. G.H. Kersten aan het eind van zondag 2 stelt: in de kennis der ellende ligt noch grond, noch hoop! Je voelt wel (als het nu toch over zomaar gaat) dat je op grond van zomaar alleen ellendekennis niet zomaar syllogistisch mag concluderen dat er wel een “beginsel” in je ligt! Maar ja dat zei ds. G.H. Kersten en die leeft al lang niet meer en de huidige leider ds. A. Moerkerken vindt de beleefde ellendekennis het zuiverste bewijs van genade(!). Voelt u welk een grensverlegging er op alle fronten heeft plaatsgevonden binnen de gereformeerde gemeenten? Nee, wordt er gezegd, het behoeft als grond niet langs de rand van de hel te gaan, maar het zal – als het goed ligt – zo wel gaan in eigen waarneming. Eerst een hellevaart alvorens ooit een hemelvaart.
De enige “ademtocht” die men dan op eigen verantwoording op syllogistische wijze uit deze “troost” meent te trekken is dat je in al je gemis toch maar door de dominee, de dienaar van de Heere Zelf, als Volk wordt betiteld en dan maar in alle ootmoed verder biddend afwachten wat de Heere nog eens zal doen.
Daarbij geheel voorbijgaand wat Hij op Golgotha reeds gedaan heeft!
Maar….. dat heeft Hij immers alleen gedaan ten behoeve van Zijn Volk; en dat ben je niet, want je bent nog niet (voorafgaand vereist) bekeerd en op de juiste plek (je doemvonnis ondertekenend) terechtgekomen; dus zal Jezus alleen maar je oordeel verzwaren!
Maar nu de onderwerpelijke, de bevindelijke kant: inhoudelijk wordt het kerkvolk in de onderwerpelijke/bevindelijke “gangen” teruggeworpen op een oud-testamentische/oud-Joodse adventverwachting die zelfs qua gebruikname geheel ontdaan is van de kennis van Christus!
Hooguit een Profetisch gezicht op de nog in de –uitziende- ziel te openbaren Christus, waarbij – zo wordt er dan gezegd door ds. A. Moerkerken – de weg van de Borg ook de weg van de Kerk wordt. En dat is geen brede snelweg maar een kruip- en bedelweg.
Immers - zo wordt er gezegd- er is geen verborgener persoon dan Christus en men laat dit vooral slaan op het Priesterlijke ambt van Christus!
Het moet dus alles ordelijk-bevindelijk in de ziel worden ingeleefd: Advent, Kerstmis, goede vrijdag, Pasen (daar wordt Christus priesterlijk werk pas toegepast), Hemelvaart, Pinksteren.
En bij iedere nieuwe weldaad gaat men eerst weer steeds opnieuw geestelijk de dood in.
Hoewel ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek nog vlamde tegen een onbewuste wedergeboorte, momenteel wordt deze openlijk door ds. A. Moerkerken beschreven en gedoceerd! Leerde ds. G.H. Kersten nog voluit dat niet alleen de Actus maar ook de Habitus van het geloof instrumenteel tot stand komt, namelijk door het horen van het evangelie! ds. A. Moerkerken leert echter: zaligmakende overtuigingen uit de Wet (dus de Wet, door de Heilige Geest gebruikt, maakt zalig) zulks in lijnrechte tegenspraak met wat de Bijbel schrijft in o.a.: Galaten 2, 3: 5, 10, 11, 12, 13, 18, 21b (leest u die s.v.p. eens na). Ook Calvijn in zijn institutie verfoeit dit!
Ook leert de huidige ger.gem. in haar systeem dat het geloof zich als eerste richt op het profetische ambt van Christus. Dit past namelijk beter in het oud-Joodse, half Roomse-systeem van Heilsordelijke Heilsfeitenherhaling in de ziel.
Witsius, Grondstukken van het Algemene Christelijke Geloof, blz. 12-13: “Men moet ook de tijden onderscheiden. En daar is geen twijfel aan of nu het Evangelie der vervulling verkondigd is, zijn meerdere dingen nodig te weten ter zaligheid en is ook een meer ontvouwen kennis vereist dan onder de huishouding van het Oude Testament. Want het is billijk en betamelijk dat na de mate der openbaring ook de wetenschap en de noodzakelijkheid der kennis vermeerder zou worden. Onder de huishouding van het Oude Testament, ja, als Christus op aarde verkeerde, kon iemand een waar gelovige en in de staat der genade zijn, die onkundig was van Christus’ lijden, dood en opstanding, ja, die als Christus die dingen verkondigde, Hem tegensprak, zoals blijkt in het voorbeeld van Petrus (Matth. 16:21-22). En die in Christus wel in het algemeen gelovende, echter niet wist dat Jezus de Christus was, gelijk openbaar is uit de historie van Cornelius de Hoofdman (hand. 10L2, 4). Echter, zo ik meen, zoude niemand heden zo iemand voor waar gelovige erkennen, die deze dingen van de Heere Jezus niet zou weten: nog minder indien hij deze als ze Hem zouden worden verklaard, zou tegenspreken. Wel heeft Thomas Aquinas gezegd: “De geloofsartikelen zijn bij gevolg van tijd aangewassen, niet wel zoveel het geloof aangaat, als wel wat aangaat de ontvouwen en uitgedrukte belijdenis; want die dingen welke van de nakomelingen uitdrukkelijk en onder meerder getal gelooft zijn, alle diezelfde zijn van de voorgaande oude Vaderen impliciet en onder minder getal geloofd.”
Luther schrijft in zijn commentaar op de brief aan de Galaten o.a.: men moet goed onderscheid maken tussen een nog komende Christus (in het oude testament) en tussen een gekomen Christus die alles heeft volbracht. Hij zegt: wie nu nog gelooft in een nog komende Christus (oftewel in een uitziende weg in een soort inwendige Heilsordelijke-Heilsfeitenherhaling naar Christus) die gelooft in een totaal andere God!
Doordat ds. A. Moerkerken de zogenaamde “standenleer” op noemer/formule heeft gebracht en er in bijna in iedere preek op de onderstaande vierschaarsleer wordt aangewerkt is dit dus het kernpunt in deze “standenleer.
Wat zogenaamd bedoeld zou zijn om de “kleintjes in de genade” ook erbij te betrekken is ontaard in het met stokken slaan, buiten-separeren en door de onbijbelse prediking in de wanhoop brengen en leidt uiteindelijk tot complete Godslastering!
Wanneer ik hieronder dus spreek over de vierschaarsleer dan bedoel ik steeds dié onbijbelse uitwas die zegt dat iemand een kind van God kan zijn, in Christus begrepen kan zijn, van het wettische verbond te zijn overgegaan naar het Genadeverbond maar………..toch nog niet vrijgesproken zou zijn van schuld en straf en bovendien: …nog altijd liggend onder de vloek en de toorn van de wet!
Het bedrieglijke van de voorvechters van deze onbijbelse leer is dat wanneer men hen wat in het nauw gaat brengen door hen op het vreemde en onbijbelse van die voor Gods kind openstaande-schuldleer te wijzen, dat zij zich terugtrekken op de formele leerregels van de toegerekende gerechtigheid van Christus; die zij echter inhoudelijk/bevindelijk juist allesoverheersend en censurerend bestrijden!
Zij zeggen dan prompt als uitvlucht: “ja maar die rechtvaardiging is er wél van Gods-kant bezien, maar niet van ‘s mensen kant bezien”.
Men zegt eigenlijk: kijk van Gods-kant ligt die zondaar vanaf de wedergeboorte/levendmaking voor tijd en eeuwigheid voor rekening van Christus en ziet de Vader op grond van het inzijn in Christus geen overtreding meer in die mens, maar………….. nu moet die mens geoefend worden in een nadere weg van sterven en daartoe is deze nadere oefening, deze gerichtsafhandeling nodig.
U moet er eigenlijk dan gelijk bovenop vragen: als het dan van Gods-kant bezien “vlak en reeds gerechtvaardigd ligt”, waarom is er dan, juist van Gods zijde uit, nog sprake van een zgn. open en een nog niet vergeven schuld? Waarom dan alsnog rechtvaardiging in deze vierschaar? Waarom dan een door God als Rechter (dus van Gods-kant) uitgesproken doemvonnis? Vergeven is dan toch immers werkelijk vergeven? Het opeisen van de zgn. openstaande schuld gaat dan toch JUIST van Gods kant uit?
Wanneer de “nadere oefeningen” vanuit de embryonale leer van Comrie een bewustwording zou zijn (Kuyper die zich eveneens op Comrie beriep) van wat men reeds in Christus heeft en zoals ds. A. Moerkerken met eveneens een (zeer selectief) beroep op Comrie zegt: een klein kind heeft wel alles in zich en is volledig kind, is een volledig erfgenaam en een heer van alles, maar………..is onder voogden geplaatst, dan zou zo’n “nadere oefening” eigenlijk juist moeten slaan op een opwas in de genade en NIET op een doemvonnis! Immers wanneer het slechts om een (verdere) bewustwording/nadere oefeningen van het kindschap zou gaan dan valt dit kind, als kind zijnde, van Gods kant toch niet nog volop onder de toorn en de vloek? Waar kunnen wij dat in de Bijbel lezen? Komt dit kind Gods voor wie de vloek door en in Christus is weggenomen toch niet onder een door God de Rechter (dus van Gods kant) uitgesproken doemvonnis!
Als hypothese de juistheid dezer ervaring echter voorstellende, dan is mijn vraag: roept die zondaar zichzelf voor dit gericht? Brengt die zondaar zichzelf in een “hogere en nadere oefening”? Gaat dat van die zondaar uit? Roept die zondaar als het ware tegen God: komt laat ons tezamen richten? Nee toch!
Maar……… als het dan wél God-de Rechter zou zijn die Zelf de Vierschaarsgerichtsoproep naar die zondaar doet uitgaan, als het dan wel God-de Rechter is, Die de kwitering van Christus en in Hem de vergeving van al de Zijnen NEGEERT, kan men dan nóg volhouden dat deze leer niet meebrengt dat het nog immer onder de vloek en toorn vallen van Gods kind (ondanks het inzijn in Christus) JUIST van Gods-kant is?
Wat is het in deze kruispuntenleer met als hoofdkruispunt de “ rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie” vreemd aandoend voor een heilzoekende ziel als je geregeld moet aanhoren dat het Leven NIET met Jezus begint, terwijl je in de Dordtse Leerregels zo duidelijk leest: gelijk het God beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking van het Evangelie in ons te beginnen, DL 5,14.
Let u vooral op het woord: beginnen!
Waar komt dan de veel onder ons haast ingeburgerd gehoorde uitdrukking vandaan: hét (en met hét bedoelt men dan hét leven) begint niet met Jezus hoor, als er in bijna dezelfde zin door dezelfde persoon wordt gezegd: buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf?
Het ware levendmakende geloof (vertrouwen) werkt de Heilige Geest in het hart door het Evangelie, antw. 21 HC en niet per gratia infusa (onmiddellijke en onbewuste instorting) want dat is een Roomse vinding!
Het komt van de Heilige Geest, Die het in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie, antw. 65 HC. Deze samenhang wordt ook beleden in de voortgang van het werk van de Geest. De verzekerdheid van de verkiezing spruit uit het geloof aan de Beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft, DL 5,10.
Daarom moet de Belofte alle volken en mensen verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof, DL 2,5.
Dus een predikant spreekt onbijbelse taal wanneer hij de Hemelse Advocaat, aan wie door God de Vader alle macht gegeven is – dus ook, zegt Erskine, de macht om gericht te houden, de macht om vrij te spreken en de macht om zonden te vergeven – toch prakticaal een lagere plaats toebedeelt dan de Vader! Evenals wanneer hij degenen die door wedergeboorte in het genadeverbond zijn ingegaan toch – zo lang zij op de “verdere weg” de vrijspraak in de vierschaar nog niet hebben ontvangen – alsnog laat vallen onder de vloek en de toorn der wet. Terwijl wedergeboorte/het in Christus zijn toch zeer zeker inhoudt dat wij juist van de vloek en de toorn der wet/het oude verbond zijn verlost en door wederbarende genade zijn overgegaan naar het genadeverbond.
Onbijbelse krachttaal, want als je deze niet in Gods woord voorkomende en nimmer tot jaloersheid strekkende ervaring in twijfel trekt wordt er al gauw gezegd: "heeft er jammer genoeg geen kennis aan zoals je merkt, het zit een voet te hoog, alleen beschouwing, totaal verhard, zit dicht tegen de zonde tegen de Heilige Geest, want hij noemt het werk des Geestes duivelswerk", hij zit er dus helaas helemaal naast!
Men moet echter banger zijn voor de bedreigingen staande in het slot van Openbaringen 22 (wie iets toevoegt) dan voor dit soort kringbeschermende bedreigingen.
Vooral als je ziet wat deze leer uitwerkt, die zogenaamd bedoeld zou zijn om de “kleinen in de Genade” niet te kort te doen: schrikkelijke verwarring!
Onbijbels en de Drie-eenheidsleer uit elkaar scheurend is de uitdrukking van een van de voormannen onzer kring (Ds. A. Moerkerken in de Saambinder en nu ook in zijn catechismusverklaring: "het is in dit gericht in de ziel van de zondaar net zo als bij een gewone Rechtbank: de advocaat mag pleiten wat hij wil; de vrijspraak geschiedt door de Rechter".
Ik wijs u er in dit verband op wat Erskine in zijn preek over: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien zegt, namelijk: dat reeds de Farizeeën tegen Jezus zeiden: wie kan de zonden vergeven dan alleen God? Wat verschilt dit gezegde van die Farizeeën van hetgeen ds. A. Moerkerken zegt?
Erskine merkt dan terecht op dat het hier een rechtstreekse loochening was van de Godheid van Christus! Waarvan akte!
Wie echter God de Vader niet ziet in Christus, die heeft ook nog nooit Christus met geloofsogen gezien! Ieder verlangen om God directer te kennen dan in Christus is ongeloof en zonde! Al de Godheid woont lichamelijk in Christus.
Hier vindt dus een diskwalificatie plaats van de Hemelse Advocaat, te weten: NIET GELIJK aan Zijn Vader.
Verhoogd aan ,s-Vaders rechterhand maar hier in deze zogenaamde daadwerkelijke gerichtshandeling weer in een knechtelijke, ondergeschikte positie!
Van dit daadwerkelijke zegt Ds. C. Harinck in een interview in het RD d.d. 8 september 1999 op pagina 2: Ds. Harinck constateerde echter in de gezelschappen het ontstaan van een werkelijke (daadwerkelijke) vierschaarbeleving waarin visionair de partijen van rechter, aanklager enzovoorts gezien en gehoord werden. Wat een beeld en een illustratie was of uitgestrekt werd over de gehele bekeringsgang, werd nu samengeperst in één bijzondere vierschaarervaring. Ds. Harinck wees deze gedachte af als ONBIJBELS!
Alleen het geloof, als het vluchten van een boetvaardig zondaar tot de barmhartigheid Gods (Owen), maakt rechtvaardig voor God, aldus Ds. C. Harinck. De rechtvaardiging voor God door het geloof in Christus is een zegen die niet slechts aan enkelen behoort, maar aan iedere waar gelovige. Niet de kracht en de mate van ons Geloof, maar Christus aan Wie het geloof zich vastklemt, is bepalend voor ons behoud.
Ik verzoek de lezer echter om te lezen in het boek van Ambrosius: Het zien op Jezus, het vierde boek, vijfde deel hoofdstuk I paragraaf 6 op blz. 658 (uitgave Den Hertog):
Waarom zit Christus aan de rechterhand Gods, Zijns Vaders in heerlijkheid? Ik antwoord: 1. van Christus zijde, opdat Hij zoude ontvangen de macht en heerschappij over alle schepselen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde Matth. 28:18. Hij spreekt daarvan als gedaan, omdat zulks terstond zoude volbracht worden. Met het zitten aan de rechterhand Gods heeft Christus een heersende macht verkregen over alle schepselen!
Verder zegt Ambrosius in het vierde boek, zesde deel, paragraaf 9 op blz. 752 en 753: Het is buiten Gods macht ( ik spreek met nederigheid) Zijnen Zoon te weigeren in iets, dat Hij begeert. Indien de Heere somtijds tot Mozes geroepen heeft, gelijk iemand wiens handen vastgehouden zijn: Laat Mij toe Exod. 32:10, hoe veel te meer dan bindt Christus voorbidding Gods handen, en gebiedt deze alles in den hemel, op de aarde, en in de hel! Hierom zeggen wij, dat God de Vader Zichzelven van al Zijne macht ontdaan heeft, en de sleutels in Christus eigen handen gegeven: Ik leef, en ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods Openb. 1:18.
Daar gaat niemand naar de hel, of hij wordt daarin gesloten door Jezus Christus, en daar gaat niemand naar den hemel, of hij wordt daarin gelaten door Jezus. Christus heeft de sleutel van aller mensen eeuwigen staat hangende aan Zijnen eigen gordel. Als Hij maar zegt: Vader! Ik wil, dat deze man en deze vrouw het Koninkrijk der hemelen beërven, kan de Vader niet anders dan daar wederom op antwoorden: Mijn Zoon! Ik heb geen macht om Uw verzoek te weigeren, Gij hebt de sleutels des hemels in uwe eigen handen; het geschiede gelijk Gij wilt.
Einde citaat Ambrosius.
Wat toch een totaal andere Bijbelse geest ademt er van de oudvaders - nu ook weer Ambrosius - uit in vergelijking met hetgeen Ds. A. Moerkerken zegt: De advocaat mag pleiten zoveel Hij wil, de Rechter spreekt vrij. Ook Wilhelmus a Brakel schrijft in zijn Redelijke Godsdienst als het gaat over den staat van Christus verhoging in deel I (uitgave De Banier) op blz. 549 op dezelfde wijze als Ambrosius onder andere over de tekst Matth. 28: 18! Leest u dit zelf maar na! Hij (Brakel) zegt o.a.: Hij is een erfgenaam van alles................... om ze naar zijn wil te gebruiken.
Wanneer we lezen hoe Brakel op blz. 548 uiteenzet hoe wij de verheerlijkten Jezus als God dienen te beschouwen in wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont dan wordt je daar stil van! Het drie-enig Wezen alles uitsluitend in handen gelegd van Jezus! Hij (de Vader) van wien alle dingen zijn, wil uitsluitend door Zijn Zoon rechtspreken en de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader en de Zoon wordt genoemd de Geest van Christus.
Leest u zelf maar even na in de bijbelverklaring van Dächsel bij Openb. 1 : 18 waarin ook duidelijk wordt verklaard dat de sleutels ziet op het hebben van absolute macht.
Wat ook hier bij Dachsel zeer breedvoerig wordt verklaard, is heel wat anders dan een ondergeschikte positie van Jezus aan Zijn Vader!
Wat toch een totaal andere taal dan die van een gerenommeerde dominee van de Ger. Gem. (niet Ds. Moerkerken) die bij de behandeling van de tekst waarin Jezus zegt: Zoon, uw zonden zijn u vergeven, zei dat dit rechtstreeks vergeven door Jezus een uitzondering is maar dat het normaal is dat de Rechter de zonden vergeeft.
Dus gewoon keihard, lijnrecht tegen Gods Woord in!
Laten we echter Gods onfeilbaar Woord spreken:
Een macht van oordeel en gericht: Joh 5 : 26,27: Want gelijk de Vader het leven heeft, in zich zelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Hem zelven. En Hij heeft Hem macht gegeven ook gerichte te houden, omdat Hij des mensen Zoon is
Hij heeft macht om de schuldigen te rechtvaardigen, en om de zonde te vergeven aan wien Hij wil, Matth. 9: 6: Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde, de zonden te vergeven enz.
Indien de Vorst des vredes deze macht gehad heeft, in den staat der vernedering, in de diepte van Zijne armoede, wie zal dan twijfelen aan Zijne macht, nu Hij tot de hoogste heerlijkheid verheven, en ook door en tot Gods rechterhand verhoogd is, tot een Vorst en Zaligmaker, tot ditzelfde einde, om aan Israël te geven bekering en vergeving der zonden, Hand. 5: 31.
Matth. 11: 27: Alle dingen zijn Mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon, dan de Vader; noch niemand kent den Vader, dan de Zoon en dien het den Zoon wil openbaren. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard, Joh. 1: 18.
Joh. 8 : 36: Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn
Vrij van den vloek der wet; vrij van de toorn Gods; vrij van de macht der zonde en van de slavernij des Satans.
Openb. 1 : 8: Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komen zal, de Almachtige
Joh. 5 : 21: De Zoon maakt levend, die Hij wil.
Openb. 1 : 18: En die leef, en Ik ben dood geweest; en ziet, Ik ben levend in alle eeuwigheid, amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.
De sleutels te hebben, geeft macht te kennen; want het is een spreekwijze, genomen van overwinnaars, die, wanneer zij enige steden innamen, de sleutels van dezelve ontvangen, tot een teken dat die steden nu onder hun gebied zijn. Christus heeft de sleutels der hel, en Hij kan daarheen zenden wien Hij wil, en daarvan verlossen wien Hij wil. Kortom, de macht der sleutelen is alleen Zijne, Openb. 3 : 17: Hij heeft den sleutel Davids, Hij sluit, en niemand opent, Hij opent, en niemand sluit.
Het heeft den Vader, Zoon en Heiligen Geest, éénen God in drie personen, behaagd, dat in Hem, den tweeden persoon, als den Middelaar God-mensch, al de volheid wonen zoude; ja al de volheid der Godheid lichamelijk, Kol. 1 : 19 en 2: 9; het behaagde den Vader, dat alle volheid zijner Godheid, het behaagde de Zoon dat al de volheid Zijner Godheid, en het heeft den Heiligen Geest behaagd, dat al de volheid Zijner Godheid in Christus wonen zouden; of het is het welbehagen geweest, van Vader, Zoon en Heiligen Geest, dat al de volheid der Godheid haar verblijf zoude hebben in den God-mensch Christus Jezus.
Matth. 11: 27: Het heeft den Vader behaagd, dat in Hem al de volheid wonen zoude en wederom, alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijnen Vader.
Zo heeft God alle macht aan Christus gegeven, even alsof Hij zich met niets bemoeien wilde; want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven Joh. 5: 22.
Joh. 5 : 27: Hem macht gegeven is ook gerichte te houden, omdat Hij des mensen Zoon is
Joh. 5 : 22: Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven, opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren, Die den Zoon niet eert. eert den Vader niet, die Hem gezonden heeft.
Joh. 17 : 2:Gelijkerwijs Gij Hem gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve
Aan wien geeft Hij nu het eeuwige leven?
Aan zovelen, als Hij wil, Kap. 5 : 21: Zoo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil
Hebr. 7: 25: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Joh. 5 : 26,27: Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven; 27: En heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is.
Joh. 17:2: Gelijkerwijze Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.
Kol. 1:20: En dat Hij door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen die op de aarde zijn, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.
Hand. 5 : 31: Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Exod. 34 : 7a: Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en zonde vergeeft;
Dus in dit voorgestelde geding gaat het niet alleen over de positie van de zondaar, maar bovenal over die van de reeds betaald hebbende en verhoogde Borg!
Wat een miskenning van het Volbrachte Werk van Christus en Diens – voor al Gods kinderen – toegerekende Gerechtigheid! Wat een verachten van hetgeen tussen de drie Goddelijke Personen werd overeengekomen in de Raad des Vredes en een Eenheid van uitvoering in dit plan!
Ja wat ook een gruwelijke aantasting van Christus verhoging!
En dat alles onder het mom van: ter ere Gods.
Wat weer een mystieke Heilsordelijke herhaling van de Heilshistorie vanwege het tijdstip van deze opnieuw kwitering (over de gruwel van het dagelijks herhaalde misoffer der RK-priesters gesproken; vrg.+ antw. 80 HC). Immers ook dit effectieve vierschaarkwiteren, het effectief wederom toepassen van Christus verzoenend, schulduitdelgend Bloed geschiedt hier in deze vierschaarbeleving niet met een gelovend gezicht op het Volbrachte Werk, maar….. weer daadwerkelijk, opnieuw (zoals bij de Roomse mis een herhaalde tegenwoordigstelling); alsof de reeds (bij de wedergeboorte) toegerekende Gerechtigheid helemaal niet zou gelden!
Wie deze gedachtesprongen naar de Roomse-leer kan vatten, die vatte het.
Dezelfde gedachtesprongen naar de Roomse mis vindt u terug in Dächsel bij de commentaren op Hebreen 9 : 26. Het commentaar op Hebreen 10 : 29 geeft zelfs aan dat déze zonde één is met de zonde tegen de Heilige Geest!
Wat ook een verheerlijking van de nietige mens, die met die God – een Geest/De Almachtige, de Gans Andere die het ontoegankelijk Licht bewoont – zo vleselijk communiceert dat die mens, let nu goed op: ook boute taal zou gaan spreken!
Boute taal? Ja!
Want als de Borg in Getsemane nog uitriep: Vader indien het mogelijk is laat deze drinkbeker aan Mij voorbij gaan dan zien wij nota bene in dit filosofisch Rechtbanktafreel de zondaar nog gewilliger dan Gods Zoon niet alleen toevallend aan Gods Recht, maar nu ook omhelzende dit Recht en ondergaand onder Gods Recht, totaal afgesneden van eigen leven (bijna opgehouden mens te zijn) uitroepen: "zijt Gij met mijn doem gediend, zoek Uw eer ik heb het verdiend". Zogenaamd de ere Gods liever hebbend dan hun eigen zaligheid.
Totaal boven het stof uit! Geen menselijke trek meer om behoud!
De Borg in Getsemane vertoonde nog menselijke trekken in Zijn bede, maar deze zondaar ziet geheel van zichzelf af.
Mag ik u een voorbeeld geven van iemand die zoiets openlijk schrijft in het Reformatorisch Dagblad d.d. 22 september 1999 bij opgemerkt, te weten K. Hollestelle, Dorpsstraat 122 te 1721 BN Broek op Langedijk. Ik citeer het stuk vanuit het RD:
“Hierbij een reactie op de verkorte versie van de lezing van ds. P. De Vries op de Haamstede-conferentie.
Er zijn wel degelijk kinderen van God die ervan leren afzien om de zaligheid te vragen. Die vergenoegd zijn met wat God doet; hetzij Hij zaligmaakt of verdoemt.
Het kan gebeuren dat God als rechter een doodsvonnis uitspreekt over een zondaar nadat deze diep zijn zonde zijn heeft ingeleefd. En dat de zondaar in de vierschaar van zijn geweten moet zeggen: Heere, het is recht.
Dan gebeurt het dat de Heere Jezus zo verborgen is dat de zondaar gaat zeggen: Heere, doe mij nu maar weg. Volvoer Uw vonnis, want mij nu nog te zaligen, zou Uw deugden krenken
(daar Jezus verborgen is). Zo gebeurt het dat een zondaar letterlijk Gods deugden liever krijgt dan zijn eigen zaligheid. Hij vraagt hier niet meer om genade (dat zou Gods deugden krenken) maar om recht. Hierin ligt geen wanhoop, maar een heerlijke vreugde. Dan een wachten op de volvoering van dat vonnis waarmee hij zich vergenoegt. Hier komt echter na kortere of langere tijd de Vader Zijn Zoon aan te wijzen als Degene Die in plaats van de zondaar stierf.
Vaak spreekt de Vader (niet de Zoon) de woorden uit Job 33: 24: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden
Zo krijgt een zondaar zijn leven terug op grond van het werk van de Middelaar.
Bestaansrecht waar geen bestaansrecht meer was. Eveneens na kortere of langere tijd volgt vaak de verzekering: Uw zonden zijn u vergeven.
De Heere blijft zo’n mens in het bijzonder oefenen in het liefhebben van ‘s Vaders deugden boven alles wat hier op aarde is.
Dan volgt de evangelische heiligmaking waar die mens altijd weer met droefheid (niet met schuld) uitkomt.
Uw vrucht is uit Mij gevonden. Wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal hetzelve behouden (Matth. 16: 25)”.
Tot zover het citaat uit het RD d.d. 22-09-1999 van K. Hollestelle.
Dit citaat is helaas een standaardvoorbeeld van de uniforme beschrijvingen zoals die ook dikwijls door “onze” predikanten van de Ger. Gem. naar voren worden gebracht.
In zijn boek: “De toeleidende weg tot Christus” (uitgave september 2001 bij uitgeverij Groen te Heerenveen, ISBN 90-5829-210-x) schrijft ds. C. Harinck dat deze onchristelijke en onbijbelse leer voortkomt uit de Roomse mystiek en theologisch bekend staat onder de naam: Resignatio ad infernum.
Zij is in de middeleeuwen sterk gepropagandeerd door Jean de Labadie en betekent de totale prijsgave van eigen behoud, de volledige opheffing van alle zelfzucht en de bereidheid om het eeuwige helse oordeel met vreugde te dragen.
De eigen wil moet volledig verslonden worden in God, hetgeen pas plaats vindt op het moment wanneer het eigen behoud geen enkele rol meer speelt, men zijn ziel Gode wenst op te offeren en men “pasklaar is voort de hel”. Jean de Labadie is hevig bevochten door Wilhelmus a Brakel vanwege deze goddeloze leer.
Het is beslist noodzakelijk om dit overigens in zijn totaliteit uiterst goed beschreven boek ook hierop na te lezen! Onthullend en schokkend voor “onze bevinding” en voor het feit dat deze vierschaar/Labadie-leer nog volop door diverse predikanten binnen de ger. Gezindte en de ger. Gem. wordt gepreekt (o.a. ds. A. Moerkerken) zulks terwijl juist Erskine zeer duidelijk waarschuwt dat het een Godonterende leer is!
Het is inderdaad zeer sterk uitgedrukt! Maar ik heb er nog nimmer iemand bewogen van zien worden of een liefdestraan over zien storten.
Nog nooit heb ik gezien dat deze "gangen" iemand aanspraken, terwijl ik ze toch al vaker heb horen vertellen dan mij lief is.
Wel ruzies van wie de meeste toch wel is, omdat de een of ander het weer een fractie anders had beleefd en dan vanzelfsprekend in overtreffender trap. Of elkaar beleren dat het wel oneindig groot is wat God heeft gedaan, maar..........dat dit toch nog de Rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie nog niet is want dat dan..........enz. enz. enz.
Of weer een (op)drijven dat er nog veel meer te verkrijgen is.
Of heel vreemde mystieke verhalen aangehoord waarbij degene die het vertelde - na eerst met een snelle flitsende monsterende blik naar de toehoorders gekeken te hebben of het verantwoord was - in een “Heilig lachen” verviel en vertelde over hoe de duivel uit dit Gericht met zijn staart tussen de benen niet wist hoe snel hij er vandoor moest.
Hoe kan hier ooit ook maar een sprenkeltje werving van uit gaan?
Bovendien kan men wel stellen dat dit spreken van deze onbijbelse taal des zondaars tot ere Gods is, maar ik vraag u: is dit totaal geen zicht hebben op het Borgwerk van Christus, deze totale verloochening van hetgeen door de Borg is toegezegd, dit totaal geen aanspraak maken op "wiens snoer en wiens zegelring zijn deze" in dit geding is dit uit het Geloof of uit het ongeloof?
Is het hier: " al doodde mij de Heere, zo zou ik nochtans op Hem Hopen"!
Ik vraag u nogmaals is dit vanuit het Geloof of vanuit het ongeloof?
En indien wij dan toch moeten vermoeden dat dit vanuit het ongeloof is (want het Geloof drijft alle vrees buiten, God op Zijn Woord vattende) en indien het ongeloof gezegd wordt zonde te zijn, is dit zonder geloof zeggen van die zondaar: " zijt Gij met mijn doem gediend, zoek uw eer ik heb het verdiend" dan werkelijk zo ter ere Gods? Is dit een "hogere" oefening van het Geloof?
Let er toch op hoe weinig geur en smaak hier vanuit gaat. Let er op dat Gods Woord t.a.v. de wedergeboorte oneindig veelkleurig is en dat dit filosofisch tafereel vrijwel uniform is!
Het is toch ook al vreemd als zulke "hoge standen" die de wedergeboorte verre te boven gaan UITSLUITEND kunnen worden verklaard vanuit een visionair filosofisch juridisch kader, terwijl het uniform gekozen voorbeeld juridisch nog niet eens klopt en er in Gods Woord nergens over wordt gesproken?
God eist van de mens niet dat hij ontmenst wordt! Hij wil zelfs Zijn Beeld terug.
Welke vlammen der hel zulke predikanten u ook voor mogen houden: lees eens met ernst Joh. 3 : Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om haar te behouden!
Dat is anders dan de Resignatio ad infernum die overigens ook voorkomt in de Islamitische mystiek!
Als het echter over extremisme gaat: de Islam belooft haar martelaren die zich vrijwillig als zelfmoordenaar offeren een onmiddellijke ingang in het paradijs met 77 schitterende maagden. De Labadistische vierschaarbelever staat niets anders voor ogen dan de eeuwige hel en die moet hij “ter meerdere ere Gods” zelfs:……. met vreugde aanvaarden! Pas dan is de toets echt!
Vreemd en opmerkelijk is het ook dat deze vierschaarbeleving, wat toch eigenlijk altijd verklaard wordt in het kader van de uiteenzetting van zondag 23 in plaats van Geloof en de verzekering daarvan - waarop zondag 23 toch immers slaat als er zelfs gesteld wordt dat hoewel mij mijn consciëntie aanklaagt enz. ik nochtans ..........voor God rechtvaardig ben - deze zondaar juist geen enkel zicht meer heeft op het Geloof!
In dit vierschaargericht ontbreekt het nochtans van het Geloof!
Via inlegkunde kunnen allerlei geschiedenissen (zoals bijvoorbeeld Jozef in de verschillende beproevingen met zijn broers en ten slotte zijn bekendmaking aan hen) dierbaar worden verklaard, maar het is de vraag of wij historische feiten zo maar mogen projecteren naar een zogenaamde vierschaarbeleving die in zijn juridisch voorbeeld zelfs al aan alle kanten rammelt. Bovendien gaan wij dan personen (Jozef en zijn broers, Jacob bij Pniel, Ruth en Boaz in de poort enz.) vergelijken met God. En dat mag en kan niet, want God is met niemand te vergelijken en toornt schrikkelijk daarover indien zulks wel gebeurt.
Hoewel Ds. Kersten vanuit de vooronderstelling van de juistheid van de vierschaarbeleving door de "geoefenden in den lande" zijn visie heeft weergegeven t.a.v. de rechtvaardigmaking en daardoor e.e.a. nogal heeft moeten "wringen" om het in een dogmatisch kader te krijgen wat hem mijns inzien niet is gelukt zegt deze toch nog in zijn dogmatiek II blz.193:
" Mitsdien kunnen degenen, die gerechtvaardigd zijn (en uit het geheel blijkt dat hij daar de wedergeboorterechtvaardiging mee bedoelt) die gerechtvaardigd zijn, nimmer terugvallen in den staat des toorns. Bovendien zijn zij tengevolge van die toegerekende (dus hij zegt niet: onderwerpelijk met in de vierschaar bewustheid beleefde) gerechtigheid vrijgemaakt van hun verbintenis aan de wet, die haar verdoemende kracht verloren heeft. God handelt dan ook nimmermeer rechterlijk met Zijn met Hem verzoend volk en in de vierschaar Gods kan tegen de uitverkorenen geen beschuldiging worden ingebracht".
Zie ook zijn verwijsteksten die overeenkomen met hetgeen ik in dit schrijven beweer!
Ik geef toe dat Ds. G.H.Kersten, toen hij heel sterk onder invloed van Dr. Steenblok kwam weer anders heeft gesproken.
Maar vele van zijn volgelingen (eigenlijk Steenblokianen) doen hier weer een schepje bovenop!
Zij (de latere predikanten) laten in deze vierschaarbeleving de zondaar nog volop onder de vloek en toorn Gods vallen bij de Rechter vanuit de opeisbare Wet en ONVERGEVEN en nog OPENSTAANDE schuld bij God.
(In heel de theologische wereld wereldwijd snapt men daar - terecht - NIETS van)!
Zij zijn in tegenstelling tot de oudvaders de grote robuuste hoofdlijn van Gods Massieve Reddingsplan kwijt en vervallen daardoor tot uiterst gedetailleerde maar wel onschriftuurlijke subjectieve "ondervindingen".
Nu het geval bezien van een andere zijde:
De vierschaarbeleving wordt verondersteld een "nadere oefening" te zijn.
Het is dus geen " beginnende " die zulks beleeft. Het wordt gesteld beleefd te worden door reeds wedergeborenen, zij die dus een staatsverwisseling hebben ondergaan. Weliswaar levend uit de vrucht maar toch een erfgenaam en heer van alles, maar........ nog onder voogden geplaatst.
Nu kan men toch niet stellen dat men wedergeboren/levendgemaakt kan zijn buiten om Christus en diens volkomen gerechtigheid ook……… al zou dit zelfs voor de betrokkene onbewust zijn.
De gedagvaarde is dus reeds in Christus begrepen! Behoort tot het Koninkrijk van Christus!
Ja………. van Gods kant wordt er dan gezegd máár nog niet van de kant van de zondaar!
Nu als van Gods kant de zaak dan in orde is, verzoend is, doordat Hij die zondaar niet meer in zichzelf ziet maar in Christus dan gaat met eerbied gesproken Gods de Vader juist van Zijn kant dan toch geen vierschaarrechtbankoproep doen aan die zondaar door te zeggen: “komt laat ons tesamen richten?”
NU DE FEITEN: Ten aanzien van deze gerichtshandeling wil ik in de eerste plaats opmerken dat God Zich feitelijk uitsluitend openbaart in Zijn Zoon! Niemand heeft ooit God gezien! Daarom noemt Hij Zich o.a. : de Onzienlijke.
Deze Zoon (de Borg) gaat Zich, zoals men zegt, in dit Rechtsgeding nu verbergen achter het Recht Zijns Vaders.
Dus voor de zondaar is Christus in dit geding niet voorhanden.
De zondaar staat daar, opgeroepen door God striktelijk (!), naakt, voor een vertoornd, onbevredigd Rechter zoals men zegt.
Nu dat Christus er dus niet is in dit geding staat de zondaar daar dus voor God zonder Christus.
En………. God zonder Christus is een verterend vuur en een eeuwige gloed Deut. 4:24 en Hebr. 12:29.
Dus de zondaar staat daar nu - nu dat Christus zich verbergt - voor een volstrekt God die niet alleen een verterend vuur is en een eeuwige gloed maar Die vlg. 1 Tim, 6:16 alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welke zij eer en eeuwige kracht. Amen.
En van Wie in Joh. 1:18 staat: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is heeft Hem ons verklaard".
En in Exodus 34:20 zegt de Heere: "Hij zeide verder: Gij Zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien en leven!".
Ik citeer Ds. G.H. Kersten: " Die kennis is mogelijk omdat God Zich openbaarde in de natuur en in de Heilige Schrift, maar God is niet te begrijpen, alleen te aanbidden. Uit de Heilige Schrift zelve, die de bijzondere openbaring Gods is, is dus klaar, dat de mens tot het Wezen Gods niet doordringen kan! Alleen wat God van Zichzelf meedeelde, kan de mens van Hem weten en alleen dan nog maar met ware kennis, als de Heilige Geest het verduisterd verstand verlicht". Einde citaat ds. Kersten.
Even tussendoor: Ik heb eens gehoord van iemand bij wie de bliksem was ingeslagen dat alle apparaten in zijn huis kapot waren. Ook de apparaten die niet aangesloten waren op het elektrisch!
Hij zei van deze bliksem gaat zo’n ontzettende inductie uit dat deze apparaten hoewel niet eens aangesloten door deze inductie kapot slaan!
Als nu het weerlicht nog maar een zwakke afschaduwing is, eigenlijk de schaduw van het ONTOEGANKELIJK licht hetwelk door God wordt bewoond, zou deze zondaar in dit vierschaargericht zonder Christus het dan zo maar uithouden en communiceren met de EEUWIGE?
Neen hij zou door de INDUCTIE VAN GODS MAJESTEIT verteerd worden!
Ja maar je moet dit geestelijk zien, wordt er dan gezegd, als men voelt dat het wat gaat "wringen". Ja juist daarom, want God is een Geest met Wie buiten Christus niet gecommuniceerd kan worden tenzij we VERDAMPEN , maar kan alleen aangebeden worden .Ieder spreken van God met de mens in de Bijbel was altijd in Christus!
Mozes op de berg - in Christus - had zoveel heerlijkheid Gods gezien, dat toen hij terug kwam van de berg en Gods tegenwoordigheid er niet meer was zijn aangezicht zelfs moest bedekken vanwege dit Majestueuze gezicht dat de kinderen Israëls hem niet konden aanzien!
Wij dienen grote moeite te hebben met deze IK-gerichte ervaringen waarbij termen vallen als bijvoorbeeld: " toen nam de Vader mij op in Zijn armen" of "ik zei tegen God: al zou U me voor eeuwig in de hel storten dan zou ik U nog rechtvaardig noemen en Uw toorn moeten billijken", “zijt Gij met mijn doem gediend, zoek Uw eer ik heb het verdiend”, en dergelijke dingen meer. En dat alles wordt door deze zondaar op dat moment buiten Christus gesproken tegen een volstrekt God!
De voordracht der "vreemde onschriftuurlijke zaken" is naar mijn smaak grotelijks ter onere Gods.
En nu geef ik grif toe dat ik zaken misschien wat chargeer e
