Openbare aanklacht grote domper op a.s. 100 jaar Ger.Gem.

NB.1: Voor de juiste opmaak kunt u beter gebruik maken van het Word document wat u kunt vinden door hier te klikken!
NB.2: Deze informatie is ons toegezonden en tevens wijd verspreid onder betrokkenen en de pers. Alhoewel we niet verantwoordelijk zijn voor de inhoud, is er in dit genoemde stuk sprake van een hartenkreet die wij u niet wilden onthouden, daar wij van mening zijn dat u prima in staat bent om e.e.a. te beoordelen naar waarheid. (Redactie Eenheid.org)

OPENBARE AANKLACHT

THEOLOGIE VAN DE RECTOR BOEZEMSINGEL (Ds. A. MOERKERKEN) LOOPT VOLLEDIG UIT DE HAND

GROTE DOMPER OP AANSTAAND 100 JARIG BESTAAN Ger.Gem.
Opzettelijke Leervervalsingen door ds. A. Moerkerken:

-    Evangelieloze-levendmaking nota bene: door de Wet (zie pag. 11 en 59 t/m 63) Moerkerkens leer:Christus vergeefs gestorven!

- Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven. Gal. 2 : 21b

- Onbewuste wedergeboorte zonder kennis van Christus. Ds. G.H. Kersten gruwde daarvan! (zie pag. 7 t/m 16)

- Gods Kind nog immer onder de vloek, toorn en doemvonnis

De leer van ds. A. Moerkerken van het voor Gods-kind in een “nadere oefening” alsnog verloren gaan (!) onder Gods Recht en een nog altijd openstaande schuld lijkt veel op het handelen van de vreselijke Laban met Jacob! Erskine (pag. 46 t/m 49 hieronder) noemt het: Godslasterlijk en Goddeloos! Ds. C. Harinck, de nestor van de Ger.Gemeenten, noemt het: ONBIJBELS!

Laban, als bedrieger, wenste (net als de Roomse Kerk) uiteindelijk herhaalde of dubbele betaling c.q. een langere knechtelijke positie van Jacob én langere knechting van de bruid!

Méér en/of langere betaling/knechtelijke diening dan oorspronkelijk eerlijk was overeengekomen (vergelijking met de Raad des Vredes)! Jacob had over de bruidsschat vóóraf immers met Laban onderhandeld (zoals Christus in de Raad des Vredes), moest een vreselijk hoge prijs betalen en zou alsdan zijn bruid krijgen. Nadat dit alles was voldaan en vooral Jacob (vooral Jezus) nu hevig verlangde naar de volle gemeenschap met zijn bruid op de huwelijksdag (wedergeboorte) werd nu bedrieglijk gefopt in zijn bruid! Hij moest alsnóg, wederom 7 jaar dienen én ook zijn bruid moest al die tijd onder de wet van Laban blijven! Dus niet alléén de Bruid (Rachal) werd gefopt en alsnog onder de wet (van Laban) gehouden, maar vooral: Jacob, vooral Jezus wordt met eerbied gesproken: gefopt met Zijn Bruid, gefopt in Zijn kwitantie!

CONCREET:

Ds. A. Moerkerken leert helaas : Ná het geestelijk huwelijk (de

wedergeboorte/levendmaking) waardoor vlgs. God Woord iedere

schuld is opgelost: toch een vlgs. ds. A. Moerkerken nog steeds

openstaande schuld voor Gods kind! Dus géén echte satisfactie!

En als boerenbedrog zegt hij dan: “ja maar dat is van ’s mensen

kant gezien” terwijl het toch juist Gods-initiatief zou zijn om over

openstaande schuld die nog betaald móet worden te beginnen!

· Leer van Athanasius van de heilige drie-eenheid in theorie erkend; in de praktijk: God de Vader als Rechter bóven God de Zoon en God de H. Geest een bedienaar der wet in de zgn. wettische levendmaking i.p.v. door het Evangelie!

· Labadistische onbijbelse vierschaarsleer; zie ds. C. Harinck

· Embryonale Habitus (vergeleken bij een tulpenbol die in de bol reeds de bloem bevat) zou zonder Actus (het dadelijk geloven) zelfs ook het kennen, het toestemmen en het vertrouwen behelzen! Waarom dan ook geen embryonale ellendekennis?

· Een zgn. druppel ingestorte (Roomse gratia infusa-leer) liefde (Moerkerken en cons.) buiten de kennis van Christus) is volgens Erskine slechts: haat. En vanwaar komt zo,n “liefde”?

· Onder ds. Moerkerken is de huidige leer verworden tot de embryonale leer van Abraham Kuyper vermeerderd met wettische ellendekennis; een wettisch buigen wordt thans voor de wedergeboorte gehouden; bij Kuyper verondersteld.

· Voor precies dezelfde leerdwalingen (zie blz. 59 t/m 63) waarvoor Dr. Steenblok destijds werd geschorst, wordt thans in de huidige Ger. Gem. ds. Moerkerken alom jubilerend gehuldigd en wordt hem een vrienden-feest-bundel aangeboden! Wie let nog op deze dodelijke grensverlegging?

Het Spécialité de Maison van de Boezemsingel: Jodendom annex Rooms!

 

Geachte lezer(es),

Zoals u bekend zal zijn heeft ds. A. Moerkerken, de Rector van de Theologische School der Gereformeerde Gemeente aan de Boezemsingel te Rotterdam de zogenaamde "standen- en kruispuntenleer"op "formule"gebracht. Ds. Moerkerken publiceert hierover geregeld openlijk in de Saambinder en ook in diverse door hem geschreven boeken waaronder zijn catechismusuitgave.

Ds. Moerkerken stelt daarin uitdrukkelijk dat deze "standen- en kruispuntenleer" nietin de eerste plaats betrekking heeft op de opwas in de genade, maar........ op zaken waar de één nog voor staat en waar de ander reeds achter staat!

Zeer centraal in deze "standen- en kruispuntenleer" (en de daaraan verbonden gedachte dat vele kinderen van Godnog vóór "de grote zaak" staan van het "verloren gaan onder Gods Recht") staat daarin de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie ofwel hierna kortweg genoemd: vierschaarbeleving.

Deze vierschaarbeleving kan wel het hart- of zenuwcentrum van deze “standen- en kruispuntenleer” worden genoemd.

Pas dáár (de doorleving in de ziel van Pasen) zou het Priesterlijk ambt van Christus worden toegepast aan de ziel; de nog steeds openstaande schuld van Gods kind(!) worden vergeven! Pas dáár de Wet van haar vloek ontwapend!

In deze vierschaarbeleving zouden degenen die zulks , als nadere weldaad vanuit het welwezen des Geloofs, als extra te beurt mogen vallen,alsreeds in engere zin wedergeboren kind van God zijnde en hun daardoor in-zijn in Christus, dat is: in niemand minder dan het in-zijn in ……. de Zaligmaker(!): desondanks nog immer vallen onder de vloek en toorn van de wet (!) en alsnog (weer) worden gedaagd voor het Recht Gods waarbij hij/zij met met een volledige Labadistischeaanvaarding van zijn/haar doemvonnis wordt afgesneden van eigen leven en ....uitroept:.zijt Gij met mijn doem (=verdoemenis) gediend,.............. zoek Uw eer, ik heb het verdiend!

Erskine en met hem in ongeveer dezelfde of zelfs nóg sterkere bewoordingen Ambrosius, Brakel, van der Groe, Coccejus, ds. C. Harinck (die hieronder allen aan het woord komen) en vele, vele hedendaagse Professoren en Hoogleraren noemen de (vierschaar)-leer zoals ds. A. Moerkerken de docent van de Theologische school van de Ger. Gem. aan de Boezemsingel te Rotterdam die leert:

a. Niet de leer die naar de Godzaligheid is

b. Strekkende om de gelovigen zelfs te houden onder de wet

welke de kracht der zonde is

c. Strijdig met het evangeliebeginsel

d. Vals

e. Belofte ontkrachtend

f. ONBIJBELS

g.De zondaar nog gewilliger dan Christus in de hof van Getsemane

h. Goddeloos/ Godslasterlijk

Gods onfeilbaar Woord leert ons immers zo duidelijk:

”Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” (Rom. 8:33a)

en

Zo is er dan géén verdoemenis voor degenen die in Christus, Jezus zijn (Rom 8: 1).

De Boezemsingel leert helaas in 100% tegenspraak met de bijbel: dat er in de “nadere oefening” in de vierschaar der consciëntie voor wedergeborenen (in engere zin, in Christus, dat is dus met de toerekening van de Gerechtigheid van de Zaligmaker) nog wél terdége beschuldiging is; te weten:…….doodschuldig! Met zélfs een Labadistische bereidheid tot aanvaarding van dit doemvonnis, die nota bene ............vérder gaat dan die van de Heere Jezus in de hof van Getsemane!

Een dodelijke beschuldiging, die van Gods kant zou uitgaan!

Immers het heet toch: dat juist God als Rechter die "extra" vierschaarsgerichtsdagvaarding doet uitgaan; die mens dagvaardt zichzelf immers niet, maar deze betalingsopeising t.a.v. die zgn. openstaande schuld geschiedt juist op Gods initiatief als Rechter!

Impliciet leert de Boezemsingel daarmee:........dat er voor wedergeborenen nog wél terdége vloek, toorn en verdoemis is!

Het wordt zelfs zo gezegd: ondanks dit in-zijn in Christus, dat is: ondanks het in-zijn in de Zaligmaker alsnog voor hun persoon eeuwig omkomen! Ondanks dus Christus’, dat is dus: des Zaligmakers toegerekende Gerechtigheid!

Het heet dan immers nota bene: "met een geopenbaarde Christus, met een geopenbaarde Zaligmaker (…) met geopenbaard Bloed alsnog de dood in"!

Het door God als Rechter uitgesproken vonnis zou immers luiden: eeuwigeverdoemenis. Dit vonnis treft echter het meest: Christus-kwitantie! Vanwege het impliciet vernederen van Christus als Zaligmaker, van wie staat geschreven dat Hij verhoogd zijnde in het midden van de Troon van God is. Door Hem in dit “gericht” knechtelijk te plaatsen achterGods alsnog en wederom eisend Recht!

Dus: juistvan Gods kant ligthet hier niet "vlak"!

Juist van Gods kant zou de openstaande schuld (aan de Wet) in Gods ogen nog onverzoend en onbetaald zijn! De aan Christus gedane kwitering is hier blijkbaar géén kwitering voor degenen die door wedergeboorte in Hem zijn omdat er na die wedergeboorte (!) alsnog betaling van des zondaars zijde door God wordt geëist!

En deze betalingsopeising zou geschieden: vanuit een, voor Gods kind(!),nog immer vloekende endodende Wet! Het (door wedergeboorte) in-zijn in en de reeds volkomen betaling vanChristus als Zaligmaker en Gods Woord in Rom. 8: 1 ten spijt!

Dus die mens zou vlgs. deze leer zogenaamd wél van het werkverbond (Adam) afgesneden zijn en het Genadeverbond, dat is Christus (Die voor al Zijn volk de vervuller der Wet is) zijn ingeplant en……….. gelijkertijd toch nog qua persoon (ondanks het zgn. embryonaal geloof) volop onder de toorn en vloek der Wet liggen!

Wat baat dan zo’n niet van de vloek bevrijdend embryonaal geloof?

Erskine merkt t.a.v. Rom. 8: 1 en 33a op: dat hun personen nimmermeer onder de vloek kunnen komen, maar wél hun zonden (Deel IV, pag. 398).

Gods onkreukbare Rechtvaardigheid ontaard bij deze Moerkerken-leer in: GRUWELIJK GODDELIJK ONRECHT doordat zij Zich in haar opeising en vonnis vérder uitstrekt dan de dood van Christus; en dat is bijbels onmogelijk, want bij die dood verliest de Wet haar kracht! En in Zijn dood is voor al Gods volk: de Wet van haar vloek ontwapend!

Ja, deze leer is ongelofelijk Goddeloos, want God wordt hier beticht van grof ONRECHT, door, 2 x betaling voor hetzelfde te eisen, te weten: éénmaal van Christus, als: Zaligmaker in diens Zoendood en

alsnog (dus dubbel) óók van de zondaar! Van diégenen die toch reeds (door wedergeboorte) in Hem , dat wil zeggen: in al Zijn weldaden begrepen zijn!

Ds. Moerkerken sluit namelijk in strijd met o.a. antw. 21 HC t.a.v. het in-zijn in Christus: van al de weldaden de impliciete weldaad van schuldvergeving vanuit de wedergeboorte uit!

Dáár, vlgs. de consequenties uit deze leer, juist van Gods kant nog géén schuldvergeving: Want het is immers God Zelf die voor de zgn. openstaande, de blijkbaar nog niet van Gods kant vergeven schuld de volle alsnog-betaling van de zondaar gaat eisen!

Kennis van Christus is bij ds. A. Moerkerken een surplus; iets naders. Vanaf de wedergeboorte (inlijving in Christus) gaat men vlgs. hem de weg der werkheiligheid op vanuit en nog immer liggend onder de vloek der Wet(!). Immers wie onder schuld der Wet is, is onder haar vloek! Als reeds wedergeborene: onder de Wet op weg naar de Beloften, onder de Wet op weg naar het Evangelie, onder de Wet op weg naar de kennis van Christus, onder de Wet op weg naar het geloven in Christus, op weg naar het vrij verklaard worden van de Wet, op weg naar de schuldvergeving; die echter vlgs. hem lang niet iedere wedergeborene te beurt valt!

De inlegkundige uitleg van o.a. Bunyans-christenreis waarbij de wettische overtuiging wordt gehouden voor de wedergeboorte speelt hierin een grote rol! Een gevaarlijke misleiding van ds. Moerkerken en velen van zijn (ex)-studenten!

Volgens Gods Woord, antw. 21 HC, en de allerbeste Gereformeerde Godgeleerden valt immers de schuldvergeving echter wél terdege iedere wedergeborene ten deel! Déze volgens Erskine Goddeloze opnieuw dagvaarding/veroordeling, wordt, als het hart en zenuwcentrumvan deze "kruispuntenleer", nota bene door de (ex)-studenten van de Boezemsingelin bijna iedere preek altijd uniform “ingehamerd” als het crème de la crème!Dáár moet men naar staan!

Ook héél bedenkelijk is zijn hardnekkige onbijbelse stelling en die van zijn leerlingen (o.a. ds. A. Verschuure te Krabbendijke) dat er wél van wedergeboorte en geloof sprake kan zijn: zónder de kennis van Christus; zodat deze wedergeboorte ONBEWUST is !

Een onbewuste wedergeboorte heeft echter ds. G.H. Kersten juist ten zéérste bestreden in zijn dogmatiek (deel II, bldz. 96 + 97+160)!

Ik laat ten aanzien van de wel terdége noodzakelijke kennis van Christus bij de wedergeboorte hieronder enkele citaten volgen van de allerbeste Gereformeerde Godgeleerden. Wanneer u zich op deze Godzalige Godgeleerden beroept dan komt u echter bij het huidige Ger. Gem.-klimaat waarschijnlijk onder (stille) censuur! En toch zegt ds. A. Moerkerken dat hij in de lijn der Reformatie wenst te staan. Als u het onderstaande leest gelooft u deze verleiding dan nog als hij zegt dat wij bij de wedergeboorte/de inlijving in Christus/de Zaligmaker geen Christuskennis hebben? Let bij de prediking goed op de leerstukken die men u denkt op te dringen. U komt immers niet in de kerk om bedrogen te worden of om slechts uit te rusten!

Het gaat hier om het zaligmakende geloof. Het zaligmakende geloof omvat kennis, toestemmen en vertrouwen. Kort Begrip vrg. + antw. 19.

· Er is een logische volgorde tussen kennen, toestemmen en vertrouwen. Wat gekend wordt, wordt toege­stemd, en uit de toestemming vloeit het vertrouwen voort. Omgekeerd kan er geen vertrouwen zijn als er geen toestemmen is, en geen toestemmen als er geen kennis is (Voetius)1

· Kennis, toestemmen en vertrouwen horen alle drie wezenlijk tot het geloof. Waar één van drieën gemist wordt, daar is geen geloof (Comrie)2.

Wannneer Comrie hier de kennis, toestemmen en vertrouwen embryonaal bedoeld zou hebben dan zou één van drieën ook nooit gemist kunnen worden.

Het embryonaal kennen, toestemmen en vertrouwen is dus louter een bedenksel van ds. Moerkerken en veronderstelt (evenals bij Dr. Kuyper) een embryonale roeping en daarmee is het geloof niet meer uit het gehoor van het evangelie!

(Ds. G.H. Kersten, dogmatiek deel II, bldz. 69: “Niet door de wet, doch door het Evangelie roept God Zijn uitverkorenen in den tijd Zijns welbehagens tot de zaligheid”).

· Het voorwerp van het geloof moet gekend worden om het te kúnnen toestemmen.

· Qua kennis 3 verschilt het zaligmakende geloof niet van het historische geloof (Bastingius 4, Synopsis 5, Voetius)6..

· Zonder kennis is er geen geloven mogelijk (Voetius)7.

· De kennis van het zaligmakende geloof omvat ‘alles wat God ons in het Evangelie heeft geopenbaard’, zoals dit in de HC aan de hand van de 12 art 9zd 8-22 (H.C. vr/antw. 22) 8.

· Het voorwerp van het rechtvaardigende geloof is de belofte van het Evangelie, d.w.z. Christus en al Zijn weldaden (Synopsis) 9.

· Zonder kennis van de belofte van het Evangelie is er geen zaligheid mogelijk (Voetius)10.

· Zonder kennis van Christus is er géén geloof in Christus mogelijk, en zonder geloof in Christus is er geen zaligheid mogelijk (Trigland 11; Turrettini 12; Witsius 13).

· Omdat ‘Christus in Zijn Priesterlijke bediening’ het eigenlijke voorwerp van het rechtvaardigende geloof is (Owen)14, is kennis van Christus in Zijn Priesterlijke bediening onmisbaar.

__________________

1 Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 256: “Vooronderstelt deze toestemming, en zendt ze vooruit de kennis en wetenschap, ja stelt ze die vast? Antw. Ja: want ik kan niet approberen noch toestemmen, tenzij dat ik heb goede kennis en wetenschap van de zaak.”

(Voetius antwoord hierop uiteraard volmondig: Ja.

Helaas, helaas……. ds. A. Moerkerken ontkent dit echter)!

2 Comrie, Katechismus, blz. 406: “De kennis, de toestemming en het vertrouwen zijn de wezenlijkheden die tot het wezen des geloofs even wezenlijk behoren, de ene niet meer als de andere; deze drie in derzelver samenvoeging met elkander zijn het oprecht geloof, dat Gods Geest in de harten der uitverkorenen werkt in hun krachtige roeping. Zo een enige van die ontbrak, zelfs voor het minste ogenblik, zo had het geloof niet zijn wezenlijke natuur en was dus geen oprecht geloof.”

(Wannneer Comrie hier de kennis, toestemmen en vertrouwen embryonaal bedoeld zou hebben dan zou één van drieën ook tijdelijk (tot aan de dadelijkheid van de actus) nooit meer kúnnen ontbreken want Gods Schenking is volmaakt!(Doordenkertje).

Het embryonaal kennen, toestemmen en vertrouwen is dus louter een bedenksel van ds. Moerkerken en veronderstelt (evenals bij Dr. Kuyper) een embryonale roeping (zie ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek, deel II, bldz. 97) en daarmee is het geloof niet meer uit het gehoor van het evangelie)!

(Ds. G.H. Kersten, dogmatiek deel II, bldz. 69: “Niet door de wet, doch door het Evangelie roept God Zijn uitverkorenen in den tijd Zijns welbehagens tot de zaligheid”).

3 Hiermee bedoelen we de kennis zoals deze in de H.C. wordt omschreven als logisch voorafgaand aan de toestemming en het vertrouwen. Er is immers ook kennis die ontspringt aan de particuliere toestemming en het vertrouwen, zoals de kennis dat God mijn God is. Dergelijke kennis maakt geen deel uit van de kennis van het historisch geloof.

4. Bastingius, Verclaringe op den Catechisme der Christelijker Religie, 1893 (1594), blz. 67: “Want al is het dat een oprecht geloof de kennis gemeen heeft met een historisch geloof (waarvan hier gezegd wordt) zo kan toch het oprecht geloof zonder deze wetenschap en zekere kennis niet zijn…”

5. Synopsis, XXXI, 7: “… het historische geloof komt in de kennis en de [algemene] toestemming met het rechtvaardigende geloof overeen…”

6. Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 259: “Is het genoeg dat een mens heeft zo’n generale kennis en wetenschap van al hetgeen de Heere in Zijn woord geopenbaard heeft? Antw. Neen. Wat wordt er dan nog meer vereist? Een particuliere toestemming en verzekering. […] Waarom is het niet genoeg, dat ik zo’n generale kennis en wetenschap heb? Antw. Omdat de duivelen ook zulk een geloof kunnen hebben (Jak. 2:19). Gij gelooft dat God een enige God is; gij doet wel: de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.”

7. Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 256: “Kan iemand wel in Christus geloven zonder kennis van Hem te hebben? Antw. Neen.

Kan ik Hem voor mijn Zaligmaker wel aannemen, als ik Hem niet ken? Antw. Neen.

Kan ik God wel geloven, vertrouwen, liefhebben, als ik Hem niet ken? Antw. Neen”.

(bij ds. A. Moerkerken kan men zgn. in Christus zijn ingelijfd en toch Christus niet kennen).

8. H.C. vr/antw. 22: “Wat is dan een Christen nodig te geloven? Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsom leren.”

9 Synopsis, XXXI, 20: “Het speciale voorwerp van het geloof voor zover het rechtvaardigend is, en wat dit geloof eigenlijk van de andere soorten van geloof onderscheidt, is de Evangelische belofte van Christus de Middelaar, want het rechtvaardigt eigenlijk in zoverre, en het behoudt, voorzover het de verdienste van Christus in het Woord van het Evangelie geopenbaard, aangrijpt en omhelst; want het is niet voldoende als iemand de geschiedenis van de gebeurde zaak, namelijk dat Christus geleden heeft, kent; en ook niet als iemand toestemt en gelooft, dat Christus geleden heeft voor de zonden van alle mensen; maar daarenboven wordt vereist, dat daarbij komt de volle verzekerdheid en het vast vertrouwen, waardoor de zondaar allerzekerst gelooft, dat niet alleen aan andere gelovigen, maar hem ook in het bijzonder, vergeving der zonden om de verdienste van Christus geschonken is, en dat hij diens verzoening in genade aangenomen is, en dit zichzelf vol vertrouwen toeeigent.”

10. Voetius, Voetius, Catechisatie, deel 1 blz. 266: “Maar zo iemand niet weet en verstaat de belofte des Evangelies, kan hij wel behouden en zalig worden? Antw. Nee.

Blz. 265 : “ Waarom moet gij Gods beloften weten en kennen? Antw. Omdat ik anders niet zalig kan worden.

(laat ds. A. Moerkerken dit ook eens lezen inplaats van de kerk te verwoesten door eigensnuffigheid; de beloften des evangelies kunnen immers niet embryonaal worden geweten en verstaan?

Zo ja? Waarom dan ook geen embryonale ellendekennis?

Dán is het volkomen predestinatianisme!

Waarom dan ook geen tulpenbol=embryonale-heiliging?

11 Trigland, Kerkelijke Geschiedenissen, blz 644: “Wij bekennen, dat in onze belijdenis en catechismus schriftuurlijk geleerd wordt, dat het zaligmakende geloof niet kan wezen zonder kennis van de persoon en verdiensten van Jezus Christus, en dat niemand kan zalig worden, dan die de weldaden van Christus met een oprecht geloof aanneemt. Hiertegen verwerpen wij als onschriftuurlijk en strijdig met onze belijdenis en catechismus, dat de mensen zalig kunnen worden door een geloof, hetwelk zonder de kennis van de persoon en verdiensten van Jezus Christus is”.

Ds. A. Moerkerken leert op zeer droevige en bedrieglijke wijze hetzelfde als Dr. Steenblok, die wegens diézelde leerafwijking(!) destijds bij de vroegere Ger. Gem. werd geschorst! Terwijl nu ds. A. Moerkerken voor dezelfde dwaling thans in de huidige Ger. Gem. ,als PAUS der Ger. Gem. jubilerend wordt gehuldigd en alom in de lucht gestoken. Beiden leren namelijk dat: wetsovertuigden nota bene uitsluitend door de Wet en buiten de kennis van Christus worden levendgemaakt door Gods Geest. Wetsovertuigden worden zelfs aangesproken en verleidend betiteld met:…….volk, maar…..dit “volkje” wordt vervolgens niet als “kleinen in de genade” getroost (zoals bijvoorbeeld Jacobus Koelman in : De natuur en gronden van het geloof, ISBN 90-71272-19-2 zo kostelijk doet en zoals ook van ds. Moerkerken als rector verwacht zou mogen worden).

In plaats van troost……. worden zij zelfs na de wedergeboorte(!) toch volop onder de vloek, toorn en verdoemenis der Wet gelaten en wordt een schrik-en-afkeer Godsbeeld opgeroepen van een wraaklustige God waar je beter maar geheel niet mee van doen kan hebben! Immers in Moerkerkens-optiek is de wet in de reeds levendgemaakte/wedergeborene nog steeds zaligmakend(!) aan het plaatsmaken voor het in nadere kruispunten/oefeningen te ontdekken evangelie, de beloften, inleving van: zien is nog geen hebben en de krachtdadigheid van Christus enz.

Het evangelie/de beloften welke vlgs. de bijbel in de wedergeboorte door het geloven/geloof omhelst worden regarderen (nog) niet bij de levendmaking zegt ds. A. Moerkerken!

Na deze “Evangelielozelevendmaking” komen “levendgemaakten” nog méér onder de geestelijkheid der wet; dus nog altijd géén evangelie, géén omhelzen van de Beloften-Gods!

LET GOED OP: Dus het uitsluitend levendmakende evangelie

(DL 3,4 par.5+6) speelt in deze verwarrende Heilsordeleer in de eigenlijke levendmaking géén, ja zelfs géén énkele rol omdat in dit Steenblok-Moerkerken-systeem, bij een nadere weldaad/kruispunt, pas sprake is van enige openbaring van het evangelie/het gelovig omhelzen van beloften: MAAR…LET WEL: NA de levendmaking! Daarom moet, vlgs. dit Moerkerken-Steenbloksysteem: nu het evangelie én de beloften in het eigenlijke wedergeboortestadium (nog) totaal niet van toepassing zijn, maar alléén wet en vervloeking, de eigenlijke levendmaking noodzakelijkerwijs DOOR DE WET (die volgens Gods Woord alléén doodt) ZIJN)!

Dus nota bene rechtstreeks in totale strijd met Gods Woord(!): de wet als doder maakt levend en behoudt, in plaats van de LevensVorst! Dit denken de Joden ook! De dodende leer van de wet…..liever dan de LevensVorst!

Zo groot is de vijandschap tegen Christus en Zijn Werk dat de kennis van Christus in de levendmaking in de huidige Ger.Gem. wordt geloochend op straffe van (stille) censuur!! Zie s.v.p. het bewijs van de valse leer der levendmaking door de wet van Steenblok en Moerkerken aan het eind van dit artikel, blz. 59 t/m 63. Trigland noemt het strijdig met onze belijdenis en catechismus.

12. Turrettini, Institutio Theologiae Elenchticae, Locus XII Qu. 6, 15: “Christus zal niet zaligmaken tenzij Hij wordt gekend en aangenomen door het geloof (Jes. 53:11; Joh. 6:29; Joh. 6; 40; Joh. 17:3). Waarom zou het anders het Evangelie nodig zijn, als wij zaligheid zouden kunnen verkrijgen zonder kennis van Christus?

(ook door Turretini wordt de dwaalleer van ds. A. Moerkerken verworpen; maar ja….wie is Turrettini vergeleken bij Thona Melis?). Waarschijnlijk een Hoogleraar die domme dingen zegt (zie ds. A. Moerkerken daarover in de Saambinder 9 febr. 2006)!

13. Witsius, Grondstukken van het Algemene Christelijke Geloof, Delft 1723, blz. 14: “Daar er geen zaligheid te verkrijgen is zonder Christus (Hand. 4:12) en geen volwassene door Christus behouden wordt dan door middel des geloofs (Mark. 16: 16), en het geloof kennis vooronderstelt (Rom. 10:14), zo is het nodig ter zaligheid dat Christus gekend wordt (Joh. 17:3; Joh. 20:31).”

(blijkbaar wuift ds. A. Moerkerken ook Witsius weg en houdt het liever op: ds. de Wit).

14. Owen, Works V, p. 118-119: “De Schrift verklaart duidelijk dat het geloof als rechtvaardigend geloof alleen betrekking heeft op het priesterlijke ambt en de priesterlijke verrichtingen van Christus.

(bij ds. Moerkerken kan men zelfs alleen al in het “geloof” in Christus profetisch ambt zalig worden; de toepassing van Christus Priesterlijke werk is immers slechts voor een witte raaf)!

Erskine leert ook in boek II van Al de werken bldz. 290 uitdrukkelijk de bijbelse leer: dat in de nieuwtestamentische bedeling het Geloof zich als eerste richt op het Priesterlijke ambt van Christus! (Héél jammer dat ds. Moerkerken anders leert)!

Halyburton, Een zedig Onderzoek, blz. 15: “…wedergeboorte, het geloven en de rechtvaardigmaking geschieden alle in een en hetzelfde punt des tijds.”.

Blz. 26: “Er is geen daad van genade die ook maar een ogenblik het rechtvaardigmakende geloof voorafgaat.”

(het geloven is bij ds. A. Moerkerken niet op hetzelfde ogenblik; bij hem is het: Christus Jezus voor eigen hart en (be)leven: als eventueel surplus op lange termijn)!

Boston, Complete Works VII, p. 82: “Het is niet de habitus van het geloof, maar het daadwerkelijke geloven (de actus) , waardoor de Geest ons met Christus verenigt. De Heilige Geest werkt in ons dat daadwerkelijk geloven, als hij dit onmiddellijk voorbrengt vanuit het geestelijke leven dat Hij ons gegeven heeft door de mededeling van Zichzelf aan ons. En door dat daadwerkelijke geloven worden wij verenigd met Christus, in de zin dat wij daardoor Christus aannemen, en Hem aankleven”.

(ds. A. Moerkerken staat met zijn kruispuntenleer toch wel héél ver van Boston af door niet alleen (grote) tijdsruimte te laten tussen wedergeboorte en het daadwerkelijk geloven in Christus; hij laat helaas de vereniging met Christus juist wél uit de habitus vloeien waardoor de in het Geloof bestaande kennis, toestemmen en vertrouwen nota bene ook embryonaal wordt; ds. A. Moerkerken vergelijkt dit met een tulpenbol die wel alles in zich heeft maar nog niet tot volle bloei is gekomen; dus het klinkklare bewijs dat hij de ONBEWUSTE WEDERGEBOORTE aanhangt)!

Brakel, Redelijke Godsdienst I, XVI, 22 (Blz. 364): “Niet de goederen, niet de bevalligheid, niet de liefde maakt een huwelijk, maar de wederzijdse bewilliging aan elkander verklaard. Dit is ieder bekend: als beide partijen in de voorwaarden bewilligen, zo is de vrede tussen die tevoren in oorlog waren, gemaakt. Zo is het ook hier.”

(dus bij Brakel géén ONBEWUSTE WEDERGEBOORTE zoals ds. A. Moerkerken leert) Zie ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek deel II, bldz. 97 waar ds. Kersten t..a.v. onbewuste wedergeboorte zegt: “zielsmisleidend”!

Halyburton, Een zedig Onderzoek, blz. 22: “De Heilige Geest neemt de arme zondaar in bezit, maakt hem bekwaam om te geloven, en doet hem geloven, door in habitus en actus het geloof te werken; en hierdoor wordt deze mystieke vereniging die door de inkomst des Geestes was begonnen, door de geloofsvereniging met Christus voltooid.”

Witsius, Vier Boecken III, VIII, 59 (blz. 385-386): “Hoewel de uitverkoren zondaar door Christus vrijgekocht is […] nochtans wordt dat recht dat door Christus is verworven, aan hem niet toegepast totdat hij wedergeboren en door het geloof met Christus verenigd worde. […] Terstond nadat hij Christus door het geloof aangenomen heeft, zo verklaart God in de vierschaar des Hemels dat hij niet meer onder de toorn maar onder de genade is.”

Boston, Complete Works VII, p. 93: “Rechtvaardiging is niet een werk dat bij trappen wordt uitgevoerd, maar het is een daad die in een ogenblik wordt volbracht. Een zondaar wordt gerechtvaardigd op het eerste ogenblik van zijn geloven in Christus, en niet eerder. Rechtvaardiging is een daad van God zelf”.

(de leer van de Rechtvaardiging van eeuwigheid behoort tot het hypercalvinisme).

Owen, Works V, p. 144: “Door ons metterdaad geloven met een rechtvaardigend geloof, door in Christus te geloven en in Zijn naam te geloven, ontvangen we Hem. En dáárdoor, volgend op onze eerste rechtvaardiging, worden we kinderen Gods (Joh. 1:12). […] Al deze zaken zijn niet los te maken van ons eerste geloven in Hem; en daarom is onze rechtvaardiging meteen compleet.”

(vraag aan ds. A. Moerkerken: “welke troost is er vgls u bij het zgn. in Christus ingelijfd zijn, als we volgens u Christus niet kennen en vooralsnog ook niet metterdaad geloven)?

Erskine, deel IV, p. 296: “Het is een ander stuk van de nieuwe en de vreemde theologie of Godgeleerdheid van sommige in onze dagen, te weten, dat de evangelische bekering of enige daden van dezelve, vóór het zaligmakende geloof gaan; maar deze leer van de kracht der zonde bewijst het tegendeel; want, wanneer de evangelische bekering stand grijpt, dan is de kracht der zonde gebroken, en de mens is dadelijk in de wapenen tegen dezelve; maar…. van waar heeft hij zijne wapenrusting , indien hij nooit door het geloof tot Christus gekomen is, om kracht daartoe? De bekering is een wederkeren tot God; maar wie is ooit tot Hem wedergekeerd zonder Christus? Want niemand komt tot de Vader, dan door Hem. Daar kan wel veel geveinsde, huichelachtige en wettische bekering zijn, zonder het geloof, maar de ware en dadelijke evangelische bekering is altijd de vrucht van het zien van Christus op de ziel” Einde citaat Erskine.

(het is bekend dat de uitgetredenen en cons. ten diepste niets van de Erskines moeten hebben; om echter aan eigen gezag en geloofwaardigheid te winnen doen zij slechts gelegenheids-verwijzingen naar deze Godgeleerden)

Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1 blz. 266: “Maar zo iemand niet weet en verstaat de belofte des Evangelies, kan hij wel behouden en zalig worden? Antw. Neen”.

Blz. 265: “Waarom moet gij Gods beloften weten en kennen? Antw. Omdat ik anders niet kan zalig worden.”

Ds. G.H. Kersten, dogmatiek deel II, bldz. 160: “Een blind geloof, zonder kennis, is niet het zaligmakende geloof. Dat geloof is een kennen en dááraan hangt de rechtvaardiging des zondaars en het eeuwige leven.

(zo ziet u hoezeer ds. A. Moerkerken steeds verder van ds. Kersten af is geradicaliseerd richting Steenblok/uitgetredenen)!

Owen, Works V, p. 118: “Omdat de staat waarin zij verkeren voor hun rechtvaardiging niet alleen een staat van schuld en toorn is, maar ook een staat waarin de kracht der zonde in hen aanwezig is, is hun oogmerk niet alleen om te worden gerechtvaardigd, maar ook om te worden geheiligd. Met het verlangen naar heiliging beoefenen de gelovigen het geloof in bijzonder opzicht tot het koninklijk en profetische ambt van Christus. Maar tot hun bevrijding van de schuld der zonden, hun aanneming bij God, hun rechtvaardiging voor Hem, - zodat zij bevrijd worden van de vervloeking, zodat zij niet in het oordeel komen – dan is het de gekruisigde Christus, Christus verhoogd als de koperen slang in de woestijn, dan is het het bloed van Christus, de verzoening die Hij was en de verlossing die Hij aanbracht, dan is het zijn dragen van hun zonden, en dat Hij voor hen zonde en vloek is gemaakt, dan is het de eeuwigdurende gerechtigheid die Hij aangebracht heeft, dan is het dat alleen waaraan hun geloof zich vastklemt en waarin zij rust vinden.”

Hellenbroek, Vragenboekje, hfst. 1, vraag 9 en hfst. 11, vraag 5: “Is Christus te kennen juist nodig tot zaligheid? Antw. Ja”. “Waarin moet de Middelaar al gekend worden? Antw. 1. In Zijn Namen; 2. In Zijn ambten. 3. In Zijn naturen; 4. In Zijn staten en 5. In Zijn weldaden”.

(Hellenbroek zegt hierop uiteraard: Ja. Bij ds. A. Moerkerken kan men levengemaakt zijn vanuit de Wet zónder de kennis van Christus; embryonale kennis, embryonaal vertrouwen en embryonale toeeigening bestaan immers niet)!

Alléén daadwerkelijk en…. metterdaad!

Owen, Works V, p. 144: “Door ons metterdaad geloven met een rechtvaardigend geloof, door in Christus te geloven en in Zijn naam te geloven, ontvangen we Hem. En daardoor, volgend op onze eerste rechtvaardiging, worden we kinderen Gods (Joh. 1:12). […] Al deze zaken zijn niet los te maken van ons eerste geloven in Hem; en daarom is onze rechtvaardiging meteen compleet.”

(wat zou ook Dr. Owen het vreemd gevonden hebben dat ds. A. Moerkerken beweert dat een wedergeborene nog immer onder de vloek en toorn der Wet ligt en NIET metterdaad gelooft)! Metterdaad gelooft = geloven!

Synopsis, XXXI, 6: “Het zaligmakende geloof is de krachtige toestemming uit zekere kennis der goddelijke openbaring, door de Heilige Geest door het woord van het Evangelie in onze harten ingeplant, aan alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar voornamelijk aan de heilaanbrengende beloften in Christus gedaan, waardoor ieder gelovige met vast vertrouwen in God rustende, zeker vaststelt dat er niet slechts aan de gelovigen in het algemeen vergeving der zonden beloofd is, maar hemzelf in het bijzonder ten deel gevallen is en eeuwige gerechtigheid, en daaruit het leven, uit Gods barmhartigheid wegens de verdien­ste van Jezus Christus alleen, geschonken is.”

Van der Groe, Schadelijk Misbruik, blz. 17: “Dus moet het dan noodzakelijk door ons gehouden worden voor een vaste regel in het Christendom, dat zolang als iemand de Heere Jezus niet kent, met een geestelijke en gelovige kennis van bijzondere toeëigening voor zichzelf en van een hartelijk vertrouwen op Hem en Zijn genade, op grond van de beloften des Heiligen Evangelies, hij dan ook nog geen ware zaligmakende overtuiging bekomen heeft welke ontdekking van zonde, en vloek, verdoemenis, onmacht, enz. hij schoon anders ook al in zich bevinden moge, en hoe grotelijks beangst en bekommerd hij daaronder ook wezen moge.”

(van Van der Groe zal ds. A. Moerkerken helemaal wel niets moeten hebben, immers van der Groe leert hier 100 % tegengesteld wat ds. A. Moerkerken op droevige wijze met zijn tulpenbolvoorbeeld beweert).

J. C. Appelius, Vervolg van Aanmerkingen, Voorrede § 35; blz. LII-LIV: “De grond nu, waarop de mensen die onder het Evangelie leven, recht en vrijheid hebben om Christus met al Zijn goederen aan te nemen, is niet gelegen in enige gestalte van armoede, licht, overtuiging of iets anders, maar enkel en alleen in de vrije roeping, aanbieding, en nodiging van het Evangelie. Zónder dezelve kan of mag niemand, hoe arm hij ook zij - maar óp dezelve mag en moet een ieder, hoe verstokt hij zij, tot Christus komen. Erkentenis van zonde, armoede van geest, en waarachtige overtuiging zijn wel wegen en beweegredenen zonder welke niemand van dit aanbod gebruik zal maken, maar het zijn geen gronden, welke hem recht en vrijheid geven; overmits ook een geruste en blinde, die niet weet dat hij ellendig is, door de roeping vrijheid krijgt om van Christus voor zichzelf, tot verlichting, gebruik te maken (Openb. 3:17-18). Een eenvoudige zal misschien de zaak, door de volgende gelijkenis, eenvoudigst verstaan kunnen. Een bedelaar, die tot een volle tafel geroepen wordt, heeft, buiten alle twijfel, recht en vrijheid om aan te zitten, en de opgediste spijze, voor zichzelf te gebruiken. Zijn armoede en zijn honger kan wel een beweegreden zijn, dat hij aanstonds naderbijkome [bijga] en ete; maar deze dingen zijn geen gronden, die hem recht en vrijheid tot de tafel geven. Dat recht en vrijheid hangt enkel en alleen af van de roeping, aanbieding en nodiging van hem die de tafel toekomt. Al was die bedelaar nog zo arm: hij mocht toch niet aanzitten, indien de eigenaar hem niet nodigde. Maar wanneer hij genodigd is, heeft hij recht en vrijheid om aan te zitten, [ook] al was hij niet eens recht arm, of al had hij geen honger.”

Lubbertus (mede ondertekend door Polyander, Gomarus, Thysius en Walaeus), Acta, blz. 771-772.: “De eerste genade [der wedergeboorte], dewelke werkende, voorkomende, opwekkende genoemd wordt, is een werking der Goddelijke barmhartigheid, dewelke het verstand des mensen met de ware en zaligmakende kennis van Jezus Christus verlicht….

(leest u hier goed hoe o.a. Gomaris totaal anders leert dan ds. A. Moerkerken; bij de eerste genade zegt Gomaris: wel kennis)!

Shorter Catechism, qu. 31: “31"Wat is de krachtdadige roeping? De krachtdadige roeping is het werk van Gods Geest, waardoor Hij, terwijl Hij ons overtuigt van onze zonde en ellende, onze geest verlicht met de kennis van Christus en onze wil vernieuwt, ons gewillig maakt en in staat stelt om Jezus Christus te omhelzen, Die ons in het Evangelie vrij wordt aangeboden."

Witsius, Vredelievende Aanmerkingen, blz. 74-75: “Aan een op zo’n wijze beangste ziel vertoont zich nu de weldoende Zaligmaker Jezus, met de overvloed van al Zijn genade en heerlijkheid, die Hij vrijwillig en mild aan allen die ze begeren, aanbiedt; en Hij biedt ze niet alleen aan, maar Hij nodigt ook zeer vriendelijk om deze aan te nemen, en doet dienaangaande zeer krachtige betuigingen, ja trekt ook, door een verborgen kracht van Zijn Geest het binnenste van het hart doordringende, het verstand en de wil tevens door een aangenaam geweld: waardoor het geschiedt dat de ziel door de glans van dit hemels licht bestraald, en daardoor aangelokt, Jezus met alle krachten voor zijn Zaligmaker aanneemt, en dit onwaardeerbare geschenk door deze aanneming vast en onherroepelijk maakt. Dit is dat geloof van Gods uitverkorenen hetwelk de H. Schriften dikwijls zeer hoog prijzen. Dewijl nu dit geloof in de aanneming van Christus bestaat, zo is het openbaar dat Christus dan eerst door bezitting de onze is, wanneer wij Hem door het geloof hebben aangenomen,. Hem aannemende nemen wij tegelijk aan en maken door de aanneming de zone al die gerechtigheid die Hij voor ons vervuld heeft.”

Witsius, Vier Boecken, III, 8, 51 (bl. 381): “[De Gereformeerden] ontkennen niet hetgeen de Meester Christus zelf zegt (Joh. 6:29), dat het geloof een werk is, ja, wat meer is, zij ontkennen niet dat de aangrijping en de aanneming van Christus zelf, in de zaak van de rechtvaardigmaking een daad des geloofs is, en dat het geloof tot zo ver als dadig moet aangemerkt worden. Nochtans ontkennen zij dat het geloof ons rechtvaardigt voor zoveel het een daad van God voorgeschreven is [..]; maar zij zeggen dat wij door die daad worden gerechtvaardigd voor zoveel wij daarmee Christus aangrijpen, met Hem verenigd worden en Zijn gerechtigheid omhelzen. Hetwelk zij met deze gelijkenis plegen te verklaren. De uitsteking van de hand van een bedelaar waarmee hij op het bevel van een rijke, een genadige gift van barmhartigheid aanneemt, is een daad van de bedelaar, door de rijke voorgeschreven; nochtans voor zoveel zij een daad is, verrijkt zij de bedelaar niet, maar voor zoveel hij op die wijze de gift zich toepast en de zijne maakt. Welke dingen klaarder zijn, dan dat ze door enige beuzelingen en bedriegerijen kunnen verduisterd worden”.

Synopsis, XXXI, 21: “Hoe kan de genade willens aangenomen worden, […] en toch niet geweten worden door degene die haar aanneemt, of hij haar heeft? Want om een zaak met een willende beweging der ziel aan te nemen, is het noodzakelijk dat wie haar eigener beweging aanneemt, weet dat de zaak hem gegeven is, en ook dat hij ze waarlijk aanneemt, en dat hij, als hij ze aangeno­men heeft, bezit.”

Halyburton, Een zedig Onderzoek, blz. 22: “De Heilige Geest neemt de arme zondaar in bezit, maakt hem bekwaam om te geloven, en doet hem geloven, door in habitus en actus het geloof te werken; en hierdoor wordt deze mystieke vereniging die door de inkomst des Geestes was begonnen, door de geloofsvereniging met Christus voltooid.”

Witsius, Vier Boecken, III, 8, 31 (blz. 371): “Maar opdat de grondslag van deze toerekening klaarder blijke, zo moet men aanmerken dat Christus niet alleen voor de uitverkorenen volgens de eeuwige Raad des Vaders al deze dingen als Borg beloofd heeft, en volgens de borgbelofte vervuld heeft, maar dat ook de uitverkorenen voor en aleer dat hun de rechtvaardigheid van Christus tot rechtvaardigmaking des levens wordt toegerekend, zo nauw met Hem door het geloof verenigd worden, dat zij één lichaam zijn (1 Kor. 6:17) en niet alleen verenigd met Hem maar ook ÉÉN; [...] Maar uit kracht van deze vereniging of eenheid welke de uitverkorenen met Christus hebben, worden zij gerekend zelf in Christus gedaan en geleden te hebben datgene dat Christus gedaan en geleden heeft voor hen”.

(en delend in de toegerekende Gerechtigheid van Christus toch vlgs. Ds. A. Moerkerken nog immer onder de toorn en vloek liggen! Juist van Gods kant komt toch die zgn.2e betalingseis)?

Witsius, Vier Boecken III, VIII, 59 (blz. 385-386): “Hoewel de uitverkoren zondaar door Christus vrijgekocht is […] nochtans wordt dat recht dat door Christus is verworven, aan hem niet toegepast totdat hij wedergeboren en door het geloof met Christus verenigd worde. […] Terstond nadat hij Christus door het geloof aangenomen heeft, zo verklaart God in de vierschaar des Hemels dat hij niet meer onder de toorn maar onder de genade is.”

Maccovius, Distinctiones, blz. 127: “Het geloof als daad rechtvaardigt, niet het geloof als habitus. Dit getuigt de Heilige Geest in Hand. 26. Door het geloof, zegt Hij, ontvangen wij de vergeving der zonden en een erfdeel onder de heiligen. Tegenwerping: maar het geloof verdwijnt in degene die slaapt. Antwoord: Dat moeten we ontkennen. Want het geloof is een morele act in de rechtvaardiging; en een morele act hoeft niet noodzakelijkerwijze altijd er te zijn, maar het is voldoende als deze daad er is geweest of er soms is.”

Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, blz. 259: “Is het genoeg, dat een mens heeft zo’n algemene kennis en wetenschap van al hetgeen de Heere in Zijn Woord heeft geopenbaard? Antw. Neen.

Wat wordt er dan nog meer vereist? Antw. Een particuliere toestemming en verzekering.

“Waarin is deze particuliere toestemming gelegen? Antw. Daarin dat ik niet alleen weet en geloof dat er een God is, maar dat Hij mijn God is; niet alleen weet en geloof dat de Heere Christus een Zaligmaker is, een Zaligmaker van anderen, of van al de Zijnen, maar mijn Zaligmaker

Costerus, De Geestelijke Mensch, Nijkerk, 1864, blz.138-140: “In het geloof komen drie dingen tesamen: A. Kennis [...]. B. Een gemene toestemming, waardoor hij die leer des Evangelies, die leert dat God de wereld zo lief heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het het eeuwige leven hebbe; en dat Hij in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, toestemt en voor waar houdt, ‘gelovende alles dat in de Wet en de profeten geschreven is’, zegt Paulus (Hand. 24:14). […] C. Een bijzondere toestemming, waardoor de verlegen zondaar die Evangelische waarheid voor zichzelf gelooft, en de Zaligmaker voor zichzelf aanneemt; [...] Zo dat de rechte aard en kracht van het geloof niet bestaat in die generale toestemming, maar in die bijzondere toepassing, waardoor de zondaar de Zaligmaker voor zichzelf mijnt, als de zijne aanneemt en in Hem rust”.

Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, Blz. 259: “Is deze particuliere toestemming en verzekering eigenlijk het instrument waardoor wij Christus aannemen en ons toepassen, en zo voor God gerechtvaardigd worden? Antw. Ja.”

Voetius, Voetius’ Catechisatie, deel 1, Blz. 255-256: “Hoeveel leden heeft het zaligmakende geloof? Antw. Twee.

Welk zijn die twee leden? Antw. 1. Een generale toestemming, waardoor men toestemt en voor waarachtig houdt, al hetgeen God in Zijn Woord heeft geopenbaard, als bijvoorbeeld, dat er een God is, een Zaligmaker is, en dat die [Zaligmaker] Christus is, etc., hetwelk vooronderstelt en vooruitzendt, ja includeert en insluit een bepaalde kennis en wetenschap. 2. Een speciale, particuliere of bijzondere toestemming, dat is, dat ik niet alleen geloof, dat er een God, een Zaligmaker is, etc., maar dat God mijn God is, en Christus mijn Zaligmaker, aan mijzelf Christus applicerende en toepassende, met al Zijn verdiensten, zeggende: “Heere Jezus, Gij zijt mijn, Uw gerechtigheid, heiligheid etc., is mijn. Waaruit volgt dat heerlijk vertrouwen, namelijk is God mijn God, en Christus mijn Zaligmaker, zo mag ik volkomen gerust zijn: want al mijn zonden zijn mij dan vergeven en daarom zal ik gewis zalig worden”.

Polyander, Gomarus, Thysius, Walaeus, Lubbertus, in: Acta, blz. 852: “Het geloof der tijd-Christenen is noch het ware geloof, alzo eigenlijk genoemd, noch het gehele, noch het rechtvaardigmakende geloof; maar zodanig is alleen het geloof der uitverkorenen, hetwelk wij zeggen van hetzelve [tijdgeloof] in verscheidenheid van wezen te verschillen [...] omdat het geloof der uitverkorenen begaafd is met een vrijmoedigheid, en met een vast vertrouwen (hetwelk somtijds ook genoemd wordt een verzekerdheid), dat is, met een zekere en gans vol vertrouwen, hetwelk de algmenen beloften Gods zichzelf inwendig in het bijzonder is toeëigenende, hetwelk het geloof der tijd-Christenen niet heeft”.

Daarom is wat de Boezemsingel t.a.v.deze zeer cruciale zaken leert: ZEERschadelijk,bedroevend en frustrerendvoor hetware Sion en tot smaad van Christus! Want uit deze eeuwigheidsmisslag betr. het meestcrusialepunt: de rechtvaardiging (dit betreft toch immers géén accéntverschillen maar wezensverschillen) blijkt dat er met deHeilsordelijke leer nog méér aan de hand is; namelijkdat het Gods Woord, door de duivelse belofteontneming aan onbekeerden, krachteloos wordt! Immers neem de Beloften weg uit Gods Woord en ge neemt heel de kracht van de Bijbel weg, omdat voor het woordBijbel ook Gods Belofte mag staan! En was er voor een arme verloren zondaar geen Belofte: zijn/haar verlorenheid was definitief!

Uw verantwoordelijkheid:

U bent nu bekend c.q. door dit stuk verder te lezen wordt u bekend met het feit dat ds. A. Moerkerken zeer bewust zulke Goddeloze, onbijbelse zaken (Erskine) openlijk en met veel fanatisme reeds jarenlang, ondanks allerlei broederlijke terechtwijzingen en vermanende publicaties waarin werd gezegd dat dit volgens Gods Woord zo niet kán en mág, op Roomse wijze blijft proclameren, schrijven en indoctrineren aan studenten, en daarbij ook nog eens initieert en/ofvia, via bevordert dat iedereen die langs de reguliere kerkelijke weg tegen zulke dwalingen op wil komen of gebruik maakt van het grondwettelijk recht van persvrijheid en meningsuitingkerkelijk wordt gecensureerd.

Vanuit uw verantwoordingvraag ik u : is het dan niet zo langzamerhand tijd dat er op grond van art. 79 en 80 DKO maatregelen tegen hém worden genomen?

Denkt u daar eens ernstig over na voor Gods aangezicht, want .........door Godslastering, en zo noemt Erskine het, (verder) te tolereren maakt u zich volgens Gods normen: mede schuldig!

Als Kerkelijke "rechtspraak"door de "rechtsprekers" tot openbare belachelijkheidwordt gemaakt, een vermaak voor de pers, en een smaad voor Gods Kerk doordat men "rechtspreekt" zonder bij de "behandeling der zaak" inhoudelijk ergens op in te gaan, zonder zelfs inhoudelijk gehoord te hebben(dus van een vóóroordeel uit gaat) mag ds. Moerkerken niet boos zijn alsanderen , die ook kennisnemen van dit onrecht, worden genoodzaakt ookin de toekomstalternatieve zielsbevrijdende wegen te kiezen!

En...... via de e-mail heeft men, door gebruik te maken van ger. gezindte-netwerken en doorzending van geadresseerden aan vrienden en kennissen, zo maar vele, veleduizenden bereikt; dus........... is het beter, correcter en kerkrechtelijk juister om wél serieus op gegronde grieven in te gaan.

Want het ongebreideld dictatoriaal doorgaan met middeleeuws mondsnoeren en censureren van iedereen die met redenen omkleed iets tegen zeer ernstige leerdwalingen onderneemtzal een keer als een boemerang blijken te werken tegen

de dictators en bovendien: degene die werkelijkovertuigd is van het gelijk van zijn/haar zaak is daar allerminst bang voor, die heeft van tevoren "de kosten overrekend"!

Dus niet bang maar wel bedroefd! Maar dié droefheid kent ds. A. Moerkerken helaas totaal niet:want hij heeft wel eens geschreven over zijn verwonderende irritatiedat "zulke mensen" tegenwoordig maar blijven hangen in ons kerkverband.

Máár......... niet degenen die een Goddeloze leerbestrijden moetenuit ons kerkverband gaan en zich laten verjagen(!), maar diégene moet worden geschorst die apertestrijdigheden met het evangeliebeginsel (kwalificatie van Erskine) als dierbare waarheden brengt, anderen (laat) censureren en zichondertussen schuldig maakt aanheilsordelijke misleiding!

Heilsordelijke misleiding door ons kerkverband middels Goddeloze-leerverkrachting fusierijp en acceptabel te maken voorde uitgetredenen, door evenals hén: voor onbekeerden geen énkele belofte "voor te stellen", laat staan aanbiedenen de levendmaking uit de Wet (!) te laten vloeien, zodaterleerstellig (precies zoals bij Dr. C. Steenblok) pas ná de levendmaking/wedergeboorte sprake kán zijn van enige belofte/het evangelie!

Het is dan dus niet meer: dóden zullen horen, maar.......(in ieder geval inhoudelijk gezien):levenden (door de Wet!! ) zullen het evangelie horen!

De levendmaking door de Heilige Geest vanuit de Wet is echter in strijd met Gods Woord o.a. in Galaten 3:2,3,5,10,11,12,13,18,21b (leest u die s.v.p. eens na).

Of zijnde kwalificaties van o.a. Erskine, s(Goddeloos/Godslasterlijk) en ds. C. Harinck(ONBIJBELS) u nog niet ernstig genoeg? Vind u het allemaal slechts accentverschilletjes? Dan zult u hemel of hel ook wel slechts een accentsverschil vinden! Maar leest u dan toch s.v.p. even verder, want dan weet u tenminste welke drastische verschuivingen er sinds ds. G.H. Kersten hebben plaatgevonden, waaronder o.a. een onbewuste wedergeboorteleer!

Gelieve ook eens te lezen de preek van Erskine over Matth. 28: 12: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde!

Door ook deze preek te onderzoeken krijgt men een beter zicht op het onderstaande!

Het moge duidelijk zijn dat ik onder de Vierschaarsleer, welke hieronder door mij wordt bestreden, NIET versta de in de hier onderstaande scriptie omschreven Vierschaarsleer die samenvalt met de wedergeboorte.

Ik kan mij van harte vinden in hetgeen de “oudvaders” hierover hebben gezegd en zoals die juist zo kostelijk in onderstaande scriptie is verwoord.

Wat ik hartgrondig bestrijd, is een vierschaarleer die niet alleen temporeel niet samenvalt met de wedergeboorte maar die, nota bene, leert dat een door wedergeboorte in Christus, dat is:Zaligmaker ingelijfde bij de wedergeboorte niet definitief ontheven zou zijn van schuld en straf maar – als wel reeds kind van God zijnde - nog immer onder de vloek en de toorn van de wet zou liggen.

Hierdoor worden niet alleen de 3 Goddelijke personen leerstellig vanéén gescheiden zoals hierna zal blijken, maar worden ook de 3 ambten van Christus op een verkeerde wijze voorgesteld. Immers deze leer brengt mee dat men – levend in de huidige bedeling van het nieuwe testament – wel in Christus, dat is:Zaligmaker zou kunnen zijn t.a.v. Zijn Profetische bediening, maar dat men nog geen kennis zou hebben aan en totaal, totaal bevindelijk (dus inhoudelijk) blind zijn voor Zijn Priesterlijk ambt!

Op dié wijze zou echter ook de orthodoxe Jood, vanuit alleen het oude testament, op grond van alléén het Profetische ambt van Christus zalig kunnen worden buitenom de Grote, Eeuwige en Enige Hogepriester Jezus Christus en diens volbrachte, aan de ziel door het Geloof toegepaste, Priesterlijk Werk!

Het “deksel op hun aangezicht” (t.a.v. de kennis van Jezus Christus)zou op die wijze geen bezwaar zijn om toch zalig te worden!

Die mogelijkheid van zalig worden van zo’n Jood op die gronden wordt gelukkig echter leerstellig nog wel ontkend in de Gereformeerde Gemeente, maar…………. eigenlijk (bevindelijk) leert men dit wel terdege! Namelijk: ……..het Priesterlijke ambt van Christus zou in wedergeborenen die reeds wel in Zijn Profetisch ambt begrepen zijn, pas als extra en als nadere weldaad vanuit het welwezen des Geloofs, voor slechts enkele witte raven, toegepast worden in het dodelijk tijdsgewricht van de beleving der ziel wanneer zij wordt afgesneden van eigen leven in de extra rechtvaardigmaking in de Labadistische vierschaar met zijn Resignatio ad Infernum!

Voor de meeste “kinderen van God”, die deze “extra en nadere weldaad”, als witte raaf, niet te beurt valt is dus het Priesterlijk ambt van Christus NIET aan zijn/haar ziel toegepast en staat hij/zij derhalve nog voor de “grote zaak”. Maar………… - zo wordt immers in de Ger. Gem. geleerd - hij/zij wordt per saldo toch zalig vanuit een wedergeboorte met uitsluitend kennis van het Profetisch ambt van Christus, of zelfs geheel zonder de kennis van Christus; als bekommerde/uitziende!

Men wordt dan als een wedergeboren godlover (dat is de betekenis van Jood) krachtens de besnijdenis des harten (wedergeboorte) een Jood………. die buitenom de kennis van Christus, dat is: Zaligmaker zalig kan worden!

Wat is nu de diepste reden dat zoveel mensen in de Ger. Gem. psychologisch en geestelijk zeer ernstig met de leer in de knoei komen?

Ten diepste dit:

Formeel, voorwerpelijk/leerstellig leert men wel een nieuwtestamentische rechtvaardigingsleer vanuit het volbrachte priesterlijke werk van Christus.

Een mens kan alleen uit louter genade om des bloeds van Christus wil zalig worden om niet. Tot zover loopt alles ogenschijnlijk in de pas met de Reformatie.

Je zou ogenschijnlijk immers zeggen: een nieuw-testamentische leer van de Verbondsbediening door God de Heilge Geest. (zoals u weet leert de God de Heilige Geest 4 Verbondsbedieningen namelijk van Adam tot Abraham de particuliere Verbondsbediening door God de Heilge Geest, van Abraham tot Mozes de patriarchale Verbondsbediening door God de Heilge Geest, van Mozes tot Christus de Nationale Verbondsbediening door God de Heilge Geest en na Christus de nieuwtestamentische Verbondsbediening door God de Heilge Geest.

In de voortschrijding van de tijd heeft God de Heilige Geest als instrument een steeds verdergaande en een steeds helderder wordende Verbondsbediening gebruikt, waarbij steeds, wanneer er een nieuw tijdperk – van particulier naar patriarchaal, naar nationaal, naar uiteindelijk nieuwtestamentisch – aanbrak, de oudere Verbondsbediening en haar Zaligmakende Kracht kwam te vervallen (zie de Bijbel hierover in de Hebreeënbrief en ook Witsius en Luther hieronder).

Dit betekent dat: konden de oud-testamentische vaderen zalig worden door een profetisch gelovend gezicht op de komende Messias, nú, in de nieuwtestamentische Verbondsbediening door God de Heilige Geest, nú dat de vervulling reeds hééft plaatsgevonden kan dat niet meer omdat dié Adventperiode in dié Adventvorm is afgesloten!

Dáárom verwerpen wij, als het goed is, de zogenaamde moderne twee-wegenleer: namelijk Eén noodzakelijke Weg voor de Christen namelijk Jezus Christus als De Weg, en….. daarnaast ook – in een uitziende weg naar de Messias - een andere weg voor de Jood, want er is maar Eén naam gegeven onder de Hemel door welken wij moeten zalig worden!

Ik zeg met nadruk: ogenschijnlijk lijkt alles in de pas te lopen met de Reformatie! Want…… wanneer men op zeer schrome en tere wijze probeert te stamelen dat je, je doodschuldigheid, alles bedorvenheid en verlorenheid inlevende, het leven in eigen hand niet meer kon houden (dus de schuld voorop), maar….. nochtans desniettegenstaande vanuit de Beloften uit het Woord vervrijmoedigd mocht worden om de toevlucht te nemen tot die Beloften (op een wijze zoals de Bijbel, Calvijn en ook alle oudvaders de toeeigening leren), dan begint de grote trammelant!

In “liefde” wordt dan aanvankelijk gezegd dat God zó niet werkt! God vindt een schuldige zondaar niet omhangen met Beloften wordt er dan gezegd!

De bevindelijke “adventsgangen” in een gewrongen en onbijbelse Heilsorde met een oud-testamentische Adventsverwachting echter zelfs ontdaan van iedere aanmoediging tot Christus worden hem/haar dan voorgehouden.

Met de “wens” of de Heere zich op die wijze ook nog maar eens in je ziel mocht openbaren, want dat we ons anders voor eeuwig bedriegen!

Want het klaarste bewijs dat je je tot op heden bedriegt, is wel het feit dat je nu al over Beloften en over Jezus spreekt! Immers Jezus is toch de meest verborgen persoon die ooit bestaan heeft?

Het begint toch niet met Jezus?

We zullen er eerst eens buitenzet moeten worden willen we er ooit door genade eens ingezet worden! We zullen eerst eens een verloren zondaar moeten worden!

De geestelijke keurmeesters kunnen echter die vernederende “gangen” helaas uit hetgeen je verklaart nog niet opluisteren en dringen aan op diep zelfonderzoek zoals de Schrift ook zegt: onderzoekt uwzelven nauw, ja zééééér nauw! Het gaat immers op een eeuwigheid aan en je hebt maar 1 ziel te verliezen.

Vaak wordt nog het advies gegeven: lees maar eens grondig de bevindelijk-schriftuurlijke gangen die ds. A. Moerkerken heeft geschreven.

Een knappe man of vrouw die na zo.n hartgrondige afkeuring nog iets durft te zeggen.

En…….. voor de Beloften en voor Jezus moet eerst plaats voor worden gemaakt in de weg van bekering! Jezus kan toch niet in een beestenstal komen!

God verspilt zijn genade toch niet?

We zullen eerst (dus voorwaardelijk voorafgaand) in een vernederingsweg en vanuit ons leven moeten bewijzen dat we aller zonde vijand zijn, zo wordt gezegd!

Niet alleen intentionaliter, maar daadwerkelijk!

Zij, deze geestelijke keurmeesters, hebben namelijk Erskine nog nooit begrepen over: de kracht der zonde is de Wet; zij lezen immers veel liever syllogistische lectuur waarbij men van hun gemis hun bezit weet te maken en waarbij ze in hun gemis worden aangesproken met: Volk).

Dit doet mij tevens veel denken aan hetgeen Dr. Van der Sluijs in zijn laatste boek schrijft: het is in de ger. Gezindte veelal de rechtvaardiging van de vrome mens geworden in plaats van de goddeloze!

Wanneer men echter door Gods Geest op grond van de Schrift, de drie formulieren van enigheid, de belijdenis van de Reformatie al wat standvastiger is mogen worden en men volhard openlijk én ten opzichte van anderen in hetgeen in Galaten 2, 3: 5, 10, 11, 12, 13, 18, 21b (leest u die s.v.p. eens na) is geschreven door God de Heilige Geest (!), dan is de kans op stille censuur bepaald niet denkbeeldig!

Durft men echter zelfs iets daarover aan het papier toe te vertrouwen, dan………., of men nu ds. R. Kok heet of Prof. Dr. Ir. Blauwendraad of Dr. K. van der Zwaag , dan moet Barbertje bij voorbaat hangen! Ongeacht de inhoud van het geschrevene, want de geestelijk keurmeesters hebben niet eens van node daar ook maar enigszins kennis van te nemen want zij missen bij de in hun ogen brutale opstelling van betrokkene: oetmoed, oetmoed, oetmoed. Ook het hartelijk buigen wordt zo gemist!

Principevraag:

Kunt u, lezer, mij nu aangeven wat het wezenlijke en practicale verschil is tussen de Orthodoxe Jood die alléén het oude testament heeft en dus buitenom Jezus Christus denkt zalig te kunnen worden vanuit de Wet en een profetisch gezicht op de komende Messias, en de gereformeerde gemeentemens die formeel wel het nieuwe testament heeft maar tegen wie materieel en leerstellig wordt gezegd dat Jezus Christus de meest verborgen persoon is en dat we naar Zijn inwendige komst in het hart (dus niet vanuit het vertrouwend geloven vanuit Het WOORD op de Gekomene en Zijn Volbrachte Hogepriesterlijke Werk) moeten uitzien?

De Jood is dan nog beter af, want hij gelooft dat hij nog steeds op profetische wijze, op het profetische ambt van de komende Christus/Messias kan zalig worden!

Maar de Ger. Gem.-mens zit met een geweldig geestelijk en psychologisch probleem.

Hij/zij leeft in 2 werelden! Omdat hij/zij af en toe, al dan niet door de Geest gewerkt, in de Schrift en de drie formulieren en enigheid en de oudvaders wel eens iets mag zien gloren van de Christus wat zijn/haar ziel gaande maakt, maar………… waarvan hem/haar steeds wordt ingehamerd: pas op hoor(!) dat je niets steelt(!), want bij de dood moet je alles wat je steelt weer teruggeven!

Dat is hét grote dilemma!

Enerzijds: in het nieuwe testament te lezen dat het voorhangsel gescheurd is en de toegang tot God door Christus voor heidenen, goddelozen vrij is en dat er nu een nieuwtestamentische Verbondsbediening door God de Heilge Geest is en………… anderzijds: steeds met “ernst”en “liefde” en met tranen bewogen te moeten horen:

“Zolang je de Christus nog niet geschonken is in je hart, dan niets aannemen!

Och, Volk ik bid het u, ga toch niet de zelfverlossingsweg op door zomaar Beloften te omhelzen die je niet in een eerlijke weg eerst in je hart geschonken zijn, de hel ligt immers al bezaaid met al die verbondskinderen die roemden en prezen in zomaar gegrepen Beloften en wat is het toch slecht met hen uitgekomen, ik heb u daar niet voor over; blijf maar liggen Volk aan die poort, want zelfs bij het naderen van de dood zal Hij volkomen uitkomst geven. Houdt maar moed”!

Hoort u het zoet gefluit van de vogelaar voor deze hongerigen en dorstigen?

Rust geven waar God niet rust(!) (namelijk alleen in het offer (als Priester) van Zijn Zoon), de schenking in het Woord en het Goddelijk bevel om daarop te vertrouwen ontkrachtend door naar het innerlijk van jezelf te verwijzen en in misleiderswoorden zeggen: afwachten (met zo’n afwachtende poortwachter begon ook Dr. K. van der Zwaag immers zijn inleiding), blijf maar liggen voor die poort, het komt op het einde wel goed, ja volkomen uitkomst. Gods Woord zegt echter niet: later, of blijf maar (afwachtend) liggen, maar zegt: HEDEN zo gij Mijn stem hoort.

Men maakt van het synoniem van het Geloof (dat is immers Vertrouwen door de Kracht van God de Heilige Geest Zelf gewerkt) en ook van de Autoriteit van Gods Evangeliebeloften waarop dit Geloof zich grond een nieuw en eigen synoniem (het theologisch eigene van de Ger. Gem.?) ; namelijk:

Zomaar!

Zomaar de Beloften aangenomen, zomaar zondaar geworden voor God, zomaar een zicht op Jezus, zomaar aangaan aan het Avondmaal enz. enz. U zegt misschien: maar nu zeg je het zelf dat het hongerigen en dorstigen zijn en spreekt Jezus deze Zelf niet zalig? Nee! Want in de Ger. Gem. zijn het hongerigen en dorstigen nog buiten de kennis van Christus.

· Hongeren en dorsten zonder kennis van Christus zijn voorafgaande daden, geen geloofsdaden. De eigenlijke geloofsdaad wordt namelijk niet met hongeren en dorsten, maar met eten en drinken aangeduid (Joh. 6:51-54).

· Hongeren en dorsten naar Christus als geloofsdaden vloeien voort uit het verlangen opnieuw verzadigd te worden (Ps. 63:2-3).

In de huidige ger. gem. prediking wordt steeds weer terugverwezen naar een het Geloof voorafgaande bekeringseis volgens het Dr. Steenblokmodel en een oud-testamentische Adventverwachting met de leerstellig ingepompte angst voor een (wellicht stelend) zicht op Christus! En stelen doe je altijd als er eerst in je hart geen plaats gemaakt is voor Hem. En dat plaats maken doet de Heilige Geest nu door de Wet in een eerlijke weg in een totale, totale ontgronding die zover moet komen, mijne geliefden, wordt er dan gezegd, nee wij willen geen trap, maat of diepte stellen want daar is God geheel vrij in, maar (in één adem) dat de mens zijn eigen doemvonnis vrijwillig ondertekent en uitroept: Uw vonnis is gans rechtvaardig.

En – zegt de duivel – je weet wel dat je op die plaats nog lang niet bent!

Jij werkt zelf nog op behoud aan en - wil het wél en echt zijn- dan werkt God juist op verlies aan! Je moet niet over Jezus denken en praten zolang je niet genoeg vernederd bent en je een geschikt en voor Hem plaatsgemaakt voorwerp bent!

Want: God wil alleen vrijwilligers en zolang je dat niet bent, zolang je niet hartelijk de zonde en de wereld een scheidbrief hebt gegeven dan ken je nog niets van dat plaatsmakende werk! Je mag wel eens dieper graven in jezelf, bedrieg je toch niet!!

Of – zegt de duivel – ik weet het nog veel beter: om af te komen van die verschrikkelijke verleiding om toch buitenom rechtsgronden de zaligheid te willen binnenglippen en zomaar allerlei Beloften aan te nemen, die je niet eerst geschonken zijn en zomaar je vertrouwen op de Heere Jezus te stellen, zonder dat je nu eens echt, echt zondaar geworden bent en plat voor de Heere neergevallen bent, dan moet je eerst zorgen dat je met al je vromigheid eens een echte zondaar wordt. Je moet de zonde maar eens hartelijk indrinken en je als een beest uitleven, ja zo erg dat je als het ware door je overmatige zonde als vanzelf aan Jezus voeten geslagen wordt.

Dan kun je in der waarheid en echtheid tot God over je zonde schreien en loop je in ieder geval niet het risico dat je wat gemoedelijkheid en een traantje houdt voor waarachtig berouw en denkt dat het in een opgaande weg wel in orde komt.

Hier zien wij zoals Erskine zo breed uit de doeken doet: de kracht der zonde, dat is de Wet! De duivel is het echt om het even of hij de Wet of het evangelie, welke van zijn kracht beroofd is, moet gebruiken om een mens naar de afgrond te trekken.

Als Jezus als Redder er maar buiten blijft! De duivel geeft er niet om al lezen we desnoods dag en nacht in de beste GBS-bijbel, zolang je de ingepompte “waarheid” maar blijft vasthouden: de Beloften: NIET VOOR JOU! Wel de kaft, maar…….: niet de inhoud!

Ho, ho wordt er dan gezegd: denk erom in de jaren tachtig hebben we op deze moeilijkheid wat gevonden als Ger.Gem.: er zijn voor de onbekeerden weliswaar geen enkele verbondsbeloftes, maar er zijn wel voorwaardelijke evangeliebeloften. Mijn korte vraag: Zijn deze door de Ger.Gem. “uitgevonden” “voorwaardelijke evangeliebeloften” alle BLOEDLOZE BELOFTEN; dus losstaand van Christus bloed? Erskine leerde: alle beloften zijn doordrengt van Christus bloed, en worden ons allen (in de schenking in het Woord) obligatoir aangeboden. Door geloofsaanname worden de obligatoire beloften gericht aan en tot allen, alleen de aannemers (een verdacht woord in de Ger. Gem. maar wél Bijbels) tot een recht van bezit!

Hier zit het zwakke scharnier! De huidige ger.gem. kent in de levendmaking/wedergeboorte géén geloofsaanname door de Beloften te geloven! Dit is het vreselijke gevolg van het temporeel scheiden van de Habitus en Actus! Men weet vanwege die temporele scheiding het geloven ook geen plaats te geven! De Bijbelse woorden: “aannemen” en “geloven” zijn uitermate zéér verdachte woorden die in ger. gem. –optiek zonder pardon gelijk staan met doortrapt Remonstrantisme.

Intussen slinger je maar heen en weer: enerzijds hoor of lees je Christus liefdevolle stem: mijn zoon, mijn dochter geeft Mij uw hart, O alle gij einden der aarde wendt u naar Mij toe en wordt behouden, hoe lang weegt gijlieden geld uit voor hetgeen niet verzadigen kan enz. enz. en anderzijds die leer, o die vreselijke leer:

a. Christus moet eerst in je hart geschonken worden; het Woord is slechts een historisch geloof een gesloten boek voor ons verduisterd verstand; wie zal ten hemel opklimmen?

b. Beloften zijn alleen voor de uitverkorenen, niet voor jou;

c. Voor het evangelie en evangeliebeloften moet eerst (door de Heilige Geest vanuit de Wet) plaats worden gemaakt in de weg van zeer, zeer diepe zielsvernedering; hoe diep weet niemand;

d. De uitverkorenen hebben immers van ganser harte, ook qua begeerten, met de zonden gebroken en zolang je dat niet kunt gelden de Beloften jou zeker niet

Je loopt geestelijk en psychisch helemaal muurvast, maar dat moet ook, wordt er gezegd. Mocht u maar eens helemaal totaal vastlopen en in de put komen, want dan, en dan alleen komt pas die echte harteschreeuw: geef mij Jezus of ik sterf, buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf. De noodzakelijke doordringendheid van deze harteschreeuw wordt bijna zo voorgesteld alsof God dáárdoor bewogen moet worden; in plaats van dat geleerd wordt dat God in-Zich-Zelf bewogen is geweest.

Maar……… je ervaart het zoals ds. G.H. Kersten aan het eind van zondag 2 stelt: in de kennis der ellende ligt noch grond, noch hoop! Je voelt wel (als het nu toch over zomaar gaat) dat je op grond van zomaar alleen ellendekennis niet zomaar syllogistisch mag concluderen dat er wel een “beginsel” in je ligt! Maar ja dat zei ds. G.H. Kersten en die leeft al lang niet meer en de huidige leider ds. A. Moerkerken vindt de beleefde ellendekennis het zuiverste bewijs van genade(!). Voelt u welk een grensverlegging er op alle fronten heeft plaatsgevonden binnen de gereformeerde gemeenten? Nee, wordt er gezegd, het behoeft als grond niet langs de rand van de hel te gaan, maar het zal – als het goed ligt – zo wel gaan in eigen waarneming. Eerst een hellevaart alvorens ooit een hemelvaart.

De enige “ademtocht” die men dan op eigen verantwoording op syllogistische wijze uit deze “troost” meent te trekken is dat je in al je gemis toch maar door de dominee, de dienaar van de Heere Zelf, als Volk wordt betiteld en dan maar in alle ootmoed verder biddend afwachten wat de Heere nog eens zal doen.

Daarbij geheel voorbijgaand wat Hij op Golgotha reeds gedaan heeft!

Maar….. dat heeft Hij immers alleen gedaan ten behoeve van Zijn Volk; en dat ben je niet, want je bent nog niet (voorafgaand vereist) bekeerd en op de juiste plek (je doemvonnis ondertekenend) terechtgekomen; dus zal Jezus alleen maar je oordeel verzwaren!

Maar nu de onderwerpelijke, de bevindelijke kant: inhoudelijk wordt het kerkvolk in de onderwerpelijke/bevindelijke “gangen” teruggeworpen op een oud-testamentische/oud-Joodse adventverwachting die zelfs qua gebruikname geheel ontdaan is van de kennis van Christus!

Hooguit een Profetisch gezicht op de nog in de –uitziende- ziel te openbaren Christus, waarbij – zo wordt er dan gezegd door ds. A. Moerkerken – de weg van de Borg ook de weg van de Kerk wordt. En dat is geen brede snelweg maar een kruip- en bedelweg.

Immers - zo wordt er gezegd- er is geen verborgener persoon dan Christus en men laat dit vooral slaan op het Priesterlijke ambt van Christus!

Het moet dus alles ordelijk-bevindelijk in de ziel worden ingeleefd: Advent, Kerstmis, goede vrijdag, Pasen (daar wordt Christus priesterlijk werk pas toegepast), Hemelvaart, Pinksteren.

En bij iedere nieuwe weldaad gaat men eerst weer steeds opnieuw geestelijk de dood in.

Hoewel ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek nog vlamde tegen een onbewuste wedergeboorte, momenteel wordt deze openlijk door ds. A. Moerkerken beschreven en gedoceerd! Leerde ds. G.H. Kersten nog voluit dat niet alleen de Actus maar ook de Habitus van het geloof instrumenteel tot stand komt, namelijk door het horen van het evangelie! ds. A. Moerkerken leert echter: zaligmakende overtuigingen uit de Wet (dus de Wet, door de Heilige Geest gebruikt, maakt zalig) zulks in lijnrechte tegenspraak met wat de Bijbel schrijft in o.a.: Galaten 2, 3: 5, 10, 11, 12, 13, 18, 21b (leest u die s.v.p. eens na). Ook Calvijn in zijn institutie verfoeit dit!

Ook leert de huidige ger.gem. in haar systeem dat het geloof zich als eerste richt op het profetische ambt van Christus. Dit past namelijk beter in het oud-Joodse, half Roomse-systeem van Heilsordelijke Heilsfeitenherhaling in de ziel.

Witsius, Grondstukken van het Algemene Christelijke Geloof, blz. 12-13: “Men moet ook de tijden onderscheiden. En daar is geen twijfel aan of nu het Evangelie der vervulling verkondigd is, zijn meerdere dingen nodig te weten ter zaligheid en is ook een meer ontvouwen kennis vereist dan onder de huishouding van het Oude Testament. Want het is billijk en betamelijk dat na de mate der openbaring ook de wetenschap en de noodzakelijkheid der kennis vermeerder zou worden. Onder de huishouding van het Oude Testament, ja, als Christus op aarde verkeerde, kon iemand een waar gelovige en in de staat der genade zijn, die onkundig was van Christus’ lijden, dood en opstanding, ja, die als Christus die dingen verkondigde, Hem tegensprak, zoals blijkt in het voorbeeld van Petrus (Matth. 16:21-22). En die in Christus wel in het algemeen gelovende, echter niet wist dat Jezus de Christus was, gelijk openbaar is uit de historie van Cornelius de Hoofdman (hand. 10L2, 4). Echter, zo ik meen, zoude niemand heden zo iemand voor waar gelovige erkennen, die deze dingen van de Heere Jezus niet zou weten: nog minder indien hij deze als ze Hem zouden worden verklaard, zou tegenspreken. Wel heeft Thomas Aquinas gezegd: “De geloofsartikelen zijn bij gevolg van tijd aangewassen, niet wel zoveel het geloof aangaat, als wel wat aangaat de ontvouwen en uitgedrukte belijdenis; want die dingen welke van de nakomelingen uitdrukkelijk en onder meerder getal gelooft zijn, alle diezelfde zijn van de voorgaande oude Vaderen impliciet en onder minder getal geloofd.”

Luther schrijft in zijn commentaar op de brief aan de Galaten o.a.: men moet goed onderscheid maken tussen een nog komende Christus (in het oude testament) en tussen een gekomen Christus die alles heeft volbracht. Hij zegt: wie nu nog gelooft in een nog komende Christus (oftewel in een uitziende weg in een soort inwendige Heilsordelijke-Heilsfeitenherhaling naar Christus) die gelooft in een totaal andere God!

Doordat ds. A. Moerkerken de zogenaamde “standenleer” op noemer/formule heeft gebracht en er in bijna in iedere preek op de onderstaande vierschaarsleer wordt aangewerkt is dit dus het kernpunt in deze “standenleer.

Wat zogenaamd bedoeld zou zijn om de “kleintjes in de genade” ook erbij te betrekken is ontaard in het met stokken slaan, buiten-separeren en door de onbijbelse prediking in de wanhoop brengen en leidt uiteindelijk tot complete Godslastering!

Wanneer ik hieronder dus spreek over de vierschaarsleer dan bedoel ik steeds dié onbijbelse uitwas die zegt dat iemand een kind van God kan zijn, in Christus begrepen kan zijn, van het wettische verbond te zijn overgegaan naar het Genadeverbond maar………..toch nog niet vrijgesproken zou zijn van schuld en straf en bovendien: …nog altijd liggend onder de vloek en de toorn van de wet!

Het bedrieglijke van de voorvechters van deze onbijbelse leer is dat wanneer men hen wat in het nauw gaat brengen door hen op het vreemde en onbijbelse van die voor Gods kind openstaande-schuldleer te wijzen, dat zij zich terugtrekken op de formele leerregels van de toegerekende gerechtigheid van Christus; die zij echter inhoudelijk/bevindelijk juist allesoverheersend en censurerend bestrijden!

Zij zeggen dan prompt als uitvlucht: “ja maar die rechtvaardiging is er wél van Gods-kant bezien, maar niet van ‘s mensen kant bezien”.

Men zegt eigenlijk: kijk van Gods-kant ligt die zondaar vanaf de wedergeboorte/levendmaking voor tijd en eeuwigheid voor rekening van Christus en ziet de Vader op grond van het inzijn in Christus geen overtreding meer in die mens, maar………….. nu moet die mens geoefend worden in een nadere weg van sterven en daartoe is deze nadere oefening, deze gerichtsafhandeling nodig.

U moet er eigenlijk dan gelijk bovenop vragen: als het dan van Gods-kant bezien “vlak en reeds gerechtvaardigd ligt”, waarom is er dan, juist van Gods zijde uit, nog sprake van een zgn. open en een nog niet vergeven schuld? Waarom dan alsnog rechtvaardiging in deze vierschaar? Waarom dan een door God als Rechter (dus van Gods-kant) uitgesproken doemvonnis? Vergeven is dan toch immers werkelijk vergeven? Het opeisen van de zgn. openstaande schuld gaat dan toch JUIST van Gods kant uit?

Wanneer de “nadere oefeningen” vanuit de embryonale leer van Comrie een bewustwording zou zijn (Kuyper die zich eveneens op Comrie beriep) van wat men reeds in Christus heeft en zoals ds. A. Moerkerken met eveneens een (zeer selectief) beroep op Comrie zegt: een klein kind heeft wel alles in zich en is volledig kind, is een volledig erfgenaam en een heer van alles, maar………..is onder voogden geplaatst, dan zou zo’n “nadere oefening” eigenlijk juist moeten slaan op een opwas in de genade en NIET op een doemvonnis! Immers wanneer het slechts om een (verdere) bewustwording/nadere oefeningen van het kindschap zou gaan dan valt dit kind, als kind zijnde, van Gods kant toch niet nog volop onder de toorn en de vloek? Waar kunnen wij dat in de Bijbel lezen? Komt dit kind Gods voor wie de vloek door en in Christus is weggenomen toch niet onder een door God de Rechter (dus van Gods kant) uitgesproken doemvonnis!

Als hypothese de juistheid dezer ervaring echter voorstellende, dan is mijn vraag: roept die zondaar zichzelf voor dit gericht? Brengt die zondaar zichzelf in een “hogere en nadere oefening”? Gaat dat van die zondaar uit? Roept die zondaar als het ware tegen God: komt laat ons tezamen richten? Nee toch!

Maar……… als het dan wél God-de Rechter zou zijn die Zelf de Vierschaarsgerichtsoproep naar die zondaar doet uitgaan, als het dan wel God-de Rechter is, Die de kwitering van Christus en in Hem de vergeving van al de Zijnen NEGEERT, kan men dan nóg volhouden dat deze leer niet meebrengt dat het nog immer onder de vloek en toorn vallen van Gods kind (ondanks het inzijn in Christus) JUIST van Gods-kant is?

Wat is het in deze kruispuntenleer met als hoofdkruispunt de “ rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie” vreemd aandoend voor een heilzoekende ziel als je geregeld moet aanhoren dat het Leven NIET met Jezus begint, terwijl je in de Dordtse Leerregels zo duidelijk leest: gelijk het God beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking van het Evangelie in ons te beginnen, DL 5,14.

Let u vooral op het woord: beginnen!

Waar komt dan de veel onder ons haast ingeburgerd gehoorde uitdrukking vandaan: hét (en met hét bedoelt men dan hét leven) begint niet met Jezus hoor, als er in bijna dezelfde zin door dezelfde persoon wordt gezegd: buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf?

Het ware levendmakende geloof (vertrouwen) werkt de Heilige Geest in het hart door het Evangelie, antw. 21 HC en niet per gratia infusa (onmiddellijke en onbewuste instorting) want dat is een Roomse vinding!

Het komt van de Heilige Geest, Die het in onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie, antw. 65 HC. Deze samenhang wordt ook beleden in de voortgang van het werk van de Geest. De verzekerdheid van de verkiezing spruit uit het geloof aan de Beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft, DL 5,10.

Daarom moet de Belofte alle volken en mensen verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof, DL 2,5.

Dus een predikant spreekt onbijbelse taal wanneer hij de Hemelse Advocaat, aan wie door God de Vader alle macht gegeven is – dus ook, zegt Erskine, de macht om gericht te houden, de macht om vrij te spreken en de macht om zonden te vergeven – toch prakticaal een lagere plaats toebedeelt dan de Vader! Evenals wanneer hij degenen die door wedergeboorte in het genadeverbond zijn ingegaan toch – zo lang zij op de “verdere weg” de vrijspraak in de vierschaar nog niet hebben ontvangen – alsnog laat vallen onder de vloek en de toorn der wet. Terwijl wedergeboorte/het in Christus zijn toch zeer zeker inhoudt dat wij juist van de vloek en de toorn der wet/het oude verbond zijn verlost en door wederbarende genade zijn overgegaan naar het genadeverbond.

Onbijbelse krachttaal, want als je deze niet in Gods woord voorkomende en nimmer tot jaloers­heid strekkende ervaring in twijfel trekt wordt er al gauw gezegd: "heeft er jammer genoeg geen kennis aan zoals je merkt, het zit een voet te hoog, alleen beschouwing, totaal verhard, zit dicht tegen de zonde tegen de Heilige Geest, want hij noemt het werk des Geestes duivelswerk", hij zit er dus helaas helemaal naast!

Men moet echter banger zijn voor de bedreigingen staande in het slot van Openbaringen 22 (wie iets toevoegt) dan voor dit soort kringbeschermende bedreigingen.

Vooral als je ziet wat deze leer uitwerkt, die zogenaamd bedoeld zou zijn om de “kleinen in de Genade” niet te kort te doen: schrikkelijke verwarring!


Onbijbels en de Drie-eenheidsleer uit elkaar scheurend is de uitdrukking van een van de voormannen onzer kring (Ds. A. Moerkerken in de Saambinder en nu ook in zijn catechismusverklaring: "het is in dit gericht in de ziel van de zondaar net zo als bij een gewone Rechtbank: de advocaat mag pleiten wat hij wil; de vrijspraak geschiedt door de Rechter".

Ik wijs u er in dit verband op wat Erskine in zijn preek over: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien zegt, namelijk: dat reeds de Farizeeën tegen Jezus zeiden: wie kan de zonden vergeven dan alleen God? Wat verschilt dit gezegde van die Farizeeën van hetgeen ds. A. Moerkerken zegt?

Erskine merkt dan terecht op dat het hier een rechtstreekse loochening was van de Godheid van Christus! Waarvan akte!

Wie echter God de Vader niet ziet in Christus, die heeft ook nog nooit Christus met geloofsogen gezien! Ieder verlangen om God directer te kennen dan in Christus is ongeloof en zonde! Al de Godheid woont lichamelijk in Christus.

Hier vindt dus een diskwalificatie plaats van de Hemelse Advocaat, te weten: NIET GELIJK aan Zijn Vader.

Verhoogd aan ,s-Vaders rechterhand maar hier in deze zogenaamde daadwerkelijke gerichtshandeling weer in een knechtelijke, ondergeschikte positie!

Van dit daadwerkelijke zegt Ds. C. Harinck in een interview in het RD d.d. 8 september 1999 op pagina 2: Ds. Harinck constateerde echter in de gezelschappen het ontstaan van een werkelijke (daadwerkelijke) vierschaarbeleving waarin visionair de partijen van rechter, aanklager enzovoorts gezien en gehoord werden. Wat een beeld en een illustratie was of uitgestrekt werd over de gehele bekeringsgang, werd nu samengeperst in één bijzondere vierschaarervaring. Ds. Harinck wees deze gedachte af als ONBIJBELS!

Alleen het geloof, als het vluchten van een boetvaardig zondaar tot de barmhartigheid Gods (Owen), maakt rechtvaardig voor God, aldus Ds. C. Harinck. De rechtvaardiging voor God door het geloof in Christus is een zegen die niet slechts aan enkelen behoort, maar aan iedere waar gelovige. Niet de kracht en de mate van ons Geloof, maar Christus aan Wie het geloof zich vastklemt, is bepalend voor ons behoud.

Ik verzoek de lezer echter om te lezen in het boek van Ambrosius: Het zien op Jezus, het vierde boek, vijfde deel hoofdstuk I paragraaf 6 op blz. 658 (uitgave Den Hertog):

Waarom zit Christus aan de rechterhand Gods, Zijns Vaders in heerlijkheid? Ik antwoord: 1. van Christus zijde, opdat Hij zoude ontvangen de macht en heerschappij over alle schepselen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde Matth. 28:18. Hij spreekt daarvan als gedaan, omdat zulks terstond zoude volbracht worden. Met het zitten aan de rechterhand Gods heeft Christus een heersende macht verkregen over alle schepselen!

Verder zegt Ambrosius in het vierde boek, zesde deel, paragraaf 9 op blz. 752 en 753: Het is buiten Gods macht ( ik spreek met nederigheid) Zijnen Zoon te weigeren in iets, dat Hij begeert. Indien de Heere somtijds tot Mozes geroepen heeft, gelijk iemand wiens handen vastgehouden zijn: Laat Mij toe Exod. 32:10, hoe veel te meer dan bindt Christus voorbidding Gods handen, en gebiedt deze alles in den hemel, op de aarde, en in de hel! Hierom zeggen wij, dat God de Vader Zichzelven van al Zijne macht ontdaan heeft, en de sleutels in Christus eigen handen gegeven: Ik leef, en ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods Openb. 1:18.

Daar gaat niemand naar de hel, of hij wordt daarin gesloten door Jezus Christus, en daar gaat niemand naar den hemel, of hij wordt daarin gelaten door Jezus. Christus heeft de sleutel van aller mensen eeuwigen staat hangende aan Zijnen eigen gordel. Als Hij maar zegt: Vader! Ik wil, dat deze man en deze vrouw het Koninkrijk der hemelen beërven, kan de Vader niet anders dan daar wederom op antwoorden: Mijn Zoon! Ik heb geen macht om Uw verzoek te weigeren, Gij hebt de sleutels des hemels in uwe eigen handen; het geschiede gelijk Gij wilt.

Einde citaat Ambrosius.


Wat toch een totaal andere Bijbelse geest ademt er van de oudvaders - nu ook weer Ambrosius - uit in vergelijking met hetgeen Ds. A. Moerkerken zegt: De advocaat mag pleiten zoveel Hij wil, de Rechter spreekt vrij. Ook Wilhelmus a Brakel schrijft in zijn Redelijke Godsdienst als het gaat over den staat van Christus verhoging in deel I (uitgave De Banier) op blz. 549 op dezelfde wijze als Ambrosius onder andere over de tekst Matth. 28: 18! Leest u dit zelf maar na! Hij (Brakel) zegt o.a.: Hij is een erfgenaam van alles................... om ze naar zijn wil te gebruiken.

Wanneer we lezen hoe Brakel op blz. 548 uiteenzet hoe wij de verheerlijkten Jezus als God dienen te beschouwen in wien al de volheid der Godheid lichamelijk woont dan wordt je daar stil van! Het drie-enig Wezen alles uitsluitend in handen gelegd van Jezus! Hij (de Vader) van wien alle dingen zijn, wil uitsluitend door Zijn Zoon rechtspreken en de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader en de Zoon wordt genoemd de Geest van Christus.

Leest u zelf maar even na in de bijbelverklaring van Dächsel bij Openb. 1 : 18 waarin ook duidelijk wordt verklaard dat de sleutels ziet op het hebben van absolute macht.

Wat ook hier bij Dachsel zeer breedvoerig wordt verklaard, is heel wat anders dan een onderge­schikte positie van Jezus aan Zijn Vader!

Wat toch een totaal andere taal dan die van een gerenommeerde dominee van de Ger. Gem. (niet Ds. Moerkerken) die bij de behandeling van de tekst waarin Jezus zegt: Zoon, uw zonden zijn u vergeven, zei dat dit rechtstreeks vergeven door Jezus een uitzondering is maar dat het normaal is dat de Rechter de zonden vergeeft.

Dus gewoon keihard, lijnrecht tegen Gods Woord in!

Laten we echter Gods onfeilbaar Woord spreken:

Een macht van oordeel en gericht: Joh 5 : 26,27: Want gelijk de Vader het leven heeft, in zich zelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Hem zelven. En Hij heeft Hem macht gegeven ook gerichte te houden, omdat Hij des mensen Zoon is

Hij heeft macht om de schuldigen te rechtvaardigen, en om de zonde te vergeven aan wien Hij wil, Matth. 9: 6: Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde, de zonden te vergeven enz.

Indien de Vorst des vredes deze macht gehad heeft, in den staat der vernedering, in de diepte van Zijne armoede, wie zal dan twijfelen aan Zijne macht, nu Hij tot de hoogste heerlijkheid verheven, en ook door en tot Gods rechterhand verhoogd is, tot een Vorst en Zaligmaker, tot ditzelfde einde, om aan Israël te geven bekering en vergeving der zonden, Hand. 5: 31.

Matth. 11: 27: Alle dingen zijn Mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon, dan de Vader; noch niemand kent den Vader, dan de Zoon en dien het den Zoon wil openbaren. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard, Joh. 1: 18.

Joh. 8 : 36: Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn

Vrij van den vloek der wet; vrij van de toorn Gods; vrij van de macht der zonde en van de slavernij des Satans.

Openb. 1 : 8: Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komen zal, de Almachtige


Joh. 5 : 21: De Zoon maakt levend, die Hij wil.

Openb. 1 : 18: En die leef, en Ik ben dood geweest; en ziet, Ik ben levend in alle eeuwig­heid, amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.

De sleutels te hebben, geeft macht te kennen; want het is een spreekwijze, genomen van overwinnaars, die, wanneer zij enige steden innamen, de sleutels van dezelve ontvangen, tot een teken dat die steden nu onder hun gebied zijn. Christus heeft de sleutels der hel, en Hij kan daarheen zenden wien Hij wil, en daarvan verlossen wien Hij wil. Kortom, de macht der sleutelen is alleen Zijne, Openb. 3 : 17: Hij heeft den sleutel Davids, Hij sluit, en niemand opent, Hij opent, en niemand sluit.

Het heeft den Vader, Zoon en Heiligen Geest, éénen God in drie personen, behaagd, dat in Hem, den tweeden persoon, als den Middelaar God-mensch, al de volheid wonen zoude; ja al de volheid der Godheid lichamelijk, Kol. 1 : 19 en 2: 9; het behaagde den Vader, dat alle volheid zijner Godheid, het behaagde de Zoon dat al de volheid Zijner Godheid, en het heeft den Heiligen Geest behaagd, dat al de volheid Zijner Godheid in Christus wonen zouden; of het is het welbehagen geweest, van Vader, Zoon en Heiligen Geest, dat al de volheid der Godheid haar verblijf zoude hebben in den God-mensch Christus Jezus.

Matth. 11: 27: Het heeft den Vader behaagd, dat in Hem al de volheid wonen zoude en wederom, alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijnen Vader.

Zo heeft God alle macht aan Christus gegeven, even alsof Hij zich met niets bemoeien wilde; want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven Joh. 5: 22.

Joh. 5 : 27: Hem macht gegeven is ook gerichte te houden, omdat Hij des mensen Zoon is

Joh. 5 : 22: Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven, opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren, Die den Zoon niet eert. eert den Vader niet, die Hem gezonden heeft.

Joh. 17 : 2:Gelijkerwijs Gij Hem gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve

Aan wien geeft Hij nu het eeuwige leven?

Aan zovelen, als Hij wil, Kap. 5 : 21: Zoo maakt ook de Zoon levend, die Hij wil

Hebr. 7: 25: Waarom Hij ook volkomenlijk kan zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

Joh. 5 : 26,27: Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven; 27: En heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is.

Joh. 17:2: Gelijkerwijze Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.


Kol. 1:20: En dat Hij door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen die op de aarde zijn, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.

Hand. 5 : 31: Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.

Exod. 34 : 7a: Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en zonde vergeeft;

Dus in dit voorgestelde geding gaat het niet alleen over de positie van de zondaar, maar bovenal over die van de reeds betaald hebbende en verhoogde Borg!

Wat een miskenning van het Volbrachte Werk van Christus en Diens – voor al Gods kinderen – toegerekende Gerechtigheid! Wat een verachten van hetgeen tussen de drie Goddelijke Personen werd overeengekomen in de Raad des Vredes en een Eenheid van uitvoering in dit plan!

Ja wat ook een gruwelijke aantasting van Christus verhoging!

En dat alles onder het mom van: ter ere Gods.

Wat weer een mystieke Heilsordelijke herhaling van de Heils­historie vanwege het tijdstip van deze opnieuw kwitering (over de gruwel van het dagelijks herhaalde misoffer der RK-priesters gesproken; vrg.+ antw. 80 HC). Immers ook dit effectieve vierschaarkwiteren, het effectief wederom toepassen van Christus verzoenend, schulduitdelgend Bloed geschiedt hier in deze vierschaarbeleving niet met een gelovend gezicht op het Volbrachte Werk, maar….. weer daadwerkelijk, opnieuw (zoals bij de Roomse mis een herhaalde tegenwoordigstelling); alsof de reeds (bij de wedergeboorte) toegerekende Gerechtigheid helemaal niet zou gelden!

Wie deze gedachtesprongen naar de Roomse-leer kan vatten, die vatte het.

Dezelfde gedachtesprongen naar de Roomse mis vindt u terug in Dächsel bij de commentaren op Hebreen 9 : 26. Het commentaar op Hebreen 10 : 29 geeft zelfs aan dat déze zonde één is met de zonde tegen de Heilige Geest!

Wat ook een verheerlijking van de nietige mens, die met die God – een Geest/De Almachtige, de Gans Andere die het ontoegankelijk Licht bewoont – zo vleselijk communiceert dat die mens, let nu goed op: ook boute taal zou gaan spreken!

Boute taal? Ja!

Want als de Borg in Getsemane nog uitriep: Vader indien het mogelijk is laat deze drinkbeker aan Mij voorbij gaan dan zien wij nota bene in dit filosofisch Rechtbanktafreel de zondaar nog gewilliger dan Gods Zoon niet alleen toevallend aan Gods Recht, maar nu ook omhelzende dit Recht en onder­gaand onder Gods Recht, totaal afgesneden van eigen leven (bijna opgehouden mens te zijn) uitroepen: "zijt Gij met mijn doem gediend, zoek Uw eer ik heb het verdiend". Zogenaamd de ere Gods liever hebbend dan hun eigen zaligheid.

Totaal boven het stof uit! Geen menselijke trek meer om behoud!

De Borg in Getsemane vertoonde nog menselijke trekken in Zijn bede, maar deze zondaar ziet geheel van zichzelf af.

Mag ik u een voorbeeld geven van iemand die zoiets openlijk schrijft in het Reformatorisch Dagblad d.d. 22 september 1999 bij opgemerkt, te weten K. Hollestelle, Dorpsstraat 122 te 1721 BN Broek op Langedijk. Ik citeer het stuk vanuit het RD:

“Hierbij een reactie op de verkorte versie van de lezing van ds. P. De Vries op de Haamstede-conferentie.

Er zijn wel degelijk kinderen van God die ervan leren afzien om de zaligheid te vragen. Die vergenoegd zijn met wat God doet; hetzij Hij zaligmaakt of verdoemt.

Het kan gebeuren dat God als rechter een doodsvonnis uitspreekt over een zondaar nadat deze diep zijn zonde zijn heeft ingeleefd. En dat de zondaar in de vierschaar van zijn geweten moet zeggen: Heere, het is recht.

Dan gebeurt het dat de Heere Jezus zo verborgen is dat de zondaar gaat zeggen: Heere, doe mij nu maar weg. Volvoer Uw vonnis, want mij nu nog te zaligen, zou Uw deugden krenken

(daar Jezus verborgen is). Zo gebeurt het dat een zondaar letterlijk Gods deugden liever krijgt dan zijn eigen zaligheid. Hij vraagt hier niet meer om genade (dat zou Gods deugden krenken) maar om recht. Hierin ligt geen wanhoop, maar een heerlijke vreugde. Dan een wachten op de volvoering van dat vonnis waarmee hij zich vergenoegt. Hier komt echter na kortere of langere tijd de Vader Zijn Zoon aan te wijzen als Degene Die in plaats van de zondaar stierf.

Vaak spreekt de Vader (niet de Zoon) de woorden uit Job 33: 24: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden

Zo krijgt een zondaar zijn leven terug op grond van het werk van de Middelaar.

Bestaansrecht waar geen bestaansrecht meer was. Eveneens na kortere of langere tijd volgt vaak de verzekering: Uw zonden zijn u vergeven.

De Heere blijft zo’n mens in het bijzonder oefenen in het liefhebben van ‘s Vaders deugden boven alles wat hier op aarde is.

Dan volgt de evangelische heiligmaking waar die mens altijd weer met droefheid (niet met schuld) uitkomt.

Uw vrucht is uit Mij gevonden. Wie zijn leven verliest om Mijnentwil, die zal hetzelve behouden (Matth. 16: 25)”.

Tot zover het citaat uit het RD d.d. 22-09-1999 van K. Hollestelle.

Dit citaat is helaas een standaardvoorbeeld van de uniforme beschrijvingen zoals die ook dikwijls door “onze” predikanten van de Ger. Gem. naar voren worden gebracht.

In zijn boek: “De toeleidende weg tot Christus” (uitgave september 2001 bij uitgeverij Groen te Heerenveen, ISBN 90-5829-210-x) schrijft ds. C. Harinck dat deze onchristelijke en onbijbelse leer voortkomt uit de Roomse mystiek en theologisch bekend staat onder de naam: Resignatio ad infernum.

Zij is in de middeleeuwen sterk gepropagandeerd door Jean de Labadie en betekent de totale prijsgave van eigen behoud, de volledige opheffing van alle zelfzucht en de bereidheid om het eeuwige helse oordeel met vreugde te dragen.

De eigen wil moet volledig verslonden worden in God, hetgeen pas plaats vindt op het moment wanneer het eigen behoud geen enkele rol meer speelt, men zijn ziel Gode wenst op te offeren en men “pasklaar is voort de hel”. Jean de Labadie is hevig bevochten door Wilhelmus a Brakel vanwege deze goddeloze leer.

Het is beslist noodzakelijk om dit overigens in zijn totaliteit uiterst goed beschreven boek ook hierop na te lezen! Onthullend en schokkend voor “onze bevinding” en voor het feit dat deze vierschaar/Labadie-leer nog volop door diverse predikanten binnen de ger. Gezindte en de ger. Gem. wordt gepreekt (o.a. ds. A. Moerkerken) zulks terwijl juist Erskine zeer duidelijk waarschuwt dat het een Godonterende leer is!

Het is inderdaad zeer sterk uitgedrukt! Maar ik heb er nog nimmer iemand bewogen van zien worden of een liefdestraan over zien storten.

Nog nooit heb ik gezien dat deze "gangen" iemand aanspraken, terwijl ik ze toch al vaker heb horen vertellen dan mij lief is.

Wel ruzies van wie de meeste toch wel is, omdat de een of ander het weer een fractie anders had beleefd en dan vanzelfsprekend in overtreffender trap. Of elkaar beleren dat het wel oneindig groot is wat God heeft gedaan, maar..........dat dit toch nog de Rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie nog niet is want dat dan..........enz. enz. enz.

Of weer een (op)drijven dat er nog veel meer te verkrijgen is.

Of heel vreemde mystieke verhalen aangehoord waarbij degene die het vertelde - na eerst met een snelle flitsende monsterende blik naar de toehoorders gekeken te hebben of het verant­woord was - in een “Heilig lachen” verviel en vertelde over hoe de duivel uit dit Gericht met zijn staart tussen de benen niet wist hoe snel hij er vandoor moest.

Hoe kan hier ooit ook maar een sprenkeltje werving van uit gaan?

Bovendien kan men wel stellen dat dit spreken van deze onbijbelse taal des zondaars tot ere Gods is, maar ik vraag u: is dit totaal geen zicht hebben op het Borgwerk van Christus, deze totale verloochening van hetgeen door de Borg is toegezegd, dit totaal geen aanspraak maken op "wiens snoer en wiens zegelring zijn deze" in dit geding is dit uit het Geloof of uit het ongeloof?

Is het hier: " al doodde mij de Heere, zo zou ik nochtans op Hem Hopen"!

Ik vraag u nogmaals is dit vanuit het Geloof of vanuit het onge­loof?

En indien wij dan toch moeten vermoeden dat dit vanuit het ongeloof is (want het Geloof drijft alle vrees buiten, God op Zijn Woord vattende) en indien het ongeloof gezegd wordt zonde te zijn, is dit zonder geloof zeggen van die zondaar: " zijt Gij met mijn doem gediend, zoek uw eer ik heb het verdiend" dan werkelijk zo ter ere Gods? Is dit een "hogere" oefening van het Geloof?

Let er toch op hoe weinig geur en smaak hier vanuit gaat. Let er op dat Gods Woord t.a.v. de wedergeboorte oneindig veelkleurig is en dat dit filosofisch tafereel vrijwel uniform is!


Het is toch ook al vreemd als zulke "hoge standen" die de wedergeboorte verre te boven gaan UITSLUITEND kunnen worden verklaard vanuit een visionair filoso­fisch juridisch kader, terwijl het uniform gekozen voorbeeld juridisch nog niet eens klopt en er in Gods Woord nergens over wordt gesproken?

God eist van de mens niet dat hij ontmenst wordt! Hij wil zelfs Zijn Beeld terug.

Welke vlammen der hel zulke predikanten u ook voor mogen houden: lees eens met ernst Joh. 3 : Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om haar te behouden!

Dat is anders dan de Resignatio ad infernum die overigens ook voorkomt in de Islamitische mystiek!

Als het echter over extremisme gaat: de Islam belooft haar martelaren die zich vrijwillig als zelfmoordenaar offeren een onmiddellijke ingang in het paradijs met 77 schitterende maagden. De Labadistische vierschaarbelever staat niets anders voor ogen dan de eeuwige hel en die moet hij “ter meerdere ere Gods” zelfs:……. met vreugde aanvaarden! Pas dan is de toets echt!

Vreemd en opmerkelijk is het ook dat deze vierschaarbeleving, wat toch eigenlijk altijd verklaard wordt in het kader van de uiteenzetting van zondag 23 in plaats van Geloof en de verzekering daarvan - waarop zondag 23 toch immers slaat als er zelfs gesteld wordt dat hoewel mij mijn consciëntie aanklaagt enz. ik nochtans ..........voor God rechtvaardig ben - deze zondaar juist geen enkel zicht meer heeft op het Geloof!

In dit vierschaargericht ontbreekt het nochtans van het Geloof!

Via inlegkunde kunnen allerlei geschiedenissen (zoals bijvoorbeeld Jozef in de verschillende beproevingen met zijn broers en ten slotte zijn bekendma­king aan hen) dierbaar worden verklaard, maar het is de vraag of wij historische feiten zo maar mogen projecteren naar een zogenaamde vier­schaarbeleving die in zijn juridisch voorbeeld zelfs al aan alle kanten ram­melt. Bovendien gaan wij dan personen (Jozef en zijn broers, Jacob bij Pniel, Ruth en Boaz in de poort enz.) vergelijken met God. En dat mag en kan niet, want God is met niemand te vergelijken en toornt schrikkelijk daarover indien zulks wel gebeurt.

Hoewel Ds. Kersten vanuit de vooronderstelling van de juistheid van de vierschaarbeleving door de "geoefenden in den lande" zijn visie heeft weergegeven t.a.v. de rechtvaar­digmaking en daardoor e.e.a. nogal heeft moeten "wringen" om het in een dogmatisch kader te krijgen wat hem mijns inzien niet is gelukt zegt deze toch nog in zijn dogmatiek II blz.193:

" Mitsdien kunnen degenen, die gerechtvaardigd zijn (en uit het geheel blijkt dat hij daar de wedergeboorterechtvaardiging mee bedoelt) die gerecht­vaardigd zijn, nimmer terugvallen in den staat des toorns. Bovendien zijn zij tengevolge van die toegerekende (dus hij zegt niet: onderwerpelijk met in de vierschaar bewustheid beleefde) gerechtigheid vrijgemaakt van hun verbintenis aan de wet, die haar verdoemende kracht verloren heeft. God handelt dan ook nimmermeer rechterlijk met Zijn met Hem verzoend volk en in de vierschaar Gods kan tegen de uitverkorenen geen beschuldiging worden ingebracht".

Zie ook zijn verwijsteksten die overeenkomen met hetgeen ik in dit schrijven beweer!

Ik geef toe dat Ds. G.H.Kersten, toen hij heel sterk onder invloed van Dr. Steenblok kwam weer anders heeft gesproken.

Maar vele van zijn volgelingen (eigenlijk Steenblokianen) doen hier weer een schepje bovenop!

Zij (de latere predikanten) laten in deze vierschaarbeleving de zondaar nog volop onder de vloek en toorn Gods vallen bij de Rechter vanuit de opeisbare Wet en ONVERGEVEN en nog OPENSTAANDE schuld bij God.

(In heel de theologische wereld wereldwijd snapt men daar - terecht - NIETS van)!


Zij zijn in tegenstelling tot de oudvaders de grote robuuste hoofdlijn van Gods Massieve Reddingsplan kwijt en vervallen daardoor tot uiterst gede­tailleerde maar wel onschriftuurlijke subjectie­ve "ondervindingen".

Nu het geval bezien van een andere zijde:

De vierschaarbeleving wordt verondersteld een "nadere oefening" te zijn.

Het is dus geen " beginnende " die zulks beleeft. Het wordt gesteld beleefd te worden door reeds wedergeborenen, zij die dus een staatsverwisseling hebben ondergaan. Weliswaar levend uit de vrucht maar toch een erfgenaam en heer van alles, maar........ nog onder voogden geplaatst.

Nu kan men toch niet stellen dat men wedergeboren/levendgemaakt kan zijn buiten om Christus en diens volkomen gerechtigheid ook……… al zou dit zelfs voor de betrokkene onbewust zijn.

De gedagvaarde is dus reeds in Christus begrepen! Behoort tot het Koninkrijk van Christus!

Ja………. van Gods kant wordt er dan gezegd máár nog niet van de kant van de zondaar!

Nu als van Gods kant de zaak dan in orde is, verzoend is, doordat Hij die zondaar niet meer in zichzelf ziet maar in Christus dan gaat met eerbied gesproken Gods de Vader juist van Zijn kant dan toch geen vierschaarrechtbankoproep doen aan die zondaar door te zeggen: “komt laat ons tesamen richten?”

NU DE FEITEN: Ten aanzien van deze gerichtshandeling wil ik in de eerste plaats opmerken dat God Zich feitelijk uitsluitend openbaart in Zijn Zoon! Niemand heeft ooit God gezien! Daarom noemt Hij Zich o.a. : de Onzienlijke.

Deze Zoon (de Borg) gaat Zich, zoals men zegt, in dit Rechtsgeding nu verbergen achter het Recht Zijns Vaders.

Dus voor de zondaar is Christus in dit geding niet voorhanden.

De zondaar staat daar, opgeroepen door God striktelijk (!), naakt, voor een vertoornd, onbevredigd Rechter zoals men zegt.

Nu dat Christus er dus niet is in dit geding staat de zondaar daar dus voor God zonder Christus.

En………. God zonder Christus is een verterend vuur en een eeuwige gloed Deut. 4:24 en Hebr. 12:29.

Dus de zondaar staat daar nu - nu dat Christus zich verbergt - voor een volstrekt God die niet alleen een verterend vuur is en een eeuwige gloed maar Die vlg. 1 Tim, 6:16 alleen onsterfe­lijkheid heeft, en een ontoegan­kelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welke zij eer en eeuwige kracht. Amen.

En van Wie in Joh. 1:18 staat: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggebo­ren Zoon, Die in den schoot des Vaders is heeft Hem ons verklaard".

En in Exodus 34:20 zegt de Heere: "Hij zeide verder: Gij Zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien en leven!".


Ik citeer Ds. G.H. Kersten: " Die kennis is mogelijk omdat God Zich openbaarde in de natuur en in de Heilige Schrift, maar God is niet te begrijpen, alleen te aanbidden. Uit de Heilige Schrift zelve, die de bijzondere openbaring Gods is, is dus klaar, dat de mens tot het Wezen Gods niet doordringen kan! Alleen wat God van Zichzelf meedeelde, kan de mens van Hem weten en alleen dan nog maar met ware kennis, als de Heilige Geest het verduisterd verstand verlicht". Einde citaat ds. Kersten.

Even tussendoor: Ik heb eens gehoord van iemand bij wie de bliksem was ingeslagen dat alle apparaten in zijn huis kapot waren. Ook de apparaten die niet aangesloten waren op het elektrisch!

Hij zei van deze bliksem gaat zo’n ontzettende inductie uit dat deze apparaten hoewel niet eens aangesloten door deze inductie kapot slaan!

Als nu het weerlicht nog maar een zwakke afschaduwing is, eigenlijk de schaduw van het ONTOEGANKELIJK licht hetwelk door God wordt bewoond, zou deze zondaar in dit vierschaargericht zonder Christus het dan zo maar uithouden en communiceren met de EEUWIGE?

Neen hij zou door de INDUCTIE VAN GODS MAJESTEIT verteerd worden!

Ja maar je moet dit geestelijk zien, wordt er dan gezegd, als men voelt dat het wat gaat "wringen". Ja juist daarom, want God is een Geest met Wie buiten Christus niet gecommuniceerd kan worden tenzij we VERDAMPEN , maar kan alleen aangebeden worden .Ieder spreken van God met de mens in de Bijbel was altijd in Christus!

Mozes op de berg - in Christus - had zoveel heerlijkheid Gods gezien, dat toen hij terug kwam van de berg en Gods tegenwoordigheid er niet meer was zijn aangezicht zelfs moest bedekken vanwege dit Majestueuze gezicht dat de kinderen Israëls hem niet konden aanzien!

Wij dienen grote moeite te hebben met deze IK-gerichte ervaringen waarbij termen vallen als bijvoor­beeld: " toen nam de Vader mij op in Zijn armen" of "ik zei tegen God: al zou U me voor eeuwig in de hel storten dan zou ik U nog rechtvaardig noemen en Uw toorn moeten billijken", “zijt Gij met mijn doem gediend, zoek Uw eer ik heb het verdiend”, en dergelij­ke dingen meer. En dat alles wordt door deze zondaar op dat moment buiten Christus gesproken tegen een volstrekt God!

De voordracht der "vreemde onschriftuurlijke zaken" is naar mijn smaak grotelijks ter onere Gods.

En nu geef ik grif toe dat ik zaken misschien wat chargeer en niet op een al te tere wijze naar voren breng, maar…….. zou een ander, al was het alleen maar op grond van de hierboven­genoemde bijbelteksten, zich misschien ook iets kunnen matigen?

Laat een ieder die de vierschaarbeleving op zo’n wijze propagandeert (die uiteindelijk nergens in Gods Woord terug te vinden is, dan alleen door gewrongen inlegkunde en een incomplete voorstelling van een rechtbankzitting) en die soms zaken zo voorstelt alsof het in dit gericht een bijna lijfelijk omarmen is van de Eeuwige, zich toch alstublieft wat kunnen matigen. Vooral als zij daarbij een houding aannemen, alsof zij de klaarste wijnen schonken!

Wij zijn maar mensje en God de Eeuwige kan niet gezien worden of we moeten ster­ven, dus laten we geen intimiteiten voorstel­len boven de Schrift waarbij we hoofdzakelijk zelf nog in het middelpunt staan! Want als je goed luistert, draait alles in dit vier­schaargericht immers om het IK! Om de hoge stand!

Neen……. Gods eer wordt bedoeld, kermt men dan nog!

Gods eer bedoeld?

Door de in Christus begrepenen geheel buitenom iedere vorm van geloof en vertrouwen hun hellevaart te laten onderteke­nen in tegenwoordigheid van Hem DIE HET ONTOEGANKELIJK LICHT BEWOONT?

En moet het kerkvolk daar, op deze volslagen afwezigheid van alle in zondag 7 bedoelde zaken, op het allerdiepste diepste dieptepunt, het Geloofsnulpunt, wat eigenlijk, ondanks dat mij mijn consciëntie aanklaagt, het nochtans (zondag 23) van het Geloof moest zijn, nu jaloers worden?

Door die God, van Wie wij toch geloven dat Hij ALS VADER de oorzaak is van de TREKKING der ziel, waarvan wij geleerd hebben dat Hij alle zonden van Zijn kinderen om Christus wil achter Zich heeft geworpen nu alsnog VERANDERT in een vertoornd RECHTER!

En bovendien………… de zondaar spreekt hier geen Geloofstaal (want dat zou nog ter ere Gods kunnen zijn, zoals bij Job, die zei: ik zal uit dit mijn vlees God aanschouwen) maar openbaart zich hier als geheel zonder Christus, zonder enige hoop op Christus, buiten het Geloof in Christus als FATALISTISCH ONDERGAAND.

En op deze fatalistische vette woorden sprekende reactie van de zondaar zou God de ONVERANDERLIJKE EN CHRISTUS Zich nu als bij toverslag weer VERANDE­REN! Want denk erom God is één in Wezen! Hij - ook Christus - is een GEEST!

Hoe duidelijk leert ons Gods Woord dat God de Almachtige onveranderlijk is.

Athanasius en Augustinus hebben tegenover het heidendom met zijn wispelturige goden, wier gedrag altijd onberekenbaar was, tegenover het gnosticisme in zijn diverse vormen en tegenover allerlei ketterse opvattingen met grote nadruk staande gehouden, dat God niet verandert.

In de oude leer van de onveranderlijkheid van God (immutabilitas Dei) ontdekken we een bijbels element: God is de Betrouwbare; de onveranderlijke!

Het is zeer nuttig om te lezen wat Prof. Dr. Velema over deze onveranderlijkheid van God zegt in zijn Beknopte gereformeerde dogmatiek blz. 172 e.v.:

In de vaak voorgestelde vierschaarbeleving volgt de verandering in Gods gezindheid tegenover die desbetreffende zondaar zelfs op de reactie van de zondaar. Het massieve in God: Zijn onveranderlijke trouw, de objectief Betrouwbare verandert hier door subjectieve niet in Gods Woord voorkomende bevindingen waarbij de reeds in Christus begrepenen in de weg van nadere oefeningen eerst weer onder de volle toorn Gods vallen (als kind van God zijnde; als in Christus begrepen zijnde) en na de hellevaartaccoordering des zondaars als bij toverslag weer verandert in een liefrijk Vader!


De op deze volledig door de zondaar geaccordeerde en bijna in werkelijk­heid ter-helleda­ling volgende invrijheidstelling moge dan misschien voor de desbetreffende een schielijke verande­ring van gemoed geven, het is echter een blijd­schap waar in verhouding tot de zaak nauwelijks gewag van wordt gemaakt!.

Het vertrouwen in God door derden wordt door deze voor­stelling echter zwaar beschadigd. Te weten de tere zielen die dit met ontzetting aanhoren dat God op zaken terugkomt, veranderlijk is, onbetrouw­baar is in zijn kwitantie, de Borg terzijde stelt, boven de Borg staat, zaken niet achter Zich heeft geworpen, wel een bedekte schuld maar nog geen vergeven schuld en wanneer deze schuld wel vergeven wordt in de vierschaar dan wel een bevredigd Rechter maar nog geen liefderijk Vader omdat dat weer een andere nadere weldaad is enz. enz.

In bevindelijk vakjargon heet het echter: de zondaar die aanvankelijk was afgesneden van de zonde (ik houd het liever met Kohlbrugge: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde), wordt in de totaal ontledigende weg als een uitgeschudde zondaar thans afgesneden van eigen leven! De dadelijkheid van dit Godsgericht en het ondergaan in helwaardigheid wordt schijnbaar niet zo dadelijk beleefd dan men uitgepraat is!

Men gaat nu onder de noemer van Gods-deugden-liever-krijgen-dan-de-eigen- zaligheid God voorhouden wat men in de hel zal gaan doen te weten: God eeuwig rechtvaardig verklaren!

Het ontbreekt er nog net aan - nu dat het toch over boute taal spreken gaat en men schijnbaar in opperste superlatieven wil spreken - dat ze niet zeggen: dat de eeuwigheid te kort zal zijn om in de hel Zijn deugden uit te jubelen.

Maar het trieste is altijd dat als jij, die het vreemd vindt dat zulke zaken niet in de Schrift staan en vindt dat dit onderdeel toch wel super overbelicht wordt EN DAN ALLEMAAL VANUIT EEN VOORBEELD , DUS NIET VANUIT DE SCHRIFT ZELF daar iets van zegt dan breken haast alle duivels los, want dat mag je niet zeggen en het feit dat je er wat van zegt staat haast gelijk met Godslastering of loochening, in ieder geval met een totale onkunde van de weg die God met Zijn volk houdt enz., maar de ander die deze beleving voorstaat mag ALLES zeggen!

Tot de mystiekste tonelen toe! Want als je zegt dat de duivel schuw met de staart tussen de benen snel afdroop, dan ben je toch bezig met gezelschapstoneel!

Mijn bezwaar richt zich hoofdzakelijk op het feit dat de aanhangers de zaken zo voorstel­len alsof het Gods geopenbaarde Woord zou betreffen en als je dit niet gelooft je een afvallige van het ware geloof bent!

Dat noem ik een bevinding die de Schrift overrulet!

Want dan kom je op een punt zoals broeder Blaauwendraad inderdaad terecht opmerkt: Al kan je deze mensen overtuigen dat het tegen Gods Woord is, dan zeggen ze ijskoud: dat kan wel zijn MAAR GODS VOLK LEERT HET ANDERS!

Dus zeg ik, we leven teveel in een "Gods-volk-cultuurtje"! Volk dit en Volk dat in plaats van: Zo zegt de HEERE!

Maar nu weer terzake.

Gods onkreukbare Rechtvaardigheid eist dat er voor de zonde geen tweemaal betaald behoeft te worden, eenmaal door Christus en eenmaal door de zondaar, maar slechts eenmaal! Of door de zondaar, of door Christus!

En hieruit volgt noodzakelijkerwijs ook niet tweemaal een rechtmatige opeising!

Het gaat toch niet aan dat betaalde zaken nog eens worden opgeëist wil men niet in een SCHIJNHANDELING terechtkomen! Het was toch, zoals men beweert, een dadelijk rechtsgeding?

Dus waar geen betaling meer behoeft, is een tweede opeising mis­plaatst.

Zelfs al zou dit alleen als doel hebben dit kind te "oefenen".

Want dit "oefenen" van dit kind houdt een grove belediging in van Sions Betalende Borg omdat niet in de eerste plaats het kind zijn zonden hier in het geding zijn maar de betrouw­baarheid van Gods KWITANTIE aan Zijn Zoon!

Christus hoeft Zich niet steeds t.o.v. Zijn Vader per geval als betalende Zich te openbaren! Eenmaal in het jaar 33 op goede vrijdag is met één offeran­de alles volkomen betaald. Op paasmorgen in het jaar 33 de FINALE KOSMOS- KWITANTIE!

In ieder geval is Gods deugd van rechtvaardigheid voor al degenen die door God zelf zijn wedergebo­ren (de groten en de kleinen) in Jezus Christus volkomen betaald en zijn zij gerecht­vaardigd in Hem. In ieder geval in de wedergeboorte, bij de staatsverwisseling! Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. En die Mij gezien heeft, heeft de Vader Gezien. Die Mij hoort, hoort de Vader. Ik en de Vader zijn Eén!

Niet uit elkaar gescheurd! Niet gedeeld! Niet ongelijk! Geen tegenstrijdige belangen! Geen superieure Rechter!

Let op welke tegenstrijdigheden er nu gebeuren in het vierschaartafereel.

Let wel: dit is niet spottend, maar beproevend of de geesten uit God zijn!

Nu gaat God met Zijn blijkbaar nog niet gebluste toorn tegen de zonde betreffende deze persoon het in de ziel van deze wedergeborene (levendge­maakte) en dus voor tijd en eeuwigheid op grond van Christus verdienste voor rekening van Christus liggende zondaar het a.h.w. nog eens op een ZEER vreselijke wijze over­doen met Zijn vlammende gerechtig­heid!

Niet als Vader, maar als Rechter!

En zulks daadwerkelijk!

Het zogenaamde oefeningsdoel doet aan deze tegenstrijdigheden niets af.

Er wordt gezegd: alle door de werking des Heiligen Geestes door het Geloof omhelsde Beloften vallen in dat Gericht weg! Iedere pleitgrond valt weg. Christus bedekking valt zelfs weg!


Christus (de Borg) die al lang op Golgotha ook voor deze zondaar heeft betaald en hiervoor op paasmorgen totaal is gekwiteerd moet zich thans verbergen achter het Recht Zijns Vaders.

De Vader gaat nu immers “grote zaken doen” (vandaar die uitdrukking dat ze nog voor de “grote zaak” staan) en dan moet de Zoon (als mindere hier voorgesteld) achter Hem wijken.

En daar staat de zondaar, de in Christus begrepene(!) dan.

Naakt, en op duizend vragen maar één antwoord: rechtvaardig, eeuwig rechtvaardig; zulks nog te vermeerderen en uit te breiden met Labadistische krachttaal!

Wat hier ook allemaal verder van zij: één ding is duidelijk: de Rechter gaat hier dus blijkbaar toch helaas over tot ONRECHT door alsnog tweemaal betaling eisen, en………… de hitte van Gods toorn en gramschap moet hier, ondanks de formele-leer van toegerekende Gerechtigheid vanwege het door wedergeboorte inzijn in Christus, kennelijk toch nog worden geblust. Vraag: gaat het bij zo’n openstaande schuldleer en 2 x betalingsopeising dan van Gods-kant uit of niet?

Men leert dan ondertussen inhoudelijk/bevindelijk wél dat men (door wedergeboorte) kan inzijn in Christus, maar (nog) niet (door toerekening) begrepen zijn in Zijn aangebrachte Priesterlijke Gerechtigheid!

Die Gerechtigheid zou immers nog moeten worden toegepast in de Vierschaar!

Pas dáár zou het Bloed van Christus daadwerkelijk worden gestreken aan de bovendorpel en zijposten van het hart, zodat de verderfengel moet voorbijgaan! Dit gaat zelfs verder dan de Roomse dwaling!

Maar……. als men wel aanvoelt dat ze, door te leren dat men wél ingelijfd in Christus tegelijkertijd toch niét in zijn Priesterlijk Gerechtigheid begrepen zou zijn, er zo leerstellig tuttifrutti van maken en nolens volens alsnog als uitvlucht gauw stellen dat deze, zich in dit Vierschaarsgericht als ongebluste toorn Gods manifesterende volstrekte Gerechtig­heid wél reeds, van Gods kant , door de toegerekende Gerechtigheid in Christus geblust was, dan zijn er 2 mogelijkheden.

Met beide mogelijkheden lopen ze, omdat dat ze van een onrechtmatige 2e opeising uitgaan, echter muurvast! Te weten:

1e: Ofwel: het betreft alleen een “oefening”

In dit geval stelt men deze vierschaarbeleving practicaal voor als een sinister Goddelijk toneelspel!

Als een SCHIJNPROCES of SCHIJNHANDE­LING, een net doen alsof-oefening.

.

Ik geef een menselijk voorbeeld!

Zoals een onbedachtzame moeder soms een bangmaakspelletje speelt door weg te kruipen zodat haar kind haar kwijt is en dan dit kind griezelend laten sidderen door iemand anders voor boze man of bullebak te laten spelen. En als dat kind dan totaal overstuur en in paniek raakt tegen hem/haar zeggen: toe kind je weet toch dat je moeder altijd aan je denkt en je niet zomaar alleen laat en dat het allemaal goed is Het was toch maar een grapje? Het was toch niet echt?

Menige moeder is op deze bangmakende manier voor jaren haar vertrouwen kwijtgeraakt.

En dat is waar o.a. dit geschrift ook mede op neer komt: de vierschaarbeleving te prediken is een AANTASTING van het VERTROUWEN IN GOD en Zijn Betrouwbaar­heid !

Een essentiële aantasting van de Drie-Eénheidsleer en de Gelijkwaardigheid in deze Eénheid (als er gezegd wordt in o.a. de Saambinder: de advocaat mag dan wel pleiten, maar de Rechter spreekt vrij! (zie ook de Saambinder van 15 mei 2003 waar dit nog weer eens wordt gesteld).

Nu te denken dat God/Christus zo’n (oefenings)spel (dus bang- en benauwdmakend en net doen alsóf de wederopeising echt is, terwijl dit nooit zou kunnen) met zijn kinderen zou moeten spelen om hun verder te “oefenen in de opwas der Genade” door nota bene een SCHIJNPROCES, EEN SCHIJNHANDELING van wegkruipertje en bullebak te spelen is ongerijmd! Goddeloos!

Ik moet opmerken dat het zo schrijven over God mij zeer bezwaard, maar het is de weeromstui­tende reactie op de ONBIJBELSE inlegkundige voorstelling van zaken in de vierschaarbeleving door verschillende predikanten die dit helaas wel zo stellen!

2e: Dan wel: het is een daadwerkelijk proces waaraan eeuwig wel of eeuwig wee daadwerkelijk verbonden is.


Door echter dit “Gericht” als DAADWERKELIJK voor te stellen worden de Goddelijke personaliteiten door de ONTERECHTE tweede opeising beledigd!

En let nu goed op!

Als dit vierschaargericht DAADWERKELIJK is in de ziel en dus geen Goddelijke SCHIJNPROCES is, heeft dit zoals ik reeds stelde dit hevige leerconsequenties!

Immers er wordt bijna altijd wel alle nadruk op gelegd hoe die zondaar het in dat gericht ervaart maar…….. dat is eigenlijk slechts bijzaak als men ziet wat hier werkelijk beweerd wordt te gebeuren.

De leer van de Eénheid in de Drieheid en de Drieheid in de Eénheid wordt hier essentieel aangetast!

Immers: deze zondaar die geoefend moet worden is geen beginnend Christen nietwaar? Dus lag die reeds in de Levendmaking voor tijd en eeuwigheid voor rekening van Christus betalend Borgwerk!

Of dit nu bewust of onbewust is of alleen van Gods kant doet totaal niet terzake.

Nu kan met eerbied gesproken de Rechter wel zelfstandig buitenom het Verdrag met Christus willen richten, maar in de zogenaam­de dagvaarding des zondaars moet toch een wettige en gegronde TENLASTELEGGING ten grondslag liggen?

Het is toch geen blote oproep om eens voor de Rechtbank te verschijnen?

Een rechtbankoproep zonder tenlastelegging houdt toch niets in!

En als God nu zo rechtvaardig is dat Hij géén tweemaal betaling eist voor de zonden en dus ook niet tweemaal kan opeisen (zo is er dan geen verdoe­menis voor degenen die in Christus Jezus zijn en Christus heeft met één offerande enz..), waarop zou de Rechter dan iets TEN LASTE kunnen leggen of nog grond hebben tot wederopeising alsof deze betaling er nog niet zou zijn!

Opeising, dagvaarding, tenlastelegging, terechtstelling, aandringen op betaling is toch geheel mis­plaatst als er reeds betaald is?

En deze misplaatsing is dan nog niet in de eerste plaats t.o.v. de zondaar maar toch veel meer t.o.v. degene die heeft betaald een grove belediging?

Ja een schrikkelijke belediging, want we waren immers tot de conclusie gekomen dat het hier niet om een schijnhandeling, een spelletje of een grapje ging maar over een - zoals men zegt - daadwerkelijk in de ziel plaats hebbende gerichtsoefening waaraan op dat moment – zoals men beweert - eeuwig wel of eeuwig wee hangt.

Als ik in het natuurlijke leven borg voor iemands schulden ben geworden (of die man daar nu het bewustzijn van heeft of niet, of hij daar nu van geniet of niet) en ik heb wettig betaald dan is het toch misselijk makend als ik zie dat de schuldenaar voor wie ik met mijn bloed heb betaald opnieuw door de oorspronkelijke schuldeiser wordt aange­sproken alsof er nog niets zou zijn betaald.

Maar nog veel bizarrer is het als er gezegd wordt tegen HEM die ALLES betaald heeft (het Volbrachte Werk): U kan als advocaat wel pleiten, maar Ik als Rechter (en boven U staand) neem bij nader inzicht geen genoegen -zoals we wel afge­sproken waren- met de totaalkwitantie, de FINALE KWIJ­TING in het jaar 33 maar bepaal per geval, per individu iedere keer opnieuw, nadat Ik deze persoon heb "geoefend" of deze betaling/offer voor die persoon rechtsgeldig is!

En dit offer qua kwitering hier opnieuw door Mij tegenwoordig gesteld en daadkrachtig verklaart zijnde (toegepast) (zie vergelijking met de steeds herhaalde onbloedige tegenwoordigstelling in het Roomse misoffer en wat Calvijn daarvan zegt) doe Ik (de Rechter) pas op die datum, op dat tijdstip de vrij­spraak voor een schuld die qua algemene verwerving* inderdaad reeds betaald was maar die nu tegenwoordig gesteld toegepast wordt door betalingsaanvaarding/kwitering per individueel geval en individueel tijdstip door de Rechter!

Dit is een regelrechte Roomse (!) aantas­ting van Christus VERHOGING zoals het misoffer ook een aantasting daarvan is!


· De verwerving van Christus wordt in deze leer zo opgevat dat zij daarmee God de Rechter een rechtsgrond geeft om een zondaar in de vierschaar der consciëntie op rechtsgronden vrij te kúnnen spreken. De eigenlijke individuele vrijspraak van degenen die ook na ontvangen wedergeboorte nog steeds onder de vloek, toorn en schuld der wet liggen(!) en dit (soms) zelf als een bedekte schuld ervaren, wordt echter pas in dit dodelijkst tijdsgewricht van Gods afrekenend Recht op grond van Christus Priesterlijk werk toegepast en pas dan is er (voor degenen die reeds in Christus waren) sprake van een uit de Hand des Rechters ontvangen schuldovernemende Borg!

· Inderdaad uit de hand des Rechters, want het kindschap is immers een nog nadere Vaderlijke daad en is de weldaad van Pinksteren. LET OP: door deze voorstelling leert men echter wel dat we dóór en op grond van Jezus Christus zalig worden, maar…………NIET dat wij IN Jezus Christus zalig worden. Want de weg van de Borg is de weg van de kerk. Vandaar dat de vrijspraak van Christus op paasmorgen nog geen impliciete vrijspraak is van de zondaar! Dit houdt bij verdere doordenking ook verband met het SUPRA-lapsarisch standpunt dat God de uitverkorenen reeds had uitverkoren vóórdat er sprake was van zonde en van een Borg.

Ik citeer hier letterlijk paragraaf 100 van de geleerde Coccejus uit zijn uit het Latijn vertaalde werk: De leer van het Verbond en het Testament van God:

"Christus moet niet gezien worden als degene, die altijd in de staat der vernedering is, die altijd lijdt en dikwijls sterft. Al deze nederige en moeitevolle gehoorzaamheid lag voor korte tijd op Hem en wel zolang als de dagen Zijn vleses duurden, Ps. 8:6; Hebr. 2:7 en 8; 5:7 en 7:27. Ook heeft de dood Hem niet kunnen vasthouden

- ten eerste, omdat het Verbond der werken eiste, dat een ieder, die daaraan onderworpen is, als loon der gehoorzaamheid, met name die gehoor­zaamheid, die onder moeite, ellende en lijden betracht is, blijdschap en heerlijkheid zou wegdragen, Jes. 53:8-12; Phil. 2:9; Hebr. 2:9; 9 en 10; 12:2. Dit stemt overeen met de gerechtigheid van Gods oordeel, waaruit ook volgt het openbaar worden van de openbaring van Christus ten jongste dage zonder zonde, tot behoud van degenen die Hem verwachten, Hebr. 9:27 en 28. Het eenmaal voltrokken oordeel kan niet meer herhaald worden, noch in Christus, noch in de verlosten. Op de jongste dag zal Christus gehoorzaam­heid lof en loon oogsten, die de uitverkorenen zullen genieten in dezelfde mate als zij voor hun zonden gestraft behoorden te worden.

- ten tweede, omdat de Wet geen gehoorzaamheid tot voldoening en geen verdienste eiste, die zich verder zou uitstrekken dan de dood en die daarom de waarde had, dat zij als prijs, rantsoen en offerande van een goede reuk en verzoening aanvaard kon worden. Want een dergelijke dood rechtvaardigt van de zonde, Rom. 6:7. Wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde, en dus zijn wij in de dood van Christus aan de Wet gestorven en de Wet aan ons, Rom. 7:1, 4 en 6.

- ten derde omdat noch de eer van de Zoon, noch de gerechtigheid voor ons verworven, verduisterd kunnen worden”.

Einde citaat Coccejus

Hier in dit vierschaargericht wordt een nieuwe en steeds per zondaar herhaal­de discrepantie in de Goddelijke personaliteit geleerd!

Historisch verhoogd aan ‘s-Vaders rechterhand, maar per zondaar die gerechtvaardigd wordt in de vierschaar der conscientie, weer vernederd tot een knechtelij­ke, niet aan de Vader gelijke advocaat.

Hij, de Rechter, komt in deze leer zeer onbetrouwbaar op de zaak terug! Haalt die weder op en de hitte van Gods gramschap moet hier nog worden geblust!

Hij heeft de zonde van die in Christus Jezus zijn (of die zondaar dit nu bewust weet of niet, of hij hier nu wel of niet van verzekerd is) niet achter Zich geworpen! Het was toch immers zoals men zegt een dadelijke gerichtsoefening en geen schijnhandeling of alleen maar "oefening"?

Het werkelijke eeuwig wel of eeuwig wee hangt hier toch zoals men zegt van af - dus dadelijk!

Niet onbetrouwbaar zeggen de predikanten, maar…… God de Vader had nog nooit gesproken tot die zondaar over vrijspraak en dat gebeurt NU in dat vier­schaargericht! Ziet u wel dat zij dit voorstellen als een dadelijk gericht waaraan op dat moment daadwerkelijk eeuwig wel of wee hangt!

Neen dat klopt dat de Rechter nog niet had gesproken, want God komt alleen tot ons in Zijn Zoon.


Hij spreekt sinds de val niet tot een mens buiten Christus (Erskine), alleen hierom kan dit hele Rechtbank­tafereel al niet.

Hij (God de Vader) is alleen in Christus aan ons geopenbaard.

Niemand heeft ooit God gezien, maar Zijn Zoon heeft Hem ons verklaard!

Verklaard?

Ja verklaard d.m.v. gelijkenissen mogen wij weten (zoals de op uitkijkt staande vader bij de jongste zoon) hoe het karakter Gods is!

Barmhartig en genadig is de Heere en groot van Goedertierenheid. Want Gods Goedertierenheid is in Eeuwigheid, want Gods Goedertierenheid is in Eeuwigheid, want Gods Goedertierenheid is in Eeuwigheid, want..........­..............................tot in Eeuwig­heid!

God is Liefde!

Ja…. máár ook Rechtvaardig haasten zich de ediktoedieners (zo noem niet ik ze, maar Richard Hill) om dit tere te vernietigen en te vertrappen.

Ja inderdaad! In Zijn Zoon! Daarin is alle (ondeelbare) toorn tegen de zonde geblust!

Nergens stelt God zich in Zijn Woord voor als degenen die op de zaken terug komt.

Luther heeft eens gesproken: O God bewaar mij voor een volstrekt God!

In dit oefenen der ziel neemt in die vierschaar nota bene ook zelfs de duivel nog een plaats in en neemt zitting in dit rechtsgeding!

Christus die nu gezeten is aan Gods rechterhand zou zich verbergen achter het Recht en de uit de Drie-eenheid losge­scheurde God de Vader/Rech­ter gaat nu zijn Kind die al toegerekend gerecht­vaardigd was en vrij van de wet als verbond door de loskoping van Christus nog eens het volle pond eisen en hem boven de hel houden!

God komt er met terzijdestelling van Christus nog eens ten volle op terug!

God de Vader wordt hier op een plastische wijze uit het totale Heilsplan God drie-enig gehaald als iemand die de zaak weder ophaalt!

Met terzijdestelling van Christus betaling een wrekend wraakvorderend opeisend God buiten Christus voor toch reeds in Christus begrepenen! Ra, Ra hoe kan dat?

Erskine wijst in zijn preek over de kracht der zonde; en hoe de wet derzelver kracht is over 1 Kor. 15:56: De kracht der zonde is de wet in deel IV van al de werken op blz. 397 t/m 399 op het grote gevaar dat een gelovige (de in Christus begrepenen) door zijne nieuwe zonden, gebracht wordt tot enen onderhevigheid of verbintenis aan de vastgestelde straf van de wet en het dreigement van de eeuwige dood. Hij zegt o.a.:

“Maar nu, indien de gelovigen, na hunne vereniging met Christus (in de wedergeboorte) door nieuwe zonden weder onderhevig worden aan de vastgestelde straf der wet, dat is, aan den eeuwigen dood, en aan den wraakvorderende toorn Gods, dan zijn zij wederom gebracht onder de vloek der wet, en dus ook onder de kracht der zonde, hetwelk het voornaamste deel is van dien vloek”

en blz. 399:

“ De gelovigen zijn niet onder de wet, als een verbond, om daardoor gerechtvaardigd of verdoemd te worden; indien zij door hunne nieuwe zonden gebracht werden onder de vloek der wet, dan zouden zij ook gebracht worden onder de macht der zonde, en de heersende kracht der verdorvenheid; en dan zouden zij niet gerechtvaardigd, niet geheiligd, en ook niet verlost zijn uit de staat der zonde en ellende.

Ziet dan, hoe gevaarlijk deze leer zij van der gelovigen onderhevigheid aan den vloek der wet; zij is strijdig met dit evangeliebeginsel, te weten, dat een gelovige bevrijd is van den toorn Gods, en van den vloek der zedelijke wet; zij is ook strijdig tegen de evangeliepraktijk eens gelovigen enz. enz. “

Verder zegt Erskine in zijn verhandeling over Gal. 4 : 28 (De zwangere belofte en hare vrucht in deel VII van Al de werken) inzake de tekst: “ Maar wij, broeders! Zijn kinderen der belofte, als Izak was”.

Blz. 105: En gelijk de vastheid eens gelovigen eeuwig leven, gegrond is op de gehoorzaamheid van Christus aan het gebod, zoo is ook zijne bevrijding van de wet; dus kán hij nu niet meer onder de bedreiging van den eeuwigen dood wezen, omdat hij kind der belofte is. Hoe vals is het dan niet, vast te stellen, dat een gelovige door zijne nieuwe zonden weder onderworpen wordt gemaakt aan den dood en aan de hel?

Wel is waar, zijne zonden verdienen wel den dood en de hel, maar zijn persoon kan daar nooit aan onderworpen worden, zoolang hij een kind der belofte is, welke hem bevestigd is door den eed Gods en het bloed van Christus. God heeft andere wegen, waardoor Hij zijne kinderen tuchtigt, dan dat Hij hen uit zijne familie zoude uitwerpen, of van kinderen der belofte tot kinderen des toorns stellen, gelijk zij van nature waren. O neen! Gelijk zij niet weder onder de verbeurte van het eeuwige leven vervallen kunnen, omdat de dadelijke gehoorzaamheid van Christus de belofte des levens voor hen bevestigd, zoo kunnen zij ook niet weder onderworpen worden aan den eeuwigen dood, de belofte van hunnen bevrijding daarvan bevestigd heeft; en “zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn” Rom. 8: 1.

Hen daar weder aan onderworpen te maken, dat zou ten enenmale de kracht van Christus dood en de waarheid van Gods belofte krachteloos maken. Mijne vrienden! Wij zijn er zo verre af van bevreesd of beschaamd te zijn, om deze waarheden te prediken (hoezeer zij ook door sommigen tegenstaan worden) dat wij dezelve aanzien, als een heilige schat, overwaardig, dat daarvoor gestreden worde, al ware het tot den bloede toe.

Blz. 178: Maar dat gij, o gelovigen! Gods eeuwigen toorn vreezen zoudt, even alsof Hij weder van u voldoening vorderen zou, die Hij ten volle ontvangen heeft van Christus, dat is een oneer, den Heere Jezus aangedaan, alsof Hij geen genoegzame offerande voor de zonde ware, als ook een oneer voor Gods rechtvaardigheid, door Hem onrechtvaardig te maken, alsof Hij meer voldoening vorderde, dan Hem toekwam; want, dewijl zijne rechtvaardigheid haren vollen eis door Christus ontvangen heeft, zo zou het onrechtvaardig zijn meer te vorderen.

(God de Vader is dus vlgs. de Moerkerkenleer zeer onrechtvaardig, omdat hij 2e betaling eist van de zondaar)

Blz. 215, 216: …maar om uit de verdienste van de zonde, een verbintenis tot de hel, of wat hetzelfde is, tot den wrekende toorn Gods te willen besluiten, dat zoude de eigen natuur van de vergeving der zonde geheel omver werpen en vernietigen, alzo dezelve de verbintenis tot straf en toorn geheel wegneemt. De inwendige verdienste der zonde vloeit uit de eigen natuur der zonde, en kan daar niet van afgescheiden worden, dewijl de verbintenis en de onderhevigheid aan de hel, uit de bedreiging der wet vloeit, welke ten volle op den Borg uitgevoerd is; derhalve zou dan de rechtvaardigheid Gods zelve onrechtvaardig zijn, om van een gelovige een andere voldoening te vorderen, en hem daartoe te verbinden; of om hem met toorn te bedreigen, schoon de bedreiging nooit zou worden uitgevoerd.

…., zoo stelt ook de toerekening van Christus voldoening en zijne lijdelijke gehoorzaamheid, niet alleen de uitkomst vast, dat hij niet naar de hel zal gaan, maar dezelve bevestigt ook zijne bevrijding van alle verbintenis tot dezelve. Hoe nu een gelovige, welke altijd het recht blijft behouden op het eeuwige leven, desniettegenstaande onderworpen zou kunnen gemaakt worden aan den eeuwigen dood, dat is iets dat ik (Erskine) niet geloof, dat mij iemand zal kunnen doen verstaan.

En of die zondaar nu zogenaamd geoefend moet worden doet totaal niet terzake. In deze voorstelling moet het accent niet liggen op het stof (de zondaar) maar op het feit dat het een belediging Gods is! Dus inderdaad: Godslasterlijk!

God tegen God en in Zichzelf verdeeld en wantrouwend! Niet van dezelfde gelijkheid waarover Athanasius spreekt!

Wat hier dus beweerd wordt te gebeuren: God beledigt God en kleineert God! Blijkbaar oorlog en onenigheid in de Hemel.

Gods Zoon die bloedig heeft betaald zou dulden en moeten ondergaan als gekwiteerde Borg dat Zijn met Zijn Heilig Bloed gekochten de helse verschrikkingen (want dat is toch immers God buiten Christus wraakvorde­rend, zoals Christus dit Zelf heeft ondervonden) alsnog moeten ondergaan en dan zonder Hem!


God de Vader als boos Rechter wordt in deze leer die zogenaamd voor de “kleintjes” is immers afgeschilderd als de vader van de verloren zoon die nadat hij hem aanvankelijk in zijn armen had ontvangen en gekust, later toch nog weer ongeblust en de heerlijke terug­ont­vangst in de grond trappend bij vernieuwing op de zonde terugkomt en van die verloren zoon nog eens het volle pond eist en hem zegt dat zijn zonden nog niet vergeven zijn! Men hoort dit bij veel van onze predikanten. Een voor de vierschaar nog altijd OPENSTAANDE SCHULD!

NOG NIET VERGEVEN door de Rechter! Alleen een bedekte schuld!

Wel onderhandelingen, maar geen afhandelingen. En bij afhandelingen nog geen verzekering! Want dat (de verzekering en verzegeling) zijn weer nadere weldaden. En indien men verzekerd mag worden, kan men toch "alles weer kwijt raken", wel niet statelijk, maar standelijk kan alles weer verduisterd raken.

Men geeft toe dat deze "hoge" belevingen zich niet in een hogere trap in de Hemel zullen voortzetten, maar dat iedereen, behalve de leraars, daar gelijk zal zijn in God.

Dus………: het gaat op zijn hóógst over tijdelijke geestelijke weldaden die nogal "veran­derlijk" kunnen zijn en wat velen totaal in de war brengt!

Een schrikkelijke afdinging op zondag 21 HC waarin staat dat zij NIMMER­MEER in het gerichte Gods zullen komen! NIMMERMEER!

Ook niet in de zogenaamde vervolg-vierschaarbeleving. NIMMERMEER IS NIMMERMEER!

Ik citeer hier ook een gedeelte uit Erskine deel IV blz. 398 en 399:

De gelovigen worden niet gerechtvaardigd op hun personeel goed, en ook niet voor onrecht­vaardig gesteld op hun personeel kwaad, maar hun dadelijk recht tot het leven, en hunne bevrijding van alle wettische verbintenis tot en onderhevigheid aan den dood (hetwelk de twee takken zijn van de rechtvaardigmaking) is gegrond op de dadelijke en lijdelijke gehoorzaam­heid van Christus aan hen toegerekend en door hen aangenomen; waardoor zij dan ook ontheven worden van alle schuld der wet; en schoon God gedurig aanhoudt de zonden dergenen te vergeven, die gerechtvaardigd zijn, en zij ook dagelijks zijne vergeving nodig hebben, als van een Vader, aan wiens vaderlijken toorn zij zich door hunne zonden bloot stellen, nog thans hebben zij met Hem, als een vertoornd rechter, niet meer te doen, ten ware in hunne ongelovige bevatting en wettische vrees, die dan ook hunne zonden zijn.

..........................., noch de sententie des doods ooit op nieuw over hem gebracht wordt; want, die gelooft heeft het eeuwige leven; en daar is ook geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.

Blz. 399: A De gelovigen zijn niet onder de wet, als een verbond, om daardoor gerechtvaar­digd of verdoemd te worden; indien zij door hun nieuwe zonden gebracht worden onder den vloek der wet, dan zouden zij ook gebracht worden onder de macht der zonde, en de heersende kracht der verdorvenheid; en dan zouden zij niet gerechtvaardigd, niet geheiligd en ook niet verlost zijn uit den staat der zonde en ellende. Ziet dan hoe gevaarlijk deze leer zij van der gelovigen onderhevigheid aan den vloek der wet; zij is strijdig met dit evangelie­beginsel, te weten, dat een gelovige bevrijd is van den toorn Gods, en van den vloek der zedelijke wet.


.................Zodat de leer, die ik hier bestrijd (dit zegt Erskine) , niet is een leer, die naar de godzaligheid is, maar veeleer enen leer van zorgeloosheid, strekkende om de gelovigen zelfs te houden onder de wet, welke de kracht der zonde is.

Ik heb dit weer opnieuw in het gericht komen zelf vaak horen preken! Je moet als predikant toch maar durven.

Maar ja dat is het voordeel van een absoluut monoloog!

De verloren zoon moest dan nog naar de paskamers! En daarin waren spiegels! En in die spiegels moest hij nog eens zijn varkenstenue en zijn met varkensdrek besmeurde gezicht zien. De afwassing moest toen plaats vinden en de ontkleding (het totaal afsnijden van eigen leven) en overkleding.

Wat een opperste inlegkunde buiten om Gods Woord!

Wat een rechtstreekse aanval op Gods Woord!

Wat een krenking van Gods deugden!

Ja van Gods deugden!

Want we gingen er immers toch van uit dat dit een DAADWERKELIJK Godsgericht is in de ziel zoals men zegt.

We gaan dit daadwerkelijk Godsgericht nog even iets nader bezien.

Zoals reeds gezegd, moet iedere wettige dagvaarding een tenlastelegging bevatten. Maar er is meer nodig voor een wettige Rechtspraak!

De Rechter moet ook altijd Zijn eigen bevoegdheid vaststellen!

Blijkt dat de gedaagde bijv. een andere nationaliteit heeft (een ander le­ven/staatsverwisseling), dan moet hij kijken hoe de verdragen liggen met dit land. Luidt het verdrag zo dat hij incompetent is dan moet hij onmiddellijk van dit rechtsgeding afzien en in vrijheid stellen. Dus niet rechtsprekend vrijspreken (want dat is nu zijn bevoegdheid niet meer) maar onmiddellijk in vrijheid stellen zonder rechtspraak.

U zag deze incompetentie ook bij Paulus, toen hij zich beriep op zijn Romeinsburgerschap en het ontbreken van wettige processtukken/geen wettige procesgang. Die rechter haastte zich om Paulus onmiddellijk in vrijheid te stellen. De zitting was afgelopen. Hij was incompetent.

Zo is het ook hier!

De nationaliteit van de gedaagde zondaar is: Christen, behorende tot het Koninkrijk van Christus! Daarom: geen bevoegdheid meer!

De Rechter is nu incompetent krachtens het Goddelijke Verdrag met de Koning van dit Rijk!

Maar……….wat wordt er dus eigenlijk allemaal gezegd te gebeuren in deze vierschaar?

1. In de dagvaarding ontbreekt een wettige tenlastelegging. Wie zal immers beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?

2. Er vindt geen nationaliteits-eigendomsonderzoek plaats. Deze zondaar is immers van eigenaar, de duivel, genaturaliseerd naar christen, in Christus!


3. De Rechter laat na zijn eigen competentie vast te stellen en/of te respecteren en gaat aan Zijn incompetentie krachtens het Verdrag met de Zoon gewoon voorbij.

Door dit negeren van de competentieoverdracht (Hem is gegeven alle macht….) vindt een God tegen God verdeeldheid plaats zoals u hierna zult zien en wel op het hoogst als Christus zich in dit Recht manifes­teert.

4. Immers als de Zoon, de Borg Zich op een bepaald moment – zoals men beweert op het moment van des zondaars Resignatio ad Infernum – uitspraak van achter dit Recht nu manifesteert en tegenover de Rechter stelt dat deze zondaar van Zijn nationaliteit, Zijn eigendom is krachtens VERDRAG, wordt Christus KWITANTIE en Zijn JURISDICTIE (omdat aan Hem alle macht gegeven was) aangetast, als de Rechter i.p.v. dit Rechtsgeding onmid­del­lijk te staken (zoals bij Paulus) doorgaat met de zitting!

5. Met terzijdestelling van HET VRIJWILLIGE VERDRAG (tussen de Goddelijke Personen) die inhoudt dat de Rechter incompetent is (zo is er dan geen verdoemenis voor degene die in Christus Jezus zijn en omdat al het oordeel aan de Zoon is overgegeven) en daarbij ook nog: negering van de TOTAAL-KWITAN­TIE, DE FINALE KWIJTING, éénmaal aan de Zoon gedaan, gaat de Rechter toch gewoon door met de zitting.

Hij kleineert het Verdrag, hij gaat voorbij aan de nationali­teit van de gedaagde en hij negeert de JURISDICTIE van de Borg, maar spreekt Recht. Spreekt vrij. Maar………ten diepste is dit een vrijspraak buiten om het VERDRAG (u weet misschien dat verdragen de allerhoogste rechtskracht hebben.

Dus door deze solo-rechtspraak van alleen de Vader als Rechter wordt het Drie-enige VERDRAG tussen de Goddelijke personen GEKRENKT.

De Zoon wordt krachtens schending van het VERDRAG smaadheid en vernedering aangedaan! En ondanks Zijn bekendmaking dat dit degenen zijn die Hem toebehoren worden de Hem toebehorenden terechtgesteld in strijd met het VERDRAG!

Wordt het Gericht gewoon voortge­zet, terwijl juist al het oordeel aan Hem is overgegeven.

En de Heilige Geest wordt smaadheid aangedaan!

Immers het betreft hier toch onverminderd toch ook het VERDRAG VAN DE HEILIGE GEEST!

De Heilige Geest die de bewerkstelliger was van de NATURALISATIE des zondaars. Die er de oorzaak van was dat de zondaar een andere NATIONALITEIT kreeg. Een staatsverwisse­ling heeft ondergaan.

Gezorgd heeft dat deze zondaar vanuit een staat des doods in een staat des levens kwam. Niet van Korps veranderd is maar van Koning en derhalve is overgegaan naar een andere JURIS­DICTIE.

De Heilige Geest, die niet alleen voor de NATURALISATIE heeft zorg gedragen maar persoonlijk ook voor de verhuizing heeft zorg gedragen uit DE STAD VERDERFS wordt in dit geding gezegd te zijn vergeten Zijn vorige VERDRAGS­UITVOERING (namelijk om het Reddingsplan uit te voeren) maar de geestelijke inleider in dit Rechtsgeding te zijn. De officier van Justitie.

(want ik neem aan dat in dit tafereel de duivel toch niet de rol van Officier van Justitie speelt als die er later schuw met de staart tussen de benen vandoor gaat?).

Wanneer er als voorbeeld tussen Nederland en België een verdrag zou zijn dat bepaalt dat een Rechter alleen bevoegd is (compe­tent) om te oordelen over onderdanen van zijn eigen Koninkrijk dan is hij krachtens verdrag daaraan gebonden!


Dus als een Belgische Rechter en een Belgische Officier van Justitie, wetende dat het een Nederlander betreft, toch een uitspraak doet, dan is dit een NIETIGE uitspraak! Een schending van het VERDRAG!

Zelfs als hij die Nederlander Vrijspreekt!

Het behoorde immers niet tot zijn bevoegdheid!

Zo is met eerbied gesproken God de Rechter NIET BEVOEGD recht te spreken over REEDS GEKWITEERDE zaken die het VERDRAG AANGAAN EN DE ONDER HET VERDRAG VALLENDEN, temeer omdat Hij al het oordeel aan de Zoon heeft overgege­ven en omdat Hij dan tegen dit (Raad des Vredes)-Verdrag zou handelen!

De wettige kwitering lag immers juist in de Verdragsuitvoering door de Borg!

Het voorbijgaan daaraan zou dan ook een aantasting zijn van het overeengekomene in de Raad des Vredes.

Dit zou een aantasting zijn van het reeds betaald hebben (kwitantie) door de Zoon Gods.

Een dubbele aanslag voor hetzelfde, voor het reeds voldane!

De voortzetting van dit DAADWERKELIJKE proces in de wetenschap van deze Verdragsschending zou (de positie des zondaars buiten beschouwing gelaten) een minachting zijn van de andere VERDRAGSPARTNERS!

Een minachting voor de eigen eedsaflegging van de Vader in dit VERDRAG!

Een miskenning van de nationaliteit; naturalisatie van de gedaagde!

Wel met het dierbare Bloed gekocht door de Zoon maar toch……..schuldig, schuldig, verdoemelijk!

Moeten van deze leer de “kleintjes” groot worden! Is dit ter ere Gods?

Erskine zegt het hierboven héél duidelijk: het is grotelijks ter ONERE Gods!!

Een miskenning van de woonplaats van de gedaagde!

(niet meer stad verderf)

Een onterecht schuldonderzoek; dat is afgehandeld op Golgotha!

Een miskenning van de betaalsom (kwitantie) die voor deze naturalisatie is betaald. De koping van de Zoon wordt geminacht!

Een vreemde knechtelijke positie van Jezus namelijk achter het Recht i.p.v. voor het Recht als tussentreder. De competentieoverdracht die de Vader heeft gedaan aan Jezus (Mij is gegeven alle macht in Hemel en op aarde) moet dan noodzakelijk ongedaan worden gemaakt en de verhoogde Jezus zou Zich volgens Ds. A. Moerkerken nu gaan verbergen achter het recht Zijns Vaders!

De macht van het gericht die de Vader evenals alles (alle macht) had overgedragen aan Jezus wordt hier blijkbaar toch weer uitgeoefend door de Vader als Rechter.

Een ingreep in de procuratie. Een onenigheid in de Goddelijke personaliteiten!

Een grove miskenning van de competentieoverdracht; namelijk dat aan Christus alle macht is gegeven; dus ook de macht van het gericht en de macht van vrijspraak!

Een Godsaantasting van God de Vader omdat deze leer impliciet beweert dat God onbetrouwbaar is!


Immers de Heere stelt Zich in Zijn Woord toch geregeld voor als de Eeuwi­ge, de Onveranderlij­ke bij wie geen verandering noch schaduw van omkering is als Hij ook zegt: Ik de HEERE word NIET veranderd!

En het Geloof in haar wezen - dus zelfs het allerkleinste Geloof - krijgt direct bij de aanvang juist nu dit opzicht van dit MASSIEVE in God en Boston zegt dat zij dit blijft houden, zelfs in het gezicht van Gods Heiligheid!

En nu zou deze onveranderlijke grote God Zich moeten veranderen omdat zogenaamd zo’n zondaartje geoefend zou moeten worden met een maximum duur van ten hoogste de reste­rende jaren van zijn/haar leven (want deze oefenin­gen zijn immers toch slechts voor dit tijdelijk leven hier op aarde, want bij de dood vallen alle standen weg en zullen zowel de kleinen als de groten op gelijke wijze in God zijn).

God, het Eeuwige, het Onveranderlijke Wezen die gezegd heeft: al had Ik iets tot mijn schade gezworen, evenwel verander Ik NIET, moet Zich NU veranderen in een opnieuw vertoornd Rechter, en nadat die zondaar boude Labadistische taal gesproken heeft: zijt Gij met mijn doem gediend, zoek Uw eer, ik heb het verdiend, opeens, als bij toverslag, weer in een vriendelijk Vader of in ieder geval als een bevredigd Rechter?

Die van Zijn volk zegt: Ik heb u liefgehad (in Christus) met een eeuwige Liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertie­renheid, die Massieve God op Wie iedere gelovige krediet krijgt en uitroept in de ziel: God is waarachtig en Goedig, die God, op Wie het zielsvertrouwen met afzicht van ieder eigen vertrouwen opzicht heeft genomen op een wijze zoals er staat: de ogen die hebben gezien, zullen niet terug zien bij het zien van zo’n massiviteit in God, zo’n trouw in God, zo’n zondaarsliefde in God, moet hier van de prediker horen dat er toch verandering in God is.

Omdat Hij zich, met terzijdestelling van Christus alsnog volstrektelijk aan de ziel gaat voorstellen in dit vier­schaar­gericht.

O deze striktelijke (= buiten Christus) voorstelling van Gods handelen t.o.v. Zijn kind is het wat iedere gelovige ziel doet ineenkrimpen!

Er wordt dan door deze predikanten dikwijls zo koud en zo smalend gezegd: ja een lieve Jezus dat willen wij wel hè, maar om nu onderwijs te krijgen in Gods Gerechtigheid daar zijn we vijand van en dat gaat God zijn geoefen­de kinderen nu leren, want Sion zal door Recht verlost worden.

Ze vergeten er echter wel bij te zeggen dat dit nooit zal kunnen door Sions betalende Borg grof kwiteringsonrecht aan te doen en impliciet God de Vader van onrecht (2 x betaling eisen; Erskine) te beschuldigen en (inhoudelijk) de levendmaking te scheiden van de rechtvaardigmaking!

Nee, het gaat hen er niet om zomaar de hemel binnen te glippen!

Maar het opzicht op die onveranderlijke trekking des Vaders, waardoor de kleinste in de Genade, dit onveranderlijke getuigenis van de Heilige Geest in zijn binnenste gevoelen­de en juist de Gerechtigheid van Christus in zijn binnenste aangrijpende uitroept: Abba Vader, o Eeuwige Liefde, wordt hier AANGETAST.

Het wezenlijke karakter, het Beeld of de menselijke Beeldvorming Gods in Christus wordt aangetast en naar beneden gehaald, in een kwaad daglicht gesteld door de onveranderlijke trekking Gods te laten overrulen door Zijn Gerechtigheid op een wijze alsof het Zijn kind niet aanging, omdat wij denken dat God ten ene male gelijk is als wij, namelijk verander­lijk. Vandaag in het zin, en morgen kwaad!

Het is een aantasting van wat in Ezech. 33 : 10,11 staat:

10. Daarom,gij mensenkind, zeg tot het huis Israëls: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?

11. Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leeft, Spreekt de HEERE, HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?


Wat ook vreemd aandoet is, dat als die zondaar volgens zijn uitspraak eigenlijk niets anders moet verwachten als zo rechtvaardig de hel in te gaan, voor eeuwig verloren te gaan, zo schielijk en oppervlakkig (in verhouding met het gewicht van deze hellevaartaccordering) van gemoedtoestand verandert als hij toch gered wordt.

Je zou zeggen: de hel en dat voor eeuwig is toch geen kleinigheid en als je dit zo intens beleefd dat je het er zelf mee eens bent dat deze hellevaart moet gebeuren (krachtens Gods deugden) dan is dit toch zo ONNOEMELIJK ingrijpend dat je zomaar niet van die schrik vrij bent!

De verbijstering moet dan toch wel zo hevig zijn dat alles wat daarna komt daardoor wordt opgeslokt.

Ik citeer hier een gedeelte (blz. 36 en 37) van het boek Christus mijn Rechter en mijn Redder van Ds. H.J. Hegger:

“Bovendien, wie kan zo’n goddelijk rechtsgeding doorleven? Moet dat niet als een trauma je ziel totaal beschadigen? Heel veel mensen houden er een vreselijk syndroom aan over wanneer ze een doodsbeleving hebben meegemaakt, bijvoorbeeld in een concentratiekamp, bij een gijzeling of bij een ramp. Ook bij Dostojevsky keert die doodsbeleving van toen hij voor het vuurpeloton stond, in veel van zijn boeken terug.

Maar in dit goddelijk rechtsgeding gaat het om iets wat veel erger is: een veroordeling tot de eeuwige dood.

Gelovigen hebben, wanneer ze om hun belijdenis van Christus gedood worden, tenminste nog de troost dat ze de zekerheid hebben: Christus staat mij op te wachten om mij mee te nemen naar Zijn eeuwige heerlijkheid. Maar in het rechtsgeding zoals deze predikant het schildert, is er geen enkel uitzicht op redding, want Christus is daarbij op dat moment niet aanwezig, zo benadrukt hij.

Nogmaals, hoe kan iemand dit echt en reëel doorleven zonder ernstige psychische beschadigingen?

Zou deze predikant er onbeschadigd uitkomen, wanneer hij voor het vuurpeleton had gestaan zoals Dostojevsky? Indien ja, dan is hij psychisch bijzonder sterk. Dan behoort hij tot de uitzonderingen. Maar dan blijft de vraag: Heeft hij in die vierschaar van de consciëntie echt voor het eeuwige vuurpeloton gestaan met alleen maar eindeloze duisternis voor zich in de hel? Indien ja, dan is hij een psychische reus, wanneer hij daar geen syndroom van heeft overgehou­den.

Maar laat hij dan tenminste begrip tonen voor ons, de zwakken, die niet zonder te knipperen met de ogen in de loop van die eeuwige geweren kunnen kijken”.

Einde citaat Ds. Hegger.

En dan kan men wel zeggen: ja maar het in vrijheid stellen en het Eeuwige Leven krijgen, daar waar je dacht onder te gaan is veel en veel groter, maar dan zeg ik maar heel nuchter: het is jammer dat daar zo uiterst weinig van is te merken, van die onuitsprekelijke blijdschap en dat daar nooit iemand jaloers op wordt omdat het bijna uniform en academisch/wiskundig wordt verteld.

Academisch vertelt zo’n predikant met een stalen gezicht dat hij wel eens heeft ingeleefd wat de hel is! Maar ook wat de hemel is!

Paulus zei echter van deze optrekking in de derde hemel: of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied is, weet ik NIET! Veilig is dus om niet zomaar alles als zoete koek aan te nemen, maar met een flinke lepel zout vanwege de superlatieve taal en vanwege de eventuele bijbedoelingen!


Het is jammer dat in de praktijk (misschien ongewild) deze mensen gaan fungeren als een soort heiligen. Natuurlijk niet zoals bij de Roomsen maar……………. met uitgegeven brieven (Mientje Vrijdag) of boekjes.

Het is ook jammer dat deze mensen door de nogal vele subjectieve (vermeende) belevingen waarbij de “oefeningen” zo veelvul­dig zijn dat het onophoudelijk: zo in de wolken zo in de kolken is, dit gaan projecteren op de handelingen van het Goddelijk Wezen in Zijn Goddelijke personaliteiten.

Hierdoor wordt God onteerd omdat Hij practicaal als een wispelturig God wordt voorgesteld die nogal eens verandert.

In dit kader durf ik te zeggen: dat zelfs indien deze vierschaarbeleving werkelijkheid zou zijn – wat niet het geval is – het nog niet past zulke God-naar-beneden-halende en het-werk-Gods-verdacht-makende en de-zondaar-psychisch-in-elkaar-trappen­de voorstellingen van dit Lieve Wezen te geven.

Het zou dan een hoge stand zijn om over zulke zaken te zwijgen en met Ds. G.H. Kersten in zijn dogmatiek eerder te vermoeden dat ongezond-mystieke zaken een gevolg zijn van een zenuwstoring!

Wanneer de Heilige Geest in de Schrift wordt voorgesteld als het suizen van een zachte stilte dan moet ik eerlijk zeggen dat al deze Rechterlijke bombarie en dit hellevaartaccorderende tumult en het gewilliger zijn van de zondaar dan de Heere Jezus in de Hof van Getsemane bij mij, zelfs als daarin opgegroeid zijnde, vreemd overkomt en meer vragen oproept dan dat er beantwoord worden!

Vreemd is het ook dat predikanten vaak zelf zeggen dat ze dit niet hebben beleefd, maar degene gelukkig acht die dit heeft meegemaakt, maar dat hij dit ambtelijk en niet kinderlijk verklaart. Nu kan een ambt nooit meer behelzen als wat de ambtsaansteller gebied in zijn openbare bekendmaking.

Dus als een predikant zaken vertelt die niet zijn ambtsgebied (het Woord) betreffen dan spreekt hij niet ambtelijk maar absoluut op eigen titel.

Zodra hij zaken aan het Woord gaat toevoegen die eerder als je ze goed bekijkt ter onere Gods zijn dan ter ere Gods dan spreekt hij ook niet knechtelijk.

Iedere normering aan Gods Woord ontbreekt! De ervaring van Gods volk wat de predikant die het zelf niet heeft beleefd dan nog van anderen heeft gehoord en wat hem waarschijnlijk voor komt, gaat nu volledig heersen over het geopenbaarde woord. Vanuit deze Gods-volk-ervaring en vanuit een rechtbankvoorbeeld dat uiterst summier en onvolledig naar voren wordt gebracht, wordt dit nu voorgedragen met een aureool dat geen tegen­spraak duldt en waarvan de betwijfeling gelijk staat met het verachten van Gods Woord, zodat deze inlegkunde een bijna Goddelijke status krijgt, in ieder geval gezegd wordt overeen te komen en terug te vinden met en in Gods Woord en daardoor Goddelijk gezag krijgt! U moet daarbij echter dan wel altijd bedenken dat hoewel zij op dat moment wel hun ambtsgewaad aan hebben, zij niet spreken in de ambtshoeda­nigheid, want de ambtshoedanigheid kan zich nooit verder uitstrekken als hun opdracht en aanstelling: predikt het Evangelie! En…….in heel God Woord vindt u zulke zaken niet.

De oudtestamentische Christenen zijn er t.o.v. dit gedetailleerde tafereel maar eenvoudigjes afgekomen door alleen door het Geloof hun VERTROUWEN op God te stellen waartoe alle getrouwe profeten hebben opgeroepen en aange­moedigd.

Is het dan teveel gezegd toen ik stelde dat eigenlijk gezegd het in dit vierschaarsgeding niet zozeer over de zondaar gaat, maar veel meer over de (on)rechtsposi­tie van de GODDELIJKE VERDRAGSPARTNERS.

Hier is toch een discrepantie in de Goddelijke personaliteit?


Wat ook een tirannieke voorstelling!

Hoe is dit te rijmen met het uitzien van de Vader van de verloren zoon om te zien of zijn jongen er toch nog niet aankomt? (de ganse Bijbel in een notendop).

Wat een in elkaar trappen van de bede: O Vader, dat Uw Liefde ons blijkt.

Wat een kinderlijk-vertrouwen-frustrerend!

Ik denk zo dikwijls als ik al die heilsherhaling in de ziel hoor uitleggen: wat hadden die mensen in het oude testament er dan toch weinig van!

En toch zalig geworden! In het VERTROUWEN dat de Beloofde zou komen en dat Hij zou waarmaken wat Hij toegezegd had.

Wie in zulke NIET IN GODS WOORD gefundeerde filosofieën nog smaak kan vinden moet wel een heel goede fijnproever zijn!

Want toepassing in het hart en het door het Geloof dadelijk mijnen der Beloften is toch iets anders.

Zalig (zegt Jezus) zijn degenen die niet gezien hebben en toch geloofd!

Ds. A. Moerkerken leert in tegenstelling tot ds. G.H. Kersten dat het begin van de Standen- en Kruispuntenleer aanvangt met een ONBEWUSTE WEDERGEBOORTE (!)

ONBEWUST INGELIJFD IN EN ZONDER KENNIS VAN JEZUS CHRISTUS, ZOALS BIJ DE ROOMSEN!

Bovendien blijkt uit het bovenstaande dat het hart of zenuwcentrum van deze leer door o.a. ds. G.H. Kersten, Erskine en ds. C. Harinck als respectievelijk zielsmisleidend, goddeloos, onbijbels worden gekwalificeerd!

In één ALARMKREET gezegd: WAAKT!


Tot slot:

Mijn vraag is nu hoe dit alles zich verhoudt tot het tiende artikel van de Dordtse Leerregels. Tegenover de onzekerheid van Rome hebben de Dordtse vaderen stelling gekozen in dit artikel, met de woorden: "En dienvolgens spruit deze verze­kerdheid niet uit enige bijzondere openba­ring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft;" en door het getuigenis van de Geest, die door het Woord (per verbum, zo sprak Luther vaak) of met het Woord (cum verbum, zo sprak Calvijn vaak) werkt, en door de oefening van een goede consciëntie en goede werken.

"De Dordtse Leerregels maken hier met heel de Reformatie front tegen Rome, dat stelde dat de gelovi­gen nooit zeker konden zijn, want het was altijd nog mogelijk in doodzonde te vallen. Volkomen zekerheid werd slechts aan sommigen geschonken door middel van een bijzondere openbaring, zoals bijvoorbeeld aan Paulus. Daarom kon hij zeggen: ik ben verzekerd ..., maar dat zou iedere gelovige hem zeker niet zomaar na kunnen zeggen. De Dordtse Leerregels maken ook front tegen de Remonstranten, die stelden, dat het uiteindelijk van de volharding van de mens afhing of hij zalig zou worden of niet: een kind van God kon volharden, maar ook weer afvallen." [W. Dekker, Vaste grond, 1984, p. 168,169].

Feenstra zegt van de mystiek en van Ro­me: "Het gaat alleen om persoonlijke erva­ringen, vrome bevin­dingen, om het inwendig licht, dat zij hoog verheer­lijken boven het licht van Gods Woord en de verlichting des ver­stands, door de Heilige Geest. De dienst des Woords en der sacramen­ten wordt achterge­steld bij de persoonlijke genie­tingen. Teksten, die buiten het verband, met kracht in hun ziel vallen, hebben veel meer waarde dan de Openbaring Gods. [...] Iemand, die tot zekerheid wil komen, moet een aparte stem, of openbaring ontvangen. Hij moet zich daarop later ook kunnen beroepen. Allerlei oncontro­leerbare bevindingen. De weg wordt dan ook voor anderen goed afgebakend. Eerst moeten plaats vinden bijzondere worstelin­gen, waarbij de tranen niet vergeten worden. En dan moeten zij komen tot bijzondere ge­zichten, of openbaring­en. Wie dit alles niet "genoten" heeft, kijkt in die kringen met jaloersheid naar hen, die wel zover gekomen zijn. De geestelijke keurmees­ters hebben groot gezag, want zij alleen kunnen oordelen over die visioenen, gezichten en dromen." [Ds J.G. Feenstra, De Dordtse Leerregels, 1975, vierde druk, p. 215]. Hij vervolgt dan: "Wat is onze belijdenis toch schoon, dat deze weg zo maar veroordeeld wordt. Dat we gewaarschuwd worden, op dit heilloze pad geen stap te zetten: 'En dienvolgens spruit deze verze­kerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied.' [...] Alle gelovigen kunnen en moeten verzekerd zijn van de bewaring des Heeren en van de volharding der heili­gen. Wij moeten immers onze roeping en verkiezing vastmaken. We moeten weten, dat wij kinderen Gods zijn. En die verzekerdheid krijgen wij nooit buiten Gods Woord om. Al die zogenaamde ervaringen missen elke controle. Hoeveel zelfbedrog kan daarbij zijn. Niet dat wij tegen bevindingen zijn, of tegen bijzondere vertroostingen des Geestes. Als zij maar als vrucht en nooit als grond worden gezien. Een gelovige krijgt niet allerlei stemmen en beloften buiten de Schrift om, maar hij heeft de beloften Gods in zijn bezit. [...] Ze zijn zo rijk, al leven ze ook vaak arm. Het geloof richt zich immers op de beloften des Heeren en is er ook mee werkzaam. Het geloof gaat mijnen, dat is mijn roepen, ook voor mij. Het geloof gaat zich de beloften Gods toeëigenen. Hoe arm is de valse mystiek, om soms jaren op een enkel woord te teren. Zij vergeten, dat Gods Woord vol beloften staat, die door het geloof omhelsd moeten worden. En door die beloften Gods, door het geloof, te aan­vaarden komt de verzekerdheid. [...] 'Maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig, tot onze troost heeft geopenbaard.'" [A.w. p. 215,216].

OVEREENKOMST TUSSEN STEENBLOK EN MOERKERKEN (Overgenomen vanuit de internetsite: www.afwachtenofverwachten.nl )

4.2 De visie van dr Steenblok op de heilsorde

In het vorige hoofdstuk bleek al, hoezeer dr Steenblok’s opvatting over het aanbod van genade was verweven met zijn visie op de heilsorde. Dit laatste domineerde zijn preken én artikelen. “Als er één dominant leerstuk in de preken van Steenblok aangewezen zou moeten worden, is het deze orde, en niet de predestinatie,” merkt drs Rouwendal terecht op, p. 106. “Er was geen onderwerp waaraan Steenblok meer woorden besteed heeft, of dat hij sterker benadrukt heeft,” p. 131. Wil men dr Steenblok derhalve recht doen, dan dient het grootste gewicht gelegd te worden op zijn visie op de heilsorde. Laat ons eens zien hoe dr Steenblok zich de heilsorde voorstelt.

In een verhandeling over het genadeverbond zegt dr Steenblok, dat de uitverkorenen “met de wedergeboorte of geestelijke inlijving in Christus … personeel in het genadeverbond [komen]. Vervolgens worden zij nu, zaligmakend, eerst ontdekt aan zonde en schuld, tot zij in de vierschaar der consciëntie gerechtvaardigd worden en dus door de toegerekende en in geloof geschonken gerechtigheid van Christus met de Vader verzoend en verenigd worden. En dan geschiedt ook hunnerzijds, dat zij met vaste zekerheid des geloofs door genade in het verbond treden met de Heere.”[1] Diezelfde gedachtengang komt ook aan de orde in de reeds eerder genoemde verhandeling over de roeping. Dr Steenblok geeft daar een beschrijving van wat de krachtdadige roeping uitwerkt in het hart van Gods kinderen. Hij zegt dan: “Zij, die krachtdadig geroepen worden, worden vooreerst ontdekt aan zichzelf, wegens hun verloren, radeloze en machteloze staat van nature, om door zichzelf of door enig schepsel behouden te worden. Ze worden zondaren in eigen oog, om welke te roepen Christus gekomen is, volgens Matth. 9:13. Zo aan zichzelf ontdekt door het licht en de van schuld overtuigende werking van de Geest, worden zij vol onrust en kommer, vermoeid en belast wegens hun zonden, verbrijzeld en verslagen in het hart. Hiervan zegt de Heere: ‘Op dezen zal Ik nederzien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft.’ Vervolgens ontdekt de Heere hen de heerlijkheid en de lieflijkheid der genade in Christus, die de Heere aan zondaren bewijst, en die ze met verwondering omhelzen. Ook werkt Gods roepen ter zaligheid een ander roepen: het gebed uit de diepte. Daardoor leren zij tot de Heere smeken om genade. Met ernst begeren en zoeken zij Zijn genade. De Heere gedurig en oprecht door Zijn lieve Geest aanroepen en Hem als een waterstroom aanlopen om Zijn genade, is een werk der genade; en daarom een kenteken van de roeping tot genade. Zij krijgen een heilig ontzag en een liefde voor de Heere, Zijn Woord, Zijn heilige instellingen, Zijn dag. Zij ontvangen de geloofskeus in Christus, zoals Mozes, die liever met Gods volk kwalijk behandeld wilde worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben. Zij leren de zonde te haten en te vlieden, en ontvangen een heersende lust en liefde tot heiligmaking, 2 Thess. 4:3, 7. Zij krijgen in de geloofsgemeenschap met Christus door het licht der genade – op ’s Heeren tijd – vastheid en zekerheid over het werk der genade in hun ziel. Langs deze weg worden zij verwaardigd, om hun roeping en verkiezing vast te maken, zoals 2 Petr. 1:10 betuigt: “Daarom broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.”[2]

Uit het feit dat dr Steenblok de ontdekking aan schuld en zonde uit de wet ziet als eerste vrucht van de wedergeboorte (drs Rouwendal noemt het “een wezenlijk kenmerk en een eerste trap van de ware bekering,” p. 79, idem p. 100) kan men afleiden dat naar zijn opvatting de wedergeboorte zelf ook is gewerkt door middel van de wet. Over het antwoord op de vraag of die afleiding wel geoorloofd is, behoeft geen enkele twijfel te bestaan. Dr Steenblok leerde immers dat de orde in de krachtdadige roeping dezelfde is als in de uitwendige roeping. Daarbij gaat de wet voorop en een voorwaardelijk Evangelie volgt. Door middel van de wet maakt de Heilige Geest een zondaar van dood levend en ontdekt hem aan zijn zonde en schuld. Zo wordt plaatsgemaakt voor de belofte (van het Evangelie). In een artikel met de titel Rondom roeping, doop en kerk, zegt hij dat nog eens heel duidelijk: “… pas na de wedergeboorte in de weg der plaatsmaking, wordt de belofte – als belofte voor zichzèlf – voorwerp des geloofs.” En even verderop: “In de krachtdadige of inwendige roeping wordt de belofte toegeëigend aan dezelfden als aan wie zij in de uiterlijke roeping wordt toegekend. Immers, zij ontvangen – door de wedergeboorte Christus ingelijfd – nu ook uit Hem de genade van geloof en bekering, opdat zij in de weg van de zaligmakende ontdekking, plaatsmaking en afsnijding door de Wet, te zijner tijd de belofte door de bediening van de Heilige Geest mogen omhelzen in de levende oefening des geloofs.”[3] Men merke op dat de ontdekking uit en door de wet door dr Steenblok zaligmakend wordt genoemd, aangezien het een vrucht is van de wedergeboorte.

4.3 Een vergelijking

Vergelijken wij dit alles met de van oudsher door onze gemeenten beleden leer van Boston en de Erskines, zoals beschreven in het eerste hoofdstuk, dan valt op hoe ingrijpend de opvattingen van dr Steenblok daarvan afwijken. Volgens de eerstgenoemde godgeleerden kon, ja moest naar het eigen bevel van de Heiland, Christus met al Zijn weldaden aan iedere hoorder worden aangeboden, zonder dat daaraan enige voorwaarden werden gesteld. Dr Steenblok ontkent dat. Hooguit een halve Zaligmaker kon de gemeente worden ‘aangeboden’, of liever: voorgesteld. Voordat Christus immers zonder meer mocht worden aangeboden, moest daarvoor eerst plaatsgemaakt zijn door middel van de zaligmakende (!) ontdekking uit de wet. Een zo opgevat ‘aanbod’ van genade berustte volgens dr Steenblok niet op de algenoegzaamheid van Christus’ offerande zoals deze door Boston en de Erskines werd beleden. Boston leerde dat de uitgestrektheid van de bediening het genadeverbond was gefundeerd op de algenoegzaamheid van Christus’ gehoorzaamheid en dood voor de zaligheid van allen. En de Erskines hadden op de vraag naar de grondslag van de onbeperkte aanbieding van het verbond in het evangelie-aanbod geantwoord, dat die rust op de wezenlijke algenoegzaamheid en dood van Christus tot behoudenis van allen. Dr Steenblok leerde echter dat Christus’ verdiensten in zichzelf wel voor allen genoeg zouden kunnen zijn, maar dat niet waren omdat ze krachtens Gods verkiezing niet voor allen waren bedoeld. Het ‘aanbod’ van genade zoals door hem geleerd, rustte uitdrukkelijk niet op de algenoegzaamheid van Christus’ dood. En van een mogelijkheid om zalig te worden voor allen op grond van het algenoegzaam lijden en sterven van de Heiland, moest dr Steenblok niets hebben. Over een recht van toegang tot de Middelaar van het verbond wilde dr Steenblok eigenlijk ook niet spreken. Leerde ds Ledeboer dat de jonge kinderen in hun doop grond hadden voor het gebed om de Heilige Geest, dr Steenblok leerde dat uit de doop voor een onherborene ‘vanzelfsprekend’ geen enkel geestelijk recht voortvloeide.

Het meest ingrijpende was echter wel dr Steenblok’s overtuiging, dat de levendmaking of wedergeboorte werd gewerkt door de zaligmakende ontdekking van de Heilige Geest uit de wet. Naar de opvatting van dr Steenblok, werkte de Heilige Geest de wedergeboorte niet door middel van de prediking van het Evangelie, waarin volkomen genade werd aangeboden aan de meest brute en snode zondaar. Niet het Evangelie was het zaad der wedergeboorte, maar de wet wat het middel in de hand van Gods Geest om een zondaar te vernieuwen. Na de wedergeboorte moest in een weg van ontdekking en afsnijding, voor het Evangelie eerst bevindelijk plaatsgemaakt worden. Omdat dr Steenblok het moment van de wedergeboorte te vroeg plaatste, kon er in zijn opvatting geen sprake van zijn, dat een dode ziel, nadat zij levend gemaakt is, onmiddellijk in Jezus Christus gelooft, Hem ontvangt en omhelst, Hem kent en onderscheidt in Zijn alles overtreffende heerlijkheid, om met Boston te spreken. Zodoende werden dode zondaren, die door Gods Geest waren overtuigd van zonde maar nog onder de vloek van de wet verkeerden, als kinderen van God gekwalificeerd en zalig gesproken buiten ook maar de minste kennis van Christus.

Wij zagen dat dit alles expliciet streed met wat ds Kersten onze gemeenten in de werken van Boston, de Erskines en Fisher en zijn dogmatiek had nagelaten.

De toeleidende weg tot Christus

Drs Rouwendal maakt een wezenlijk punt, als hij stelt dat het nog maar de vraag is “in hoeverre Steenblok’s mening over de roeping werkelijk verschilt met de prediking van een aanbod van genade, zoals dat in de Gereformeerde Gemeenten gebeurt,” p. 141. Dit brengt ons op de toeleidende weg tot Christus en de standenleer. Over dit aangelegen onderwerp heeft ds C. Harinck een zeer behartigenswaardig boek geschreven, De toeleidende weg tot Christus (2001). Hij vat daarin die weg, zoals door de huidige rector van onze Theologische School, ds A. Moerkerken, weergegeven in zijn onlangs (2004) weer opnieuw uitgegeven boekje Genadeleven en genadeverbond (1979) als volgt samen:

“Tussen de wedergeboorte en het geloof in Christus ligt een weg, die voor de één wel langer is dan voor de ander. Maar het genadeleven begint niet met de kennis van Christus en het geloven in Hem tot zaligheid. Het begint met de bevindelijke kennis van onze ellende.”[4]

Datzelfde leert ds Moerkerken in Bethel en Pniël (1997): na de wedergeboorte is Christus, in de overtuiging van de zonde door de wet Gods, “als Persoon … nog geheel verborgen. Niets en niemand is voor de ontwaakte zondaar zo verborgen als de Persoon van Christus!”[5] De Heilige Schrift laat naar zijn besef “het ogenblik van de wedergeboorte niet … samenvallen met de openbaring van de Middelaar”. De “tiende ure is dat tijdstip in het leven van Gods kinderen, waarin hun voor het eerst in hun leven iets van de Middelaar wordt bekend gemaakt”.[6] “Tussen het ogenblik van de wedergeboorte en de ‘tiende ure’ ligt wat wij zouden mogen noemen de toeleidende weg tot de Middelaar.”[7]

4.5 Standen in het genadeleven

We zijn hiermee gekomen op het terrein van de zgn. standen in het genadeleven. Om van genadeleven te kunnen spreken, moet er natuurlijk eerst sprake zijn van levendmaking of opwekking uit de doden, ook wel de wedergeboorte genoemd. Ds Moerkerken omschrijft de wedergeboorte in Genadeleven en genadeverbond als “de levendmaking van een dode zondaar. Wij noemen het wel een staatsverwisseling, omdat de zondaar in dat ogenblik mag overgaan uit de staat des toorns en der verdoemenis in de staat van gemeenschap met God.” En hij vervolgt dan: “De Heere werkt de wedergeboorte gewoonlijk middellijk, namelijk door het ‘levende en eeuwigblijvende Woord van God’ (1 Petr. 2:23).”[8]

In Bethel en pniël wijst ds Moerkerken erop dat ín dat Woord een onderscheid gemaakt kan worden tussen wet en Evangelie. Hij vervolgt dan: “We komen nu op een volgend punt van grote betekenis. Ook hier is immers weer sprake van een heilige orde. Het is Gods gewone weg een zondaar eerst te verbrijzelen door de werking van Zijn heilige Wet, voor Hij hem de ruimte doet smaken die er in het heilig Evangelie is. De rechte prediking zal daarom voluit zowel wets- als evangelieprediking moeten zijn. Door de Wet is immers de kennis der zonde (Rom. 3:20). We verzetten ons tegen de zo vaak gehoorde voorstelling van zaken, als zou een mens zijn zonden ook wel kunnen leren kennen door de liefde van Christus te zien. Dat is onschriftuurlijk.”[9]

Ds Moerkerken brengt dus in de prediking een orde aan. Eerst moet de wet gepredikt worden. Door de bediening van de wet in de hand van de Heilige Geest wordt een zondaar levend-gemaakt en wedergeboren tot een levende hoop. Eerst moest Johannes met de ploegschaar van Gods heilig recht komen, en daarna kwam Jezus. Die orde is er ook in de bekering van een zondaar. In de wedergeboorte wordt een zondaar van dood levend gemaakt. Dat geschiedt volgens ds Moerkerken door de levendmakende werking van Gods wet. Als hij spreekt over de prediking van Johannes de doper, zegt hij immers: “De heilige, vloekende, eisende Wet Gods had gefunctioneerd in de prediking van de wegbereider en door de toepassende en bovennatuurlijke kracht van de Heilige Geest had zij óók gefunctioneerd in de harten van diegenen onder de hoorders die lagen onder het zegel van Gods verkiezende liefde. … Zó was het en zo ging het toe in de heilshistorie. En naar onze diepe overtuiging gaat het ook zo toe in de heilsorde.”[10]

Is de zondaar wedergeboren, dan is sprake van genadeleven. In dat genadeleven onderscheidt ds Moerkerken drie standen: kinderen, jongelingen en vaders. De pas wedergeborenen zijn kinderen in de genade. Als de eerste kentekenen van de wedergeboorte noemt ds Moerkerken: “een hartelijke droefheid naar God over de zonde.” En hij vervolgt: “Hoe wonderlijk is toch dat werk Gods! Zo’n nieuwgeboren kindeke weet niet dat het wedergeboren is. Ach, het is zo ongelukkig. Zijn ogen zijn geopend voor zijn ontzettende val, voor zijn rampzalige staat. Hij ziet de kloof tussen God en zijn ziel die hij nooit meer kan helen. Zoals een kind in de natuur schreiend geboren wordt, zo schreien deze kinderkens dagen en nachten om God, Die zij missen. Dan klaagt het ganse huis van Israël de Heere achterna (1 Sam. 7:2). Zij hebben tegen God gezondigd, tegen een goeddoend en tegen een rechtvaardig God, Die hen nooit heeft kwaad gedaan. De spiegel van Gods vlekkeloze wet roept hun benauwde harten dag en nacht toe: onrein, onrein! Bang is dat leven van de kinderkens veelal. Zij moeten sterven, en dat is God ontmoeten. O, dat gaat niet. Bang is dat leven, ja, en toch soms ook zoet. Zij zouden nooit meer naar de wereld terug willen. Al zit de dood en de bloedwreker op hun hielen, zij begeren hun vroegere rust niet terug, toen zij dood waren voor de dood. Zij hebben soms toch zulke goede en zoete gedachten van God, van een God Die zij niet kennen en op Wie zij toch een zielsbetrekking hebben. Al zou Hij hen doden, zij kunnen soms geen kwaad meer van Hem denken. O, hoe krijgen zij toch die God tot hun God, tot hun deel? ‘Heere, zou ik nog bekeerd kunnen worden? Zoudt Gij naar zó een nog om willen zien?’ Soms krijgen ze wat adem in Gods huis. Dan verwachten zij klappen en zij krijgen bemoedigingen. Dan worden hun wangen soms nat van tranen.”[11]

Een kind in de genade bezit dus wel het geloof als een genadegave (dit noemt men de hebbelijkheid van het geloof) waardoor hij met Christus wordt verenigd of Hem ingelijfd, maar hij mist nog de oefeningen (ook wel genoemd de dadelijkheid) van het geloof. Dit betekent, dat hij weliswaar met Christus is verenigd, maar Hem nog niet kent! “Jezus is hem een verborgen Persoon,” aldus ds Moerkerken.[12] Maar er zijn ook jongelingen in de genade. En “wat heeft de jongeling nu wat het kindeke mist? We menen dat tussen het leven van het nieuwgeboren kindeke en dat van de jongeling de openbaring van Christus aan het hart ligt. Een mens kan dus reeds geruime tijd op de weg zijn, voor de Heere Jezus hem geopenbaard wordt. Dit is naar de Schrift.” Ds Moerkerken noemt dan als voorbeelden de moordenaar aan het kruis, de bloedvloeiende vrouw en Rachab de hoer.

4.6 Een opvallende overeenkomst

Hoewel ds Moerkerken de orde in de prediking en de toe-eigening van het heil gemoedelijker en minder dogmatisch beschrijft, is de zakelijke overeenstemming van het voormelde met de opvattingen van dr Steenblok onmiskenbaar. Evenals dr Steenblok brengt ds Moerkerken een orde aan in de prediking. Eerst moet de wet gepredikt worden, waaruit een zondaar door de zaligmakende werking van de Heilige Geest wordt wedergeboren en overtuigd van zonde. Door de wedergeboorte wordt de dode zondaar Christus ingelijfd en van een vreemdeling en buitenstaander, een kind in de genade. In de weg van de zaligmakende ontdekking en afsnijding door de wet wordt bevindelijk plaatsgemaakt voor kennis van Jezus. Deze is aanvankelijk nog geheel en al verborgen. Dan volgt de verkondiging van het Evangelie, waardoor de Middelaar aan de ziel wordt geopenbaard.

Ook ds Moerkerken verwerpt de opvatting dat een dode ziel, nadat zij levend gemaakt is, onmiddellijk Jezus Christus omhelst door het geloof, net zoals degene die de dode in het huis weer opwekt onmiddellijk door hem omhelsd zou worden en duizendmaal welkomgeheten zou worden omdat hij zijn stem gehoord had en zo weer tot leven gewekt werd, om nogmaals met Boston te spreken. Dat is eerst dan het geval als Christus na kortere of langere tijd aan het hart van de wedergeborene wordt geopenbaard, en deze van een kind een jongeling in de genade wordt. Aan de wet wordt een levendmakende bediening toegeschreven, terwijl het Evangelie en de genade die daarin wordt aangeboden ten aanzien van de nog dode zondaar slechts wordt opgevat als een middel om hem temeer schuldig te stellen. Voor zover het Evangelie al algemeen wordt verkondigd, is dat niet het door God verordineerde middel tot de wedergeboorte. Bij deze stand van zaken is het onmogelijk om alle hoorders na de verkondiging van het Evangelie te bevelen om in de hun aangeboden Middelaar te geloven. Voor het geloven moet immers eerst ná de wedergeboorte in de weg van de ontdekking plaatsgemaakt worden. “De inlijving gaat aan de aanneming vooraf! Op die inlijving in Christus komt voor ons nu op reis naar de eeuwigheid alles aan.”[13]

In de praktijk kan het niet anders, of alle nadruk zal in de prediking tot de nog onbekeerden liggen op de wet, zonder dat daarbij tegelijk en aan diezelfde nog onbekeerde zondaren de hartelijke maar tegelijk indringende oproep wordt gedaan om toch met alles wat hen ontbreekt, ook de kennis der ellende, zonder enig uitstel tot Jezus te gaan, Die de macht heeft om doden tot leven te wekken en zonden te vergeven, vergezeld met het bevel om Hem met al Zijn verdiensten te omhelzen, eigen te maken en niets meer buiten Hem te zoeken, NGB art. 22. Het (doel)einde van de wet is dan niet langer Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft, Rom. 10:4, maar de levendmaking tot een zaligmakend begin voor de uitverkoren die nog niet geloven.

Ook hier wordt de wedergeboorte te vroeg geplaatst en worden dode zondaren, die iedere kennis van de Zaligmaker missen, als kinderen van God zalig gesproken. Het is hier, dat zich het dodelijk gevaar van de derde weg ontsluit. Ds Moerkerken zegt nota bene met zoveel woorden: “Er zijn mensen die de Heere vrezen, voor wie de Zon der gerechtigheid nog niet is opgegaan. Zij leven niet meer in het duister, doch ook nog niet in het licht.”[14] En iets verderop luidt het, “dat er onder Gods kinderen zijn, die voor de openbaring van de Persoon van Christus aan hun hart staan, en dat er zijn die daar achter staan.”[15] Daartegenover staat onder vele andere getuigenissen van de Heilige Schrift het woord van Johannes 1:12: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven.

Zijn de gevonden overeenkomsten nu niet vergezocht en suggestief? Ik meen van niet. In een artikel over de honderdste geboortedag van dr Steenblok zegt ds Moerkerken dat deze een “goed gereformeerd theoloog” was. “Wat Steenblok leerde, is voor 98 procent ook in onze prediking te vinden. Het gaat om accenten, niet om het hart van de gereformeerde belijdenis.”[16] Als ik deze opmerkingen plaats tegen de achtergrond van de gesignaleerde overeenkomsten en luister naar de gangbare prediking onder ons heden ten dage, bekruipt mij de bange vrees dat er voor het aanbod van genade zoals door Boston en de Erskines geleerd, in onze gemeenten langzaam maar zeker geen plaats meer overgebleven is. En die vrees wordt alleen nog maar versterkt door een passage uit een eerder artikel van ds Moerkerken in Koers: “Bij Thomas Boston kom ik in het laatste deel van zijn boek over het genadeverbond ook uitspraken tegen die ik op mijn kansel niet zou doen.”[17] Dit zegt de rector van onze Theologische School, die onze predikanten opleidt!

En als u het toch liever op het belijden van de Kerk van alle eeuwen aanhoudt, dan wordt u gecensureerd!

De rechtvaardigmaking in de vierschaar

Een onderzoek naar het antwoord op de vraag

hoe en wanneer de zondaar gerechtvaardigd

wordt in de vierschaar en hoe en wanneer

dit vonnis bekend gemaakt wordt.

”Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?” (Rom. 8:33a)

Inhoudsopgave

TOC \o "1-2" Inhoudsopgave.......................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734048 \h 2

Woord vooraf (op verzoek van de auteur achterwege gelaten)

Inleiding:..................................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734049 \h 4

Probleemstelling:................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734050 \h 5

Werkwijze:.............................................................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734051 \h 5

De Heidelbergse Catechismus:................................................................................................................................ PAGEREF _Toc44734052 \h 7

Zondag 7................................................................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734053 \h 7

Het rechtvaardigende en dierbare geloof bij Van der Kemp........................................................................... PAGEREF _Toc44734054 \h 8

Zacharias Ursinus................................................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734055 \h 8

Het geloof van de gelovige in Zondag 7........................................................................................................... PAGEREF _Toc44734056 \h 9

De bate van het geloof....................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734057 \h 10

Zacharias URSINUS. - Het Schatboek der verklaringen van de Heidelbergse Catechismus....................... PAGEREF _Toc44734058 \h 11

Het ware geloof.................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734059 \h 11

Kenmerken van de gelovige uit Zondag 7....................................................................................................... PAGEREF _Toc44734060 \h 11

Gevolgen van het geloof van Zondag 7.......................................................................................................... PAGEREF _Toc44734061 \h 12

Wie bezitten het geloof?.................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734062 \h 12

Wat is een Christen nodig te geloven?............................................................................................................ PAGEREF _Toc44734063 \h 13

Zondag 23 H.C..................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734064 \h 13

Toelichting van Lansbergen.............................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734065 \h 13

Hoe wordt Christus’ voldoening ons eigendom?.......................................................................................... PAGEREF _Toc44734066 \h 13

Rechtvaardigmaking in de vierschaar in de wedergeboorte......................................................................... PAGEREF _Toc44734067 \h 14

Johannes van der Kemp – Heidelbergse Catechismus: 1)................................................................................. PAGEREF _Toc44734068 \h 16

Wat is nu een oprecht geloof?.......................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734069 \h 16

De eigenlijke daad van het vertrouwend geloof............................................................................................. PAGEREF _Toc44734070 \h 17

De verschillende werkzaamheden van het geloof.......................................................................................... PAGEREF _Toc44734071 \h 18

Onderscheid in de geloofsoefeningen............................................................................................................. PAGEREF _Toc44734072 \h 19

Vijf kenmerken om te weten of ik het geloof heb:........................................................................................... PAGEREF _Toc44734073 \h 20

Gedaagd voor de vierschaar in de wedergeboorte......................................................................................... PAGEREF _Toc44734074 \h 22

Dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking....................................................................................................... PAGEREF _Toc44734075 \h 23

Bediening van de Sleutelen van het Hemelrijk................................................................................................ PAGEREF _Toc44734076 \h 24

Verzekering van het geloof................................................................................................................................ PAGEREF _Toc44734077 \h 24

Dood of levend, ongerechtvaardigd of gerechtvaardigd.............................................................................. PAGEREF _Toc44734078 \h 25

Aanwijzingen voor de gerechtvaardigden...................................................................................................... PAGEREF _Toc44734079 \h 25

Thomas Boston: - De viervoudige staat.............................................................................................................. PAGEREF _Toc44734080 \h 28

De wedergeboorte............................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734081 \h 28

Kennis van Jezus Christus................................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734082 \h 28

Overgegaan in het Verbond des vredes.......................................................................................................... PAGEREF _Toc44734083 \h 28

Verenigd met Christus op de eerste daad des geloofs.................................................................................. PAGEREF _Toc44734084 \h 28

Verandering van hartstochten en genegenheden door de wedergeboorte................................................ PAGEREF _Toc44734085 \h 29

Hoe weet ik of ik wedergeboren ben?.............................................................................................................. PAGEREF _Toc44734086 \h 30

Alle wedergeborenen zijn ingeënt en verenigd met Christus....................................................................... PAGEREF _Toc44734087 \h 30

Afsnijding van de natuurlijke rank................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734088 \h 30

Bij de eerste ontdekking van zonden gedaagd voor Gods vierschaar........................................................ PAGEREF _Toc44734089 \h 31

Levend gemaakt met Christus........................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734090 \h 31

Ben ik van Christus gegrepen?......................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734091 \h 32

De weldaden, die tot de ware gelovigen vloeien, uit hun vereniging met Christus.................................. PAGEREF _Toc44734092 \h 32

De eerste weldaad is de rechtvaardiging......................................................................................................... PAGEREF _Toc44734093 \h 33

Overige weldaden uit de vereniging met Christus......................................................................................... PAGEREF _Toc44734094 \h 34

Scheiding tussen de gerechtvaardigden en de ongerechtvaardigden........................................................ PAGEREF _Toc44734095 \h 35

Alexander Comrie:.................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734096 \h 36

Het ABC des geloofs.......................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734097 \h 36

Het zaligmakende geloof.................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734098 \h 36

Beginnen............................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734099 \h 36

Eigenschappen des geloofs............................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734100 \h 37

Wilhemus à BRAKEL; De Redelijke Godsdienst. (Deel 1.)............................................................................... PAGEREF _Toc44734101 \h 39

De rechtvaardigmaking....................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734102 \h 39

De dadelijke- en lijdelijke rechtvaardigmaking zijn onafscheidelijk............................................................. PAGEREF _Toc44734103 \h 39

Rechtvaardigmaking op de eerste daad des geloofs..................................................................................... PAGEREF _Toc44734104 \h 40

De bekendmaking van het vonnis.................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734105 \h 40

Verzekering van de vrijspraak............................................................................................................................ PAGEREF _Toc44734106 \h 41

De kleingelovige verzekerd van zijn rechtvaardigmaking............................................................................. PAGEREF _Toc44734107 \h 41

Tegenwerpingen.................................................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734108 \h 42

Vermaningen, aanwijzingen en kenmerken...................................................................................................... PAGEREF _Toc44734109 \h 43

Ernstige vermaning aan de gerechtvaardigden.............................................................................................. PAGEREF _Toc44734110 \h 45

Theodorus van der Groe......................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734111 \h 47

De rechtvaardigmaking....................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734112 \h 48

Samenvatting van Gods werk in de gelovigen................................................................................................ PAGEREF _Toc44734113 \h 49

Thomas Watson:..................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734114 \h 51

De hoofdsom van de geloofsleer...................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734115 \h 51

Het ware zaligmakende geloof........................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734116 \h 51

De gouden keten................................................................................................................................................. PAGEREF _Toc44734117 \h 52

De rechtvaardigmaking....................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734118 \h 52

Oproep tot de onbekeerden............................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734119 \h 53

Besluit................................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734120 \h 53

John Owen................................................................................................................................................................ PAGEREF _Toc44734121 \h 55

Rechtvaardigmaking op de eerste daad des geloofs..................................................................................... PAGEREF _Toc44734122 \h 55

Vierschaarbeleving in de wedergeboorte........................................................................................................ PAGEREF _Toc44734123 \h 56

Slotconclusie:....................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734124 \h 57

Thomas Halyburton................................................................................................................................................ PAGEREF _Toc44734125 \h 58

Rechtvaardigmaking in de vierschaar in de wedergeboorte......................................................................... PAGEREF _Toc44734126 \h 58

Hoe spreekt God het vonnis uit?...................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734127 \h 59

De daad van vrijspreking in de wedergeboorte.............................................................................................. PAGEREF _Toc44734128 \h 61

Slotconclusie:........................................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734129 \h 63

Citaten van Reformatoren en Oudvaders........................................................................................................ PAGEREF _Toc44734130 \h 63

Samenvatting van de leer................................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734131 \h 66

Levend gemaakt met Christus – opwassen in het geloof.............................................................................. PAGEREF _Toc44734132 \h 68

De Dordtse Leerregels........................................................................................................................................ PAGEREF _Toc44734133 \h 69

De Nederlandse Geloofsbelijdenis.................................................................................................................... PAGEREF _Toc44734134 \h 71

Bediening van de Sleutelen van het Hemelrijk:............................................................................................... PAGEREF _Toc44734135 \h 73

Zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen.................................................................................... PAGEREF _Toc44734136 \h 75

Toevoegsel: HET GELOOF een genade, waardoor de ziel gerechtvaardigd wordt...................................... PAGEREF _Toc44734137 \h 79

Inleiding:

In het voorwoord van het boek “Een zedig onderzoek” van Thomas Halyburton, dat handelt over het leerstuk van de rechtvaardigmaking, schrijft de bekende vertaler C.B. van Woerden dat in zijn dagen (1929) onder Gods kinderen de onkunde van het leerstuk van de rechtvaardigmaking groot is. Hij noemt het een misvatting dat kinderen Gods, aan wie Christus Zich heeft geopenbaard, maar die de verzekering des geloofs missen, wel als kinderen Gods worden erkend, beschouwd en bemind, doch tegelijkertijd worden aangemerkt als niet gerechtvaardigd. Alsof iemand, die niet gerechtvaardigd is, zalig zou kunnen worden. Van Woerden noemt dit een schromelijke misvatting en een begripsverwarring ten opzichte van de rechtvaardigmaking in het hof des hemels en de openbaring of kennisgeving daarvan in het geweten van de gerechtvaardigde zondaar door de Heilige Geest, waardoor hij de verzekering ontvangt dat hij gerechtvaardigd is en zijn zonden vergeven zijn.

Bij veel hedendaagse predikanten en kinderen van God in de breedte van de Gereformeerde Gezindte heerst de vaste overtuiging, die men grondt op Gods Woord, de belijdenisgeschriften (met name de Heidelbergse Catechismus), de Oudvaders en de bevindingen van Gods volk, dat een wedergeboren kind van God, bedeeld met een waar zaligmakend geloof en met de kennis van Jezus Christus, later met alles wat hij van de Heere heeft ontvangen, de dood in moet en sterven moet onder het recht Gods, omdat hij nog niet gerechtvaardigd is en zijn zonden nog niet zijn vergeven. De zonden waren al wel bedekt, bij de eerste openbaring van Christus aan de ziel, maar nog niet vergeven. Nadat hij gedaagd wordt voor de vierschaar Gods, ook wel genoemd de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, wordt hij gerechtvaardigd. Deze zgn. vierschaarbeleving is min of meer visionair, waarbij er sprake is van een rechtbank, van aanklagers, bestaande uit de Wet, de Satan en het geweten. Als de gedaagde voor de rechtbank staat, krijgt hij Gods deugden liever dan zijn eigen zaligheid en wordt hij gewillig om verloren te gaan. In dit dodelijk tijdsgewricht komt Christus vanachter het eisende recht van God te voorschijn en ontvangt de gedaagde de vergeving der zonden.

Dit is dan een buitengewone weldaad, die temporeel (in tijd) meestal ver gescheiden is van de wedergeboorte. Deze weldaad van de rechtvaardigmaking komt in onze dagen nog sporadisch voor en valt lang niet alle kinderen Gods ten deel. Velen, die gehouden worden voor Gods kinderen, sterven echter, zonder dat zij kunnen of durven getuigen dat zij deze nadere weldaad hebben ontvangen. Hoewel de Heere het goede werk in hen begonnen is en zij allerlei geestelijke ondervindingen hebben gehad en ook wel deel genomen hebben aan het Heilig Avondmaal, beschouwen zij zichzelf als zijnde niet gerechtvaardigd en missen zij de vergeving der zonden. Toch wordt er na hun dood vaak niet aan getwijfeld dat zij toch voor eeuwig behouden zijn. Zij waren wel bekeerd, maar niet gerechtvaardigd. Wel bekeerd, maar zij misten de vergeving van hun zonden.

Bij deze visie is de rechtvaardigmaking in de vierschaar dus een nadere weldaad die temporeel gescheiden is van de wedergeboorte, die (meestal) veel later na de wedergeboorte plaats vindt en de meeste gelovigen niet ten deel valt. Zolang deze weldaad de kinderen Gods nog niet ten deel is gevallen, zijn hun zonden nog niet vergeven en leven zij meestentijds in veel bekommering, angst en vreze, twijfel en aanvechtingen. Zij hebben de vaste overtuiging dat zij nog voor het gerechtigheid eisende en verdoemende recht van God staan en hieronder verloren moeten gaan, alvorens hun zonden vergeven kunnen worden en zij daadwerkelijk gerechtvaardigd worden. Deze visie stempelt het hele geloofsleven en domineert ook de prediking. Als er in de prediking wel eens ruim van Christus wordt gesproken en het bekommerde kind van God wel eens een verruiming of ademtocht mag krijgen, waardoor zijn hart naar Christus uit mag gaan en de hoop verlevendigd mag worden, dan wordt deze vreugde aanstonds weer snel weggenomen door de waarschuwing van de predikant en door zijn eigen vaste overtuiging dat hij nog met alles de dood in moet en moet sterven onder het recht Gods.

Om deze leer van de rechtvaardigmaking Bijbels te onderbouwen, worden meestal Oudtestamentische geschiedenissen vergeestelijkt, door ze allegoriserend (zinnebeeldig) uit te leggen. De bekendste geschiedenissen hierbij zijn Jacob te Pniël, Ruth die in de poort gelost wordt door Boaz en Esther in haar gang naar koning Ahasveros.

In de uitleg van de Heidelbergse Catechismus wordt Zondag 7 temporeel gescheiden van zondag 23, waarbij zondag 7 wordt gezien als de wedergeboorte en zondag 23 als een aparte nadere weldaad die later plaats vindt bij de gelovige, waarbij hij voor de vierschaar Gods wordt gedaagd en gerechtvaardigd wordt. Hierbij beroept men zich op de uitleg van Zondag 23 van de H.C., door een aantal Nederlandse Oudvaders, waarin de vierschaarbeleving wordt beschreven.

Daar er in deze tijd steeds vaker kritiek wordt gehoord op, en verwarring ontstaat over de prediking van deze leer van de rechtvaardigmaking, richt deze scriptie zich op de volgende vragen:

Probleemstelling:

Hoe en wanneer wordt een zondaar gerechtvaardigd in de vierschaar?

Kan een mens wederom geboren zijn en toch niet gerechtvaardigd zijn?

Kan een mens wel het geloof deelachtig zijn, terwijl zijn zonden niet vergeven zijn?

Hoe weet een mens dat zijn zonden vergeven zijn, hoe en wanneer wordt dit vonnis hem bekendgemaakt?

Werkwijze:

Omdat men de leer van de rechtvaardigmaking vooral predikt aan de hand van de Heidelbergse Catechismus, acht ik het van groot belang om hier als eerste mijn aandacht op te richten.

Vervolgens is het van groot belang om te luisteren naar de uitleg van de Heidelbergse Catechismus, door de opsteller zelf, in het Schatboek van Zacharias Ursinus.

Hierna heb ik onderzocht hoe Johannes van der Kemp Zondag 7 en Zondag 23 uitgelegd heeft in zijn verklaring van de H.C.

Vervolgens heb ik getracht een zo nauwkeurig mogelijke analyse te maken van de beschrijving van de derde staat (de wederoprichting) van de mens uit het bekende boek “De viervoudige staat” van Thomas Boston. Vervolgens passeren een aantal bekende Nederlandse, Engelse en Schotse Oudvaders de revue, te weten Alexander Comrie, Wilhelmus à Brakel, Theodorus van der Groe, Thomas Watson, John Owen en Halyburton. Ik heb hierbij niet alleen getracht om hun uitleg van het leerstuk van de rechtvaardigmaking dogmatisch te benaderen, maar heb ook zoveel mogelijk de pastorale kant van de zaak verwoord, zoals dat functioneerde bij deze Oudvaders. Hieruit komen genoemde zaken in hun toepassing soms zeer helder naar voren en kan er mijns inziens nog duidelijker een vergelijking getrokken worden met de hedendaagse prediking. Niet in de laatste plaats heb ik, omdat het hier gaat over het belangrijkste leerstuk van de kerk, vooral het oog gehad op vele bekommerde en twijfelende zielen die met deze zaken worstelen en hun weg veelal in duisternis en bekommernis moeten gaan. Hoe immers zullen Gods wonderen verkondigd worden in de duisternis?

**********


De Heidelbergse Catechismus:

Gaat het in Zondag 7 en in Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus over twee verschillende en temporeel (in tijd) van elkaar gescheiden zaken in de bekering van een zondaar? Is het geloof, waarvan in Zondag 7 wordt gesproken een ander geloof dan het geloof waarvan in Zondag 23 wordt gesproken? Dit is de grote vraag, waarop wij het antwoord proberen te vinden aan de hand van de Heidelbergse Catechismus zelf en aan de hand van de verklaring van de H.C. door de opsteller van de H.C. zelf, in het Schatboek van Ursinus.

Zondag 7.

Antwoord 20 in Zondag 7 van de H.C. zegt duidelijk dat alleen diegenen zalig worden die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen. Dit geloof is een rechtvaardigend geloof. Zo wordt het door de opsteller van de H.C. Zacharias Ursinus genoemd in zijn Schatboek der verklaringen van de Heidelbergse Catechismus. (blz. 148, 152) Op de vraag wat dan een waar geloof is (vr. 21) antwoordt de H.C. dat dit ware geloof niet alleen bestaat uit een zeker weten en kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, hetgeen God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft; maar ook in een vast vertrouwen hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus’ wil. De vergeving der zonden is onlosmakelijk verbonden met het geloof van Zondag 7.

Vervolgens wordt in vr. 22 de vraag gesteld wat dan een Christen nodig is te geloven. Het antwoord hierop is dat een Christen alles moet geloven wat hem in het Evangelie beloofd wordt. Dit alles wordt samengevat in de 12 Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. In de daarop volgende Zondagen 8 t/m 22 worden deze 12 artikelen, die alle twaalf door het geloof, zoals vermeld in Zondag 7, door de gelovige zijn aangenomen, nader uitgelegd. Als afsluiting van dit zeer gewichtige leerstuk wordt vervolgens in vraag 59 van Zondag 23 de logische vraag gesteld wat het nu baat dat de gelovige (uit Zondag 7) dit alles gelooft. Het antwoord is dat hij in Christus voor God rechtvaardig is, en een erfgenaam is van het eeuwige leven.

In vraag 60 van Zondag 23 wordt de vraag gesteld: “Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?”. De kern van dit antwoord is hetzelfde als het antwoord op vraag 20 in Zondag 7, nl. Alleen door een waar geloof in Jezus Christus. Deze weldaad van de schenking en toerekening van de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus wordt door God, uit loutere genade, geschonken alleen als ik deze weldaad met een gelovig hart aanneem. Bedoeld wordt hier het geloof zoals vermeld in Zondag 7. Te veronderstellen dat er tweeërlei soort van geloof zou zijn, dus een niet rechtvaardigend geloof in Zondag 7 en een rechtvaardigend geloof in Zondag 23, zou een ernstige dwaling zijn, strijdig met Gods Woord en de Belijdenisgeschriften. De niet geheel juiste Nederlandse vertaling van het woordje “in zoverre” in antwoord 60 van de H.C. ( “in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem” ) wordt wel eens uitgelegd als een trapsgewijs aannemen van deze weldaden, wat dan betekenen zou dat er trappen in de rechtvaardiging zouden zijn. Dit is strijdig met de uitleg van de H.C. (505) Bovendien laten de oorspronkelijke vertaling van de H.C. in het Latijn, alsmede de Duitse vertaling een dergelijke uitleg niet toe. 1)

1) Latijn: “modo haec beneficia vera animi fiducia amplectar” modo betekent: alleen als, in zoverre als, mits. Duits: “wenn ich allein solche wohltat mit glaubigen hertzen annehme” betekent: alleen als ik zo’n weldaad met een gelovig hart

aanneem.

Het rechtvaardigende en dierbare geloof bij Van der Kemp.

Dat het om één en hetzelfde rechtvaardigende geloof gaat in Zondag 7 en in Zondag 23 wordt helder en duidelijk beschreven in de inleiding van Van der Kemp op Zondag 23 van de H.C., waar hij een uitleg geeft van het dierbare geloof. (408)

Het dierbare geloof noemt Van der Kemp de sierlijkste erenaam van het geloof.

Dit geloof is dierbaar om de volgende redenen:

1. Omdat het alleen aan Gods dierbare uitverkorenen gegeven is.

2. Omdat het, met verloochening van eigen vernuft en verstand de onzichtbare God, enkel op Zijn zeggen, als waarachtig erkent en op Zijn openbaring in toekomende dingen rust. Het neemt Gods getuigenis aan en verzegelt dat God waarachtig is. Het is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet.

3. Omdat het zeer dierbare voorwerpen van Zijn heiligheid heeft, namelijk de grootste en dierbare beloften. Het heeft de Drie-enige God en al Zijn zalige en diepe verborgenheden.

Omdat het zoveel nut en vrucht aan de gelovige toebrengt. Het verenigt hem met God en Christus, die het in zijn hart doet wonen. (408) Geeft hem macht om Gods kinderen te worden. Reinigt het hart. Maakt het gebed krachtig, overwint de wereld. Alle dingen zijn mogelijk, degene die gelooft.

4. Het allergrootst en dierbaarste is dit dierbaar geloof omdat het de strafschuldige zondaar

Voor God in Christus rechtvaardigt en hem tot een erfgenaam van het eeuwige leven maakt. (409)

Van der Kemp, in zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus, vat dit alles als volgt samen:

De Onderwijzer, om de dierbaarheid van het geloof zijn leerling smakelijk te maken, acht het niet genoeg om de noodzakelijkheid en de natuur van het dierbaar geloof in Zondag 7 en het grote Voorwerp van het geloof in Zondag 8-22 te verklaren, maar hij laat zich ook uit in de vertoning van het grootste nut van dit dierbare geloof, namelijk de rechtvaardigmaking van de zondaar voor God door het geloof, wat hij verklaart in Zondag 23. (409)

Kort samengevat leert de H.C. dat de mens alleen zalig kan worden door het geloof. Dit geloof, genoemd in Zondag 7, neemt alle weldaden van het Evangelie aan, zoals deze samengevat worden in de 12 Artikelen. Door dit aannemen wordt hij Christus ingelijfd, krijgt hij deel aan al deze weldaden en is hij rechtvaardig voor God, zoals dat nader uitgelegd wordt in Zondag 23.

Zacharias Ursinus.

Zacharias Ursinus geeft van Vraag 22 (Wat is dan een Christen nodig te geloven?) en Antwoord 22 (Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt…) de volgende verklaring;

Het geloof neemt in het algemeen het ganse Woord van God en alles wat daarin begrepen ligt, aan, zoals dit verwoord is in de definitie van het geloof. Het rechtvaardigend geloof ziet op de beloften van het Evangelie en neemt die alle aan.

In het Evangelie is de wil van God of de bekendmaking van de genadige verlossing van de zonde en de dood van het menselijke geslacht begrepen. Dit betekent het om en door Christus teruggeven van vergeving der zonden, gerechtigheid en het eeuwige leven aan allen die Zijn verdiensten met een waar geloof omhelzen. Het rechtvaardigend geloof strekt zich dus tot de ganse leer van het Evangelie uit.

Daarom wordt het Evangelie genoemd, de leer der dingen die men geloven moet, tegenover de Wet die de leer is van de dingen die met doen moet.

Het geloof steunt uitsluitend op het Woord van God, als een onbeweeglijk fundament.

Daarom moeten de Christenen zelf niet verzinnen wat zij geloven zullen, noch iets aannemen, dat door anderen bedacht en geleerd wordt. Maar zij moeten alleen het Evangelie geloven. Markus 1:15; “Bekeert u en gelooft het Evangelie” (Schatboek, Deel 1, blz. 156)

Het geloof van de gelovige in Zondag 7.

De H.C. acht het in vr. 22 van Zondag 7 dus noodzakelijk dat de Christen alles moet geloven wat in het Evangelie is beloofd, wil er sprake zijn van een waar geloof. Vervolgens worden al deze weldaden, die de gelovige gelooft, nader uitgewerkt in de Zondagen 8 t/m 22.

De gelovige in Zondag 7 gelooft namelijk het volgende:

· Hij gelooft dat de eeuwige Vader, om Zijns Zoons Christus’ wil zijn God en zijn Vader is. (antw. 26)

· Hij gelooft in de Zaligmaker, omdat Hij hem zalig maakt en van al zijn zonden verlost. (antw. 29)

· Hij gelooft dat hij deze Zaligmaker met een waar geloof heeft aangenomen, waardoor hij alles in Hem heeft, wat tot zijn zaligheid nodig is. (antw. 30)

· Hij gelooft dat Christus hem, als de Hogepriester, met de offerande van Zijn lichaam, verlost heeft. (antw. 31)

· Hij gelooft dat hij door het geloof een lidmaat van Christus is en Zijn zalving deelachtig is. (antw. 32)

· Hij gelooft dat hij, om Zijnentwil uit genade tot een kind Gods is aangenomen. (antw. 33)

· Hij gelooft dat de Heere hem met Zijn bloed verlost heeft van al zijn zonden en de heerschappij van de duivel. (antw. 34)

· Hij gelooft dat Christus zijn Middelaar is, die zijn zonde voor Gods aangezicht bedekt. (antw. 36)

· Hij gelooft dat Christus door Zijn lijden en zoenoffer, zijn lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis heeft verlost en hem Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven heeft verworven. (antw. 37)

· Hij gelooft dat hij van het strenge oordeel Gods is bevrijd. (antw. 38)

· Hij gelooft dat Christus zijn vervloeking, die op hem lag, op Zich geladen heeft. (antw. 39)

· Hij gelooft dat de Zoon van God door Zijn dood, zijn zonden betaald heeft. (antw. 40)

· Hij gelooft dat Christus door Zijn kruisdood, zijn vervloeking op Zich gelegd heeft. (antw. 39)

· Hij gelooft dat zijn dood een afsterving van de zonden is en een doorgang tot het eeuwige leven. (antw. 42)

· Hij gelooft dat zijn oude mens met Christus begraven is. (antw. 43)

· Hij gelooft dat Christus hem van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft. (antw. 44)

· Hij gelooft dat hij Christus’ gerechtigheid deelachtig is geworden, dat hij opgewekt is tot een nieuw leven. (antw. 45)

· Hij gelooft dat Christus met Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest nooit meer van hem wijkt. (antw. 47)

· Hij gelooft dat Christus zijn Voorspreker is en hem als Zijn lidmaat tot Zich zal nemen. (antw. 49)

· Hij gelooft dat hij hemelse gaven ontvangt en tegen alle vijanden beschut en bewaard wordt (antw. 51)

· Hij gelooft dat Christus Zich, om zijnentwil voor Gods gericht gesteld heeft en al zijn vloek heeft weggenomen en hem tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal. (antw. 52)

· Hij gelooft dat de Heilige Geest aan hem is gegeven, en dat de Heilige Geest hem door een waar geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig maakt, hem troost en eeuwig bij hem blijft. (antw. 53)

· Hij gelooft dat hij een levend lidmaat is van Gods uitverkoren Gemeente en eeuwig zal blijven. (antw. 54)

· Hij gelooft dat hij als een lidmaat gemeenschap heeft aan Christus en aan al Zijn schatten en gaven. (antw. 55.)

· Hij gelooft dat God zijn zonden nimmermeer zal gedenken en hem uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, zodat hij nooit meer in het gericht van God zal komen. (antw. 56)

· Hij gelooft dat hij na zijn dood tot Christus opgenomen zal worden en eenmaal met lichaam en ziel Christus gelijkvormig zal worden. (antw. 57)

· Hij gelooft, terwijl hij nu al het beginsel van de eeuwige vreugde in zijn hart voelt, dat hij na dit leven volkomen zaligheid zal bezitten en God eeuwig zal prijzen. (antw. 58)

De bate van het geloof.

Na deze indrukwekkende opsomming van het rechtvaardigend geloof uit zondag 7, besluit de Onderwijzer met zijn vertroostende vraag: “Wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?” Waarop hij antwoordt dat hij in Christus voor God rechtvaardig is en een erfgenaam van het eeuwige leven. (Z.23, vr/antw. 59)

De gelovige kan aan de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus niet anders deel krijgen dan deze door het geloof aan te nemen en toe te eigenen. (antw. 61)

Hierdoor is hij Christus door een waarachtig geloof ingeplant en brengt hij vruchten der dankbaarheid voort. (antw. 64)

Het geloof, dat hem Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, is door de Heilige Geest, d.m.v. de verkondiging van het heilig Evangelie, in het hart gewerkt en wordt gesterkt door het gebruik van de Sacramenten. (vr./antw. 65)

Door de Sacramenten worden de beloften van het Evangelie, namelijk de vergeving der zonden en het eeuwige leven, verzegeld. (antw. 66)

Het Avondmaal des Heeren is ingesteld voor degene die zichzelf vanwege zijn zonden mishaagt, en nochtans vertrouwt dat zijn zonden hem om Christus’ wil vergeven zijn. (antw. 81)

Volgens het bevel van Christus moet aan iedere gelovige verkondigd en openlijk betuigd worden dat zijn zonden hem waarachtig door God, om Christus’ wil vergeven zijn, zovaak hij de beloften van het Evangelie met een waar geloof aanneemt. (antw. 84)

**********

Zacharias URSINUS. - Het Schatboek der verklaringen van de Heidelbergse Catechismus.

Vervolgens gaan we luisteren naar de uitleg van de H.C. door de opsteller zelf, Zacharias Ursinus. Alle hierover vermelde tekst is afkomstig van Deel 1 van het Schatboek.

De H.C. leert duidelijk in Zondag 7 wat een oprecht geloof is en wat het middel is waardoor men de verlossing deelachtig wordt.

Het rechtvaardigend geloof in Vraag 21 vereist kennis, toestemming en vertrouwen.

Het ware geloof.

Bij de kennis noemt het Schatboek Joh. 17:3, Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen en waarachtigen God en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

Toestemmen is alles voor waarachtig houden wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, zoals vermeldt in Joh. 3:33, Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is.

Het vertrouwen is een, onafscheidelijk bij het ware geloof behorend, toeëigenen van de genadige kwijtschelding der zonden om Christus wil. (148)

Dit rechtvaardigmakende en zaligmakende geloof is dus onderscheiden van het historisch-, tijd- en wondergeloof, omdat dit geloof alleen een vast vertrouwen is, waardoor wij ons Christus’ verdienste toeëigenen. En dat geschiedt wanneer wij stellig geloven dat de gerechtigheid of verdiensten van Christus ook ons geschonken en toegerekend worden. (149)

Kenmerken van de gelovige uit Zondag 7.

Volgens Ursinus, in zijn uitleg van Zondag 7, bevindt iedere gelovige bij zichzelf het volgende:

1. Hij gelooft, dat alles wat in de Schrift begrepen is, waar en van God is.

2. Hij gevoelt zich verplicht om al deze dingen vast te geloven en te omhelzen, want, zo

redeneert hij: Is dit Woord waar en Goddelijk, dan is het ook billijk dat ik het geloof.

3. In dit alles aanschouwt, omhelst en eigent hij zich in het bijzonder de belofte des Evangelies toe, met betrekking tot Gods genade of vergeving der zonden, en het schenken van de gerechtigheid en het eeuwige leven aan alle gelovigen, om Christus’ wil en door Hem. Want “die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven.” Joh. 3:36.

4. Een vast rusten op Gods tegenwoordige genade jegens hem.

5. Een wil en een ernstig voornemen om God in alles gehoorzaam te zijn.

6. Blijdschap in het hart en vrede in het geweten. (149, 150)

De oorzaak die aan het geloof zijn wezen geeft en het tot een waarachtig en echt geloof maakt, is het vertrouwen en de toeëigening van de genadige vergeving der zonden door Christus en een vreugde en rust in God vanwege deze grote weldaden.

Dit geloof ziet op Christus en de belofte der genade, het is te vinden in het verstand, de wil en het hart en heeft als doel God te prijzen en groot te maken en ons zalig te maken. (151)

Gevolgen van het geloof van Zondag 7.

Op de vraag wat het geloof (genoemd in Zondag 7) werkt en voortbrengt antwoordt Ursinus:

1. De rechtvaardigmaking voor God.

2. Een vreugde en rust in God en vrede der consciëntie.

3. De gehele bekering of wedergeboorte.

4. Vruchten der bekering, of een nieuwe gehoorzaamheid.

Het eerste wat dit rechtvaardigend geloof, genoemd in Zondag 7, voortbrengt, is de rechtvaardigmaking. Hieruit vloeien alle andere weldaden voort en wel zodanig dat ook het geloof de oorzaak is van deze weldaden. (152)

Ursinus vat dit alles als volgt samen: door het geloof worden wij gerechtvaardigd en wedergeboren zodat daaruit duidelijk is dat wij alleen door het geloof gerechtvaardigd en wedergeboren worden. Rom. 3:28 en 10:10, Hand. 13:39. (152)

Wie bezitten het geloof?

Op de vraag aan wie het geloof gegeven wordt antwoordt Ursinus:

Het rechtvaardigend geloof wordt aan alle uitverkorenen gegeven. (152)

Op de tegenwerping dat alle uitverkorenen dit niet hebben antwoordt Ursinus dat het vaststaat dat alle uitverkoren dit rechtvaardigend geloof hebben en voegt hij er aan toe dat zij ook de belijdenis van dit geloof hebben om de volgende redenen:

1. Omdat God het bevolen heeft. Ex. 20:7, Mt. 10:23.

2. Omdat de ere Gods dit vereist. Mt. 5:16.

3. Omdat het geloof niet ledig kan zijn. (Ps. 92:13.)

4. Om onze zaligheid. Rom. 10:10.

5. Om anderen daardoor tot Christus te kunnen brengen. Luk. 22:32. (153)

Voor Ursinus is het geen vraag hoe wij weten dat wij het geloof bezitten, maar een vaststelling.

De gelovigen weten dat om de volgende redenen: (153)

1. Uit het getuigenis van de Heilige Geest.

2. Uit het gevoel van het geloof zelf. Dit bestaat uit een waarachtige en ongeveinsde begeerte om de ons aangeboden weldaden van Christus deelachtig te worden, want wie gelooft, weet ook dat hij gelooft. 2 Tim. 1:12, Want ik weet Wien ik geloofd heb; 2 Kor. 4:13, Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook, en 1 Joh. 5:10, Die in den Zone Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven.

3. Uit de strijd des geloofs tegen de twijfel.

4. Uit de werkzaamheden des geloofs, bestaande in een ernstig voornemen en een ijver om God naar al Zijn geboden te gehoorzamen. (153)

Wat is een Christen nodig te geloven?

Bij de verklaring van vraag 22, Wat is dan een Christen nodig te geloven? antwoordt Ursinus dat het rechtvaardigend geloof ziet op de beloften van het Evangelie en die alle aanneemt. Het rechtvaardigend geloof strekt zich uit tot de ganse leer van het Evangelie. (156)

Het is dus op grond van het belijden van de H.C. onmogelijk om het rechtvaardigend geloof te bezitten, zoals genoemd in Zondag 7, zonder te geloven in de vergeving der zonden. De beloften uit het Evangelie zijn samengevat in de 12 Artikelen waarin ook beleden wordt: Ik geloof in de vergeving der zonden.

In de bespreking van dit artikel in vraag en antwoord 56 van Zondag 21 van de H.C. zegt Ursinus dat alle uitverkorenen vergeving der zonden hebben, omdat zij geloven. (476)

Zij ontvangen de vergeving wanneer zij bekeerd en met het geloof begiftigd worden.

Dit Artikel houdt tevens de rechtvaardigmaking in. Vergeving der zonden betekent rechtvaardig voor God zijn. God vergeeft de zonden wanneer de mens bekeerd wordt. De uitvoering van de vergeving der zonden geschiedt op het moment dat de vergeving, zoals voorgedragen in het Evangelie, door het geloof wordt toegeëigend. Om van de vergeving verzekerd te zijn is een oprecht geloof en ware bekering nodig. (477)

Zondag 23 H.C.

Wanneer wij de 12 Artikelen, zoals genoemd in Zondag 7 en nader uitgelegd in Zondag 8 t/m 22, recht geloven, d.w.z. weten, verstaan, toestemmen en persoonlijk hebben toegeëigend, volgt in Zondag 23 van de H.C. wat hiervan nu de vrucht of de nuttigheid is die wij hierdoor verkrijgen. Deze vrucht is de rechtvaardiging voor God en het eeuwige leven. (504)

Toelichting van Lansbergen.

Zeer scherp is Lansbergen in zijn verklaring van Vraag 59 in het Schatboek van Ursinus, als hij wat dieper ingaat op de vraag: Wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft. (504)

Er is geen enkele vrucht voor ons als wij niet alles geloven hetgeen in deze Artikelen begrepen is. Indien iemand maar één Artikel in twijfel trekt of verwerpt, dan keert hij het hele geloof om en vernietigt hij het en kan hij het loon des geloofs niet ontvangen. Lansbergen verwijst hierbij naar de Apostel Paulus die schrijft dat diegene vervloekt is, al was hij een engel uit de hemel, die een ander Evangelie verkondigt, buiten hetgeen hij verkondigd heeft. Voor Lansbergen is het vast en zeker dat zij die een van deze Artikelen niet geloven, zichzelf een ander Evangelie voorstellen dan de Apostelen predikten en dat zij daarom niet zalig kunnen worden. (505)

Door het rechtvaardigend geloof, genoemd in Zondag 7, heeft de gelovige dus alle Artikelen aangenomen, anders is het geen waar geloof.

Wie één Artikel niet gelooft, verloochent alle Artikelen! (505)

Hoe wordt Christus’ voldoening ons eigendom?

Ursinus werpt vervolgens de grote vraag op hoe nu de voldoening van Christus, die geheel buiten ons ligt, de onze kan worden. (514)

Deze voldoening, die de onze niet is, wordt de onze in de weg van toeëigening.

Deze toeëigening is tweeërlei, n.l. van God (een Goddelijke) en die van de mens.

Vanuit de gereformeerde theologie zouden we hier dus kunnen spreken van de dadelijke rechtvaardiging van Gods zijde en de lijdelijke rechtvaardiging van de zijde van de mens.

1. De toeëigening van God geschiedt van Godswege, wanneer Hij ons de voldoening van Zijn Zoon schenkt en toerekent en Hij ons om Hem rechtvaardigt, d.w.z. vrijspreekt van de schuld en van alle misdaden en ons voor rechtvaardig verklaart, alsof wij nooit gezondigd hadden. Deze toeëigening wordt genoemd: de toerekening van Christus gerechtigheid en de rechtvaardiging des Evangelies, d.w.z. de genadige kwijtschelding der zonden omwille van de voldoening van Christus. In het Schatboek wordt hierbij ook verwezen naar art. 23 van de N.G.B. waarboven geschreven staat dat onze rechtvaardigmaking bestaat in de vergeving der zonden en toerekening van de gehoorzaamheid van Christus.

2. Onze toeëigening is het aannemen van de gerechtigheid van Christus, zoals ons die door God geschonken en toegerekend wordt door het geloof. Zoals iemand met zijn hand het kleed aangrijpt en dat tot het zijne maakt door het om zijn lichaam te slaan. Of zoals de bedelaar met zijn hand een aalmoes van een rijke ontvangt en zo tot de zijne maakt.

Deze toeëigening geschiedt onzerzijds door de gelovige aanvaarding van de gerechtigheid van Jezus Christus. De rechtvaardigheid van Jezus Christus is de onze door het geloof.

Zonder deze toeëigening van onze kant geschiedt de Goddelijke ook niet, maar het is noodzakelijk dat ze beide samengaan. (514)

Rechtvaardigmaking in de vierschaar in de wedergeboorte.

Bij zijn uitleg van Zondag 23 in het schatboek gaat Lansbergen vervolgens nader in op de leer van de rechtvaardigmaking. Nadat hij heeft aangetoond dat wij in deze leer een zekere troost en een afdoend antwoord bezitten tegen alle aanklachten van ons geweten doordat Christus met Zijn zoenoffer de toorn van God gestild heeft en wij met Hem verzoening, vergeving en betaling verkregen hebben door Zijn bloed, geeft Lansbergen een beschrijving hoe een dode zondaar nu deel krijgt aan deze weldaden. (518, 519)

Duidelijk omschrijft hij hier de weg der bekering, hoe een mens eerst ontdekt wordt aan zijn zonde en schuld door een ontwaakt geweten; voor Gods gericht wordt gedaagd waar hij beschuldigd wordt door de satan, zijn geweten en Gods gerechtigheid en waarheid; waarna hij vervolgens het Evangelie hoort, en de vrijspraak hoort en ontvangt tot vergeving der zonden.

Een vierschaarbeleving dus van een dode zondaar, wiens geweten ontwaakt is. Lansbergen beschrijft dit als volgt:

Waar nu dit zaligmakend geloof niet is, daar moet de mens in wanhoop en twijfelmoedigheid vergaan. Wanneer het geweten echter ontwaakt en denkt aan de gruwelijke straf voor de zonden, dan begint satan deze aanvechtingen aan te blazen en op te stoken, om deze arme mens alle hoop op Gods genade te ontnemen. Als de mensen hun zonden een weinig gaan gevoelen, bespaart de duivel zich geen moeite om de weg der bekering te ondermijnen en ze tot wanhoop te brengen. Dit doet hij door ze de grootheid van hun zonden voor ogen te stellen, waardoor zij Gods toorn en verdoemenis verdiend hebben.

Het ontwaakte geweten bevindt zich naakt en bloot voor Gods gericht (vierschaar WvS). Zijn geweten is hem als een getuige en kan geen rust vinden tengevolge van het aanschouwen van de zonden en van Gods rechtvaardige toorn, oordeel en de wachtende straf voor de zonden. Hierdoor moet het geweten al schromende en bevende versmachten en kan het bij zichzelf geen enkele uitvlucht vinden. Het heeft geen enkele verontschuldiging want zijn eigen hart getuigt daar tegen.

Ook Gods gerechtigheid en waarheid staan daar, die niet gekrenkt kunnen worden.

Satan, als een slechte raadsman, doet zijn best om de zonde nog levendiger te maken en Gods toorn te vergroten.

Zo is er niets meer dat hem troosten kan, dan alleen het Evangeliewoord:

Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark. 1:15); Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden (Hand. 16:31); Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Mat. 11:28); Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Mat. 9:13); Alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16). (518)

Wanneer de verslagen en verbroken mens deze inspraak van het Evangelie hoort en ontvangt, dan zet de troost in. (Je zou dit de openbaring van Jezus Christus aan de ziel kunnen noemen. (WvS) Dan mag hij vrijuit spreken en antwoord geven op de klachten van zijn geweten en de aanvechtingen van satan dat de genadige God door Christus met hem verzoend is. Daar moeten de beschuldigingen ophouden, omdat God vrijspreekt en de zonden vergeeft.

Hij is rechtvaardig, maar hetgeen Christus betaald heeft, zal Hij niet nogmaals eisen!!

De gelovige vindt zijn troost in de leer van de rechtvaardigmaking, dat hij door Christus deel heeft aan de rechtvaardigheid, heiligheid en het eeuwige leven. Daardoor zijn niet alleen de overgebleven gebreken bedekt en worden zij niet door God toegerekend, maar hij ervaart tevens bij zichzelf, dat de kracht van Christus door de Heilige Geest in hem de lust en begeerte tot heiligheid en gerechtigheid werkt. (Rom. 8:1 en 4)

Bovendien strijdt hij tegen de zonde en alle ongerechtigheid (1 Kor. 9:27) en is hij ervan verzekerd dat hij door Christus uiteindelijk overwinnen zal. (1 Kor. 15:57), ja, dat de God des vredes de duivel haast onder zijn voeten verpletteren zal. (Rom. 16:28)

Waar dan zo’n gelovige zich heen wendt en welke aanvechtingen hem mogen wedervaren, hij vindt door het geloof in Christus alleszins vastheid om staande te kunnen blijven en uit alle struikelingen weer te worden opgericht. (519, 520)

Op de vraag waarom wij alleen door het geloof gerechtvaardigd worden, antwoordt Ursinus: Omdat het geloof het instrument en de hand is, waardoor men krijgt aan te vatten en zich mag toeëigenen de rechtvaardigheid, die om niet in het Evangelie aangeboden wordt. (522)

Dit is het Evangelie van Christus, waarvoor Paulus zich niet schaamde, omdat hierin de rechtvaardigheid Gods wordt geopenbaard, uit geloof tot geloof. (Rom. 1:16, 17)

**********


Johannes van der Kemp – Heidelbergse Catechismus: 1)

In zijn verklaring van Zondag 7, antwoordt Van der Kemp op de vraag hoe een mens zalig wordt, dat hoewel de zaligheid door Christus zonder hun toedoen verworven wordt, hun die verworven zaligheid nochtans niet deelachtig gemaakt wordt dan alleen door het geloof.

Alleen door het geloof worden de uitverkorenen in Christus ingelijfd.

Zonder het geloof is een mens zonder Christus en, zoals een rank van de wijnstok, afgescheiden en verworpen!

Door het geloof wordt hij met Christus verenigd en woont Christus door het geloof in het hart. Hierdoor wordt hij één plant en één lichaam met hem, verkrijgt hij Zijn zaligende invloed en wordt hij gerekend alsof hij met Hem vernederd en verhoogd was. (156)

Door dit geloof neemt men Christus en al Zijn weldaden aan en eigent men de Zaligmaker en Zijn verworven zaligheid voor zichzelf, waardoor men Hem heeft en de zaligheid in Hem. (156,157)

Het antwoordt op de vraag wat een Christen nodig is te geloven (H.C. Zondag 7, Vr. 22), luidt het antwoord: Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt.

Nauwkeurig geeft Van der Kemp aan wat er nu geloofd moet worden tot zaligheid.

Niet de wet! De wet is wel nodig te geloven omdat het de zondaar bekommerd maakt, maar wijst hem niet de weg aan om de toekomende toorn te ontvlieden. Men moet de dreigementen wel geloven, maar het geloof der dreigementen kan niemand zalig maken, doch alleen veroordelen! Gal. 3:2 Hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? (157, 448)

De beloften van het Evangelie zijn het die de mens moet geloven tot zaligheid. Want die wijzen hem aan dat er genade en zaligheid in Gods Zoon te verkrijgen zijn. Die roepen en nodigen hem tot de zaligheid in Christus. Die bieden hem de Heiland tot zaligheid aan. Ja, die beloven aan de gelovigen het volkomen heil in Hem, gelijk in de 19e vraag is geleerd. (157)

Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt, leren ons nu in een kort begrip de Twaalf Artikelen des Geloofs. Omdat deze Artikelen al de beloften van het Evangelie bevatten, moeten zij allen tot zaligheid geloofd worden. (157)

Daarom moet deze geloofsbelijdenis, volgens de verklaring van Gods Woord, aangenomen en beleden worden. Want op grond van Gods Woord is ze te geloven en aan te nemen.

En hierin is niet alleen de belofte van het Evangelie het voorwerp des geloofs, maar ook de Heere Jezus Christus Zelf in het Evangelie ons voorgehouden. Daar men in en aan Hem gelooft en door het geloof Hem aanneemt en Hem doet wonen in het hart. En dit geloof blijft niet in Hem staan, maar dringt door Hem heen tot de Vader, waardoor men door Hem in God gelooft. (158)

Wat is nu een oprecht geloof?

Onder dit geloof verstaat Van der Kemp een zaligmakend en rechtvaardigend geloof, ook wel een ongeveinsd geloof, of het geloof van Gods uitverkorenen genoemd. (158)

In het algemeen betekent geloven dat je datgene wat iemand over een belangrijke zaak zegt en getuigt, voor waarachtig houdt en dat je jezelf op zijn woord verlaat.

1) Johannes van der Kemp, De christen geheel en al het eigendom van Christus in leven en sterven, Houten 1988.

Dit wordt ook met het oprechte geloof bedoeld. Want door het geloof houdt men Gods getuigenis voor waarachtig en verlaat men zich erop, dat Hij zondaars zal behouden, die tot Christus hun toevlucht nemen.

Van der Kemp noemt dit geloof een werkzame daad der ziel omtrent God en Christus en omtrent het woord der belofte. (158)

Dit zaligmakend geloof bestaat en oefent zich in drie daden van de ziel:

1. Kennis: Niemand kan geloven, tenzij hij het Voorwerp des geloofs kent. (160) Geloof zonder kennis van Christus is dus niet mogelijk!

2. Toestemmen, of een zeker weten waardoor men alles voor waarachtig houdt wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Dit wordt genoemd een aannemen van Gods getuigenis en een verzegelen dat God waarachtig is. Een volle verzekerdheid des verstands. Dit geloof wordt gesteld tegenover het twijfelen aan Gods beloften!

3. Vertrouwen. Het is belangrijk om te zien hoe Van der Kemp een nadere uitleg geeft aan het zekere vertrouwen dat mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, zoals genoemd en uitgelegd is in vraag 21 H.C. en in het Schatboek van Ursinus. Volgens Van der Kemp beschrijft de H.C. het vertrouwen in zijn hoogste trap en welwezen, om de gelovigen de verzekering van hun zaligheid te leren, tegen de dwaling van het pausdom. (die de zekerheid van het geloof bestreden, W.v.S.) Dit zekere vertrouwen is dan eigenlijk een gevolg van de eigenlijke daad van het vertrouwend geloof. Deze daad van vertrouwend geloof gaat aan het zekere vertrouwen vooraf en dit is de daad, waardoor met zalig deel krijgt aan Christus en waaruit men op goede gronden besluiten kan dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden geschonken is. (161)

Van der Kemp bedoelt hier dat niet alle gelovigen onmiddellijk op hun eerste geloofsdaad volkomen verzekerd hoeven te zijn van hun zonden, zoals de Reformatoren dat leerden in de Heidelbergse Catechismus.

Deze daad van het vertrouwend geloof is dus de rechtvaardigmakende daad des geloofs, waardoor men met Christus verenigd wordt.

Het is daarom van het allergrootste belang om te luisteren naar de omschrijving die Van der Kemp geeft van de eigenlijke daad van het vertrouwend geloof.

De eigenlijke daad van het vertrouwend geloof.

· Dit is dat vertrouwend inwilligen van de aanbieding van de gekruisigde Middelaar, waardoor de gelovende ziel met het hoogste genoegen Gods weg van zondaren, door het lijden van zijn Zoon te zaligen, goedkeurt, de Zaligmaker voor zichzelf kiest en mijnt en op Hem tot zaligheid rust. (161, 162) Zie ook Halyburton, een zedig onderzoek, blz. 36.

Om dit nader op te helderen gaat Van der Kemp een ziel in haar geloofsoefeningen nauwkeurig beschrijven. Weer zien we dat het hier gaat over de bekering van een zondaar;

De ziel, die bekommerd, radeloos en angstig is, zoals beschreven in H.C. Zondag 5, Vraag 12, ziet dat zij naar Gods rechtvaardig oordeel, tijdelijke en eeuwige straf verdiend heeft en zoekt naar enig middel waardoor zij deze straf zal kunnen ontgaan en wederom tot genade kan komen. Zij hoort wel spreken van een Algenoegzame Zaligmaker, doch het verkwikt haar niet, omdat zij zeer benauwd is en vreest dat Hij niet voor haar is. Toont men aan zo’n ziel dat Christus Zichzelf aan haar aanbiedt, en haar tot Zich roept en nodigt, zij durft het echter niet te geloven vanwege haar onwaardigheid. De Heere dringt echter met kracht in haar door en overreedt haar door met Zijn Woord en Geest het historisch geloof en de toestemming in haar te werken. Hij verzekert haar dat Hij ook haar in Zijn roeping en nodiging meent. De ziel gelooft dit nu en vindt zich levendig overgehaald om die weg van zaligheid te volgen. Zij is tevreden dat de Heere al het welbehagen van Zijn goedheid in en aan haar volbrengt, omdat Hij Zich zo gunstig aan haar wil betonen. Daartoe geeft de ziel zich aan Hem over en zegt met Maria: Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar Uw Woord.

Zij onderwerpt zich aan de gerechtigheid van God in Christus, zoals een jonge dochter haar jawoord geeft aan een jonge man, die haar naar haar hart gesproken en bepraat heeft, waardoor zij hem als haar man kiest en aanneemt. Zij verbindt zich aan hem om zijn vrouw te zijn voor heel haar leven.

Jezus lokt de ziel en spreekt naar haar hart. Door de toestemming gelooft zij dat Hij ook haar meent, geeft ze Hem door het vertrouwend geloof het jawoord, mijnt en kiest ze Hem voor haar Bruidegom en Man en geeft zij zich aan Hem over om Zijn bruid en vrouw voor eeuwig te zijn. Alzo wordt ze aan Hem ondertrouwd in geloof. Door het geloof zegt en schrijft ze: Ik ben des Heeren. Ja, het geloven is als het geven van de hand, om zich met hand en eed aan de Heere te verbinden, waardoor ze van de Heere gebracht worden onder de band des Verbonds. (162)

De verschillende werkzaamheden van het geloof.

Van der Kemp gaat dit vervolgens nog verder uitwerken, door de verschillende werkzaamheden van het geloof te benoemen. En dit is van het allergrootste belang omdat alleen diegenen zalig gesproken worden, die dit dierbare geloof deelachtig zijn, waardoor zij deel hebben gekregen aan al Zijn goederen. (166)

1. Voor de vertrouwende daad van het geloof is er een algemeen vertrouwen en verzekering van die Evangelische waarheid, dat, wie in Christus gelooft, zeker zal zalig worden. Ja, dit vertrouwt ook de ziel voor zichzelf, dat, zo zij gelooft, zij waarlijk zalig zal worden. Hierdoor wordt ze aangemoedigd om tot Hem te komen. Van der Kemp noemt hierbij het voorbeeld van de blinde Bartiméüs. Velen geloven dit wel als een algemene waarheid, maar trekken zich dit niet tot hun heil aan. De gelovige wordt er echter door aangetrokken, om ook voor zichzelf de gunst van de Zaligmaker te zoeken en te vinden. Soms wordt een zondaar, met het gezicht en de bekommering van zijn ellende zo bezet, dat hij vreest dat er voor hem geen genade is. De verworpeling valt er door in wanhoop en laat de voorgehouden genade varen. Hierdoor maakt hij God tot een leugenaar, omdat hij niet geloofd heeft het getuigenis dat God getuigd heeft van Zijn Zoon. (1 Joh. 5:10!)

De uitverkorenen, die de Geest des geloofs hebben, worstelen echter door alles wat hen de moed beneemt heen en houden zich met die waarheid bezig, totdat ze een verzekerd aandeel aan Christus hebben gekregen. (162, 163)

2. Een sterke, werkzame en rusteloze begeerte naar de Middelaar en Zijn Heil, om Hem en Zijn goederen deelachtig te worden. De ziel ziet zoveel genoegzaamheid in Jezus, waardoor zij naar Hem verlangt, zucht en roept, om door Hem begunstigd en aangenomen te worden.

3. In deze werking is er een dadelijke afwending van zichzelf en een dadelijke toekering naar Hem. Dit wordt genoemd een komen tot Hem.

Dit komen tot Hem beschrijft Van der Kemp op 4 verschillende wijzen:

· Als een machteloze die van verre naar Hem opziet en uit de diepte tot de Heere roept.

· Als een gans ellendige zich in Zijn handen stellen, om behouden te worden volgens Zijn roeping: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden.

· Door vrees gejaagd en gedreven tot Hem de toevlucht nemen, wat ook wel vertrouwen genoemd wordt.

· Met goed overleg dadelijk in en door Hem in het Verbond overgaan. Alleen in Hem te rusten en voor Hem te leven.

4. Een aannemen van de beloften waar men de hand op legt, voor zich toeëigent en op vertrouwt en een aannemen van de Middelaar Zelf, Die men als Gods sterkte aangrijpt, aanneemt en mijnt. Men verenigt zich met Hem en doet Hem door het geloof in het hart wonen.

5. Eindelijk is er ook een toevertrouwen en verlaten van zichzelf op de Heere in alle gevallen. (163)

Uit deze oefeningen van het geloof en vertrouwen volgt nu ook de verzekering en een zeker vertrouwen dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om Christus verdienste.

Alle gelovigen zijn niet altijd verzekerd. Het geloof is ook de verzekering zelf niet, maar de verzekering vloeit voort uit de geloofsoefening.

Onderscheid in de geloofsoefeningen.

Vervolgens maakt Van der Kemp een onderscheid in de geloofsoefening van eerstbeginnende en zwakgelovige en van iemand die meer gevorderd is en een bevestigde verzekering heeft.

· Die eerstbeginnende en zwakgelovige heeft nog geen zekerheid van zijn rechtvaardigmaking en oefent dus zijn geloof om gerechtvaardigd en gezaligd te worden. Als zo’n gelovige al eens verzekerd is, wordt hij iedere keer weer door zijn wanbedrijf, duisternis en door het staren op zijn ellende, overhoop geworpen. Hierdoor denkt hij dat zijn vorige verzekering maar inbeelding is geweest. Daarom oefent hij het geloof voortdurend opnieuw. Hij hongert en dorst, hij loopt en vlucht naar Jezus, geeft zich aan Hem over en neemt Hem aan, totdat zijn ziel wederom tot haar zoete rust gebracht wordt. Dit doet hij net zolang, totdat hij een bevestigde verzekering verkregen heeft. (165)

· De meer gevorderde, die een bevestigde verzekering heeft dat hij waarlijk bij God gerechtvaardigd en gezaligd is en eigendom aan de Heere Jezus en al Zijn weldaden heeft, oefent het geloof op Hem als een die recht heeft op al Zijn heil. Hierdoor bezit hij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen door het geloof in Hem.

Deze oefening des geloofs wordt ook wel genoemd een leven en wandelen door het geloof en niet door aanschouwen. Dit wandelen door het geloof doet hij op de volgende wijze:

1. Door de gekrenkte verzoening en de vrede des gemoeds telkens te herstellen door de Middelaar aan te grijpen en op Hem en al Zijn heil bij de Vader te pleiten.

2. Door het Woord met geloof te mengen.

3. Door een gedurige geloofsdaad, hetzij sterker of zwakker, te oefenen op Christus.

4. Door zich gedurig met Hem te verenigen.

5. Door zich, door het geloof, te vervrolijken over zijn zalig aandeel aan God.

6. Door het geloof zijn hele leven, doen en laten, besturen laten overeenkomstig Gods wil en afhankelijk van Zijn hulp, die Hij bij die Held besteld heeft.

7. Door het geloof staat maken op Zijn toezeggingen. Hoe donker het er ook uitziet, al het beloofde heil met lijdzaamheid en lankmoedigheid verwachten.

8. Door het geloof zich moedig te gedragen in de grootste gevaren en alle lijden gewillig op zich nemen, om des Heeren wil. (165)

In de toepassing van zijn verklaring over Zondag 7 over het geloof, schrijft Van der Kemp dat allen gelukkig zijn en zalig gesproken worden, die dit geloof bezitten. Heel duidelijk trekt hij de scheiding tussen degenen die geloven en dus deel hebben aan alle weldaden en degenen die niet geloven en nog zonder God en hoop in de wereld zijn.

Ieder die dit geloof bezit wordt van de verdoemenis verlost en verkrijgt een zalig deel aan Gods Zoon en al Zijn goederen.

Door dit geloof is men een kind van God, gerechtvaardigd, geheiligd en gezaligd. (166)

Omdat aan het geloof de zaligheid en al het heil verbonden is, roept Van der Kemp een ieder op om zijn hart op zijn wegen te stellen en zichzelf met de uiterste ernst te onderzoeken of hij in het geloof is en Jezus Christus in hem is, want alleen de uitverkorenen Gods bezitten het geloof.

Vervolgens stelt hij de vraag hoe iemand zal weten of hij dit geloof heeft of niet.

Hierop noemt hij vijf kenmerken en roept hij de gelovige, die deze kenmerken heeft, op om verzekerd te zijn van de vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid, van God geschonken. Deze kenmerken handelen niet over enige omstandigheden of trappen van het geloof, maar over de natuur van het geloof dat in alle gelovigen en in hen alleen gevonden wordt. (167)

Vijf kenmerken om te weten of ik het geloof heb:

1. de ware gelovige heeft een geestelijke kennis, waardoor hij niet alleen de woorden en de verborgenheden begrijpt, zoals ze in de Schrift staan, maar ook de zaken zelf. Hij beschouwt God, Christus en het verborgen leven met God. In Gods licht ziet hij het licht, al is zijn kennis nog zo klein.

2. De Heilige Geest werkt het historisch geloof in hen, die niet alleen de bewijzen van waarheid en Goddelijkheid opheldert, maar ook Gods waarheden in hun hart werkt en doet zien. Dit beweegt hen en haalt hen over tot geloof en liefde jegens God, Christus en Zijn dienst. Hier komt hij niet toe zonder strijd en veel kwellingen van zijn ongelovig hart en de satan.

3. De gelovige werkt met zijn hart in het vertrouwen des geloofs, jegens God en Christus. Hij neemt Christus aan en verenigt zich met Hem. Met zijn gehele hart willigt hij nu de aanbieding in, hongert en dorst naar Christus, geeft zich aan Hem over en werpt zich op Hem.

4. Het ware en oprechte geloof heiligt de ziel, niet alleen uitwendig, maar het reinigt ook zijn hart. Het verwekt een wonderlijke liefde tot God, Zijn dienst en de naaste. Het geloof werkt door de liefde. Het maakt nederig, ootmoedig, (zelf)verloochenend, hemelsgezind en verblijd in God.

5. De ware gelovige maakt veel tijd van onderzoek. Hij is bang zich in zo’n grote zaak te bedriegen. Duizendmaal daalt hij in zijn gemoed af of zijn hart hem niet verleidt. Hij legt zijn ziel dikwijls voor God open, dat Hij hem toch ontdekt, zo hij zich zou bedriegen. Ook wil hij het oordeel van een verstandige leraar of godzalige wel horen of hij de Heere getrouw is.

Vervolgens spreekt Van der Kemp ernstig de onbekeerden aan:

Leg hier uzelf nu eens bij en zie of gij het geloof hebt of niet en handelt met uzelf in ernst en oprechtheid. Hebt gij het geloof niet, zie dan eens hoe droevig het met u staat. Gij zijt zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, vreemdelingen van de verbonden der beloften, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld. Het Woord en alles is u onnut. Gods toorn ligt op u en gij zult verdoemd worden.

Och, trek het u aan, en laat de schrik des Heeren u tot het geloof bewegen. Gods Zoon roept u nog. Och, verhardt uw hart niet, terwijl gij nog heden Zijn stem hoort. Geen zonden, hoe groot en zwaar ze ook zijn, behoeven u van Hem af te houden. Al wat tot Hem komt zal Hij geenszins uitwerpen. De snoodste neemt Hij aan.

Als laatste spreekt hij de gelovigen in Zondag 7 aan:

Maar gij, die deze blijken hebt, laat ik u dit kortelijk ter besturing zeggen:

1. Houdt u voor verzekerd, dat niet alleen anderen, maar ook u vergeving der zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is. Gij hebt er de bewijzen van en ziet nu dat gij in Hem geloofd hebt.

2. Verblijdt u met de stokbewaarder, dat ge gelovig zijt geworden, ja prijst er de Heere voor. Het is toch tot uw groot geluk.

3. Zoekt toch in het geloof op te wassen, gelijk de apostelen daarom baden. Het ongeloof is u zeer schadelijk in alle gevallen, ja het is een bestraffenswaardige zonde.

4. Leef nu door het geloof, door het veel te oefenen. Het is de ademtocht van de ziel.

5. Maak veel werk van het historisch geloof, want dat alleen geeft aan alle werkzaamheden der ziel kracht. Het is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet.

6. Belijdt ook de leer des geloofs, al zou het met gevaar van uw leven zijn. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid.

7. Vertroost u ook door het geloof, wetende dat wie in de Zoon gelooft, het eeuwige leven heeft. Is uw geloof zwak, de zaligheid is niet aan de trap, maar aan het wezen van het geloof gehecht. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen. Hij zal het geloof eens in aanschouwen veranderen. Wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.

Zondag 23.

In zijn uitleg van Zondag 23 omschrijft Van der Kemp de rechtvaardigmaking van de zondaar in de vierschaar. Om dit juist te kunnen verstaan is het van belang om goed te letten op het antwoord dat Van der Kemp geeft op de vraag: Als wij alleen door het geloof gerechtvaardigd kunnen worden, hoe functioneert dat geloof dan in de rechtvaardigmaking?

Men kan de rechtvaardigmaking niet anders aannemen en zich toeëigenen, dan alleen door het geloof. Het geloof is hier als een werktuig waarmee men iets doet, zoals de hand datgene wat hem aangeboden wordt, aangrijpt, zich eigen maakt en met zich verenigd. Van der Kemp zegt dan dat dit de kracht van het geloof is zoals hij dit uit Joh. 1:12 in de Zevende Zondag heeft aangetoond. (418) Duidelijk blijkt hier weer dat het geloof, waarover Van der Kemp spreekt in Zondag 23, waardoor men gerechtvaardigd wordt, een en hetzelfde geloof is als in Zondag 7. Het gaat er in Zondag 23 om, om aan te tonen wat nu het nut van het geloof uit Zondag 7 is en hoe men nu door dit geloof rechtvaardig is voor God.

Gedaagd voor de vierschaar in de wedergeboorte.

De rechtvaardigmakende daad moet men dan zo verstaan dat de Rechter Zijn Zoon, Zijn gerechtigheid en het genadige vonnis in Christus aan de zondaar aanbiedt, waarop de zondaar Christus en alle genade in Hem aanneemt en aanvaardt en zich alzo aan Gods rechtvaardigheid onderwerpt. (419)

Deze gerichtshandeling, die plaats vindt in de wedergeboorte, zoals vermeldt in Zondag 7, wordt in Zondag 23 nauwkeurig omschreven om aan te tonen hoe een verloren zondaar om niet gerechtvaardigd wordt door het geloof.

De zondaar ziet dat hij tegen al Gods geboden zwaar heeft gezondigd. God is de Rechter en Wetgever Die verderven en behouden kan, tegen wie hij gezondigd heeft. De wet, de satan en zijn geweten beschuldigen hem. Dit zou de arme en zeer bezwaarde zondaar geheel in wanhoop doen verzinken, als Jezus, de Middelaar en Voorspreker bij de troon, Zich niet tussen God en de zondaar zou stellen. Hiervan spreekt Johannes: Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden. (1 Joh.1:1b,2a) Het is Zijn voorspraak dat Hij tot de Vader voor de zondaar zegt: “Verlos hem dat hij niet in het verderf nederdaalt, Ik heb verzoening gevonden.” Christus toont de Vader Zijn genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid en dat Hij alle gehoorzaamheid voor die zondaar volbracht heeft.

De zondaar, met schrik bevangen, wordt tot Gods genadetroon geroepen en gedagvaard om een genadig vonnis te ontvangen. God stelt Hem Zijn Zoon voor tot een Verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid door de vergeving der zonden. Gods Zoon roept: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde. De Heilige Geest werkt en geeft hem de toegang tot de Vader, waardoor hij dan met een ootmoedige vrijmoedigheid toegaat tot de troon der genade, opdat hij barmhartigheid zou verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

De Rechter der ganse aarde spreekt nu het vonnis uit in het voordeel van de zondaar.

Dit vonnis bestaat hierin dat God de zondaar ontslaat en vrijspreekt van zijn verdiende strafschuld, door hem de zonden te vergeven en ze hem niet toe te rekenen.

Ook bestaat dit vonnis in een toewijzing van het recht tot het eeuwige leven.

Door de vergeving der zonden verkrijgt hij een erfdeel onder de geheiligden. Gerechtvaardigd zijnde wordt hij een erfgenaam naar de hoop des eeuwige levens en verkrijgt hij het recht tot alle goederen van het genadeverbond. Christus is hem van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Hij wordt zo volmaakt gerechtvaardigd, alsof hij nooit zonde had gedaan, ja alsof hij al de gehoorzaamheid volbracht had, die Christus voor Hem volbracht heeft.

Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. (2 Kor. 5:21) Hiermee worden alle beschuldigers de mond gestopt, zoals Paulus dat verwoordt in Rom. 8.

Wat beweegt de grote Rechter dat Hij zo’n snode zondaar zo gunstig behandelt?

Het antwoord geeft Paulus in Rom. 3:24: En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. (411-415)

Dit vonnis wordt de zondaar deelachtig gemaakt:

1. Door Gods toerekening van Christus gerechtigheid aan de mens.

2. Door het geloof van de mens waardoor hij dat vonnis en Christus gerechtigheid zich eigen maakt. (417)

De toerekening en de aanneming zijn dus altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zonder

de geloofsdaad van de aanneming hebben wij geen deel aan de toerekening.

De tijd wanneer God de zondaar rechtvaardigt, is in de wedergeboorte.

De rechtvaardigmaking is een weldaad die elke gelovige deelachtig wordt, waardoor Christus’

hem, op zijn daad van het geloof, wordt toegepast en deelachtig gemaakt. En dit geschiedt als de uitverkoren zondaar, die van zijn strafschuld overtuigd is, door de krachtdadige roeping

gedagvaard wordt voor de genadetroon en aldaar de Borg en Zijn gerechtigheid aangrijpt, waardoor hij dit gunstig vonnis ontvangt. (419)

Dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking.

Vervolgens geeft Van der Kemp een uitleg over de begrippen dadelijke rechtvaardigmaking en lijdelijke rechtvaardigmaking.

De dadelijke rechtvaardigmaking geschiedt in Gods vierschaar, waar de zondaar verschijnt. Waar God hem werkelijk ontslaat van zijn strafschuld en hem het recht ten leven toewijst, op zijn uitgaande daad des geloofs. (420)

Helder zegt Van der Kemp hier dat de zondaar dus op zijn uitgaande daad van het geloof dadelijk gerechtvaardigd wordt. Iedere gelovige is dus dadelijk gerechtvaardigd in Gods vierschaar op zijn eerste daad van het geloof.

De lijdelijke rechtvaardigmaking geschiedt in het gemoed (geweten)van de zondaar, waardoor Gods vonnis (van vrijspraak of vergeving) bekend gemaakt wordt, zodat hij bewust wordt dat hij voor God gerechtvaardigd is. Van der Kemp bedoelt hier dus met lijdelijke rechtvaardigmaking; de bekendmaking van het vonnis dat hij gerechtvaardigd is. Geen nieuwe vierschaarbeleving dus, maar een komen tot de zekerheid dat hij gerechtvaardigd was.

De bekendmaking van dit vonnis geschiedt uitwendig of inwendig;

Uitwendig maakt God de gelovige zondaar bekend dat Hij hem gerechtvaardigd heeft d.m.v: Zijn Woord. Gods Woord is als zijn pardonbrief. Want al de profeten geven getuigenis dat een iegelijk die in Christus gelooft, vergeving der zonden zal ontvangen door Zijn Naam. (420)

Ook wordt de zondaar dit vonnis uitwendig bekend gemaakt door de:

Bediening van de Sleutelen van het Hemelrijk.

Vervolgens wijst Van der Kemp op de belangrijke taak die de predikers van Gods Woord hierin hebben. Dit ziet op de grote plicht van dominees om de sleutelen van het Hemelrijk te bedienen. (H.C. Zondag 31, Vraag 84) Dit is een zeer belangrijk punt waarop ik in mijn eindconclusie nog terug kom.

Tot de bekendmaking van dit vonnis zendt de Heere Zijn boden des vredes, die uit Gods mond Zijn volk moeten troosten, naar het hart van Jeruzalem spreken en het toeroepen dat zijn strijd vervuld is en zijn ongerechtigheid verzoend is. (Jes. 1a, 2a)

Deze predikanten, als gezanten van Christus wege, alsof God door hen bade, nodigen, roepen en bidden de zondaar van Christus wege, dat hij zich met God laat verzoenen. Als de zondaar dit nu inwilligt, door de Borg aan te nemen, dan worden de predikanten bevoegd om hem te verzekeren dat hij met God bevredigd is. Op deze wijze rechtvaardigen de leraars vele zondaars.

Opdat de gelovige hiervan zeker zal zijn, heeft God niet alleen met een eed gezworen dat Hij niet meer op hem toornen of schelden zal, maar geeft God ook Zijn Sacramenten of Verbondszegelen. Zo heeft ook Abraham het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs. Op deze wijze verzegelen ook de Doop en het H. Avondmaal de rechtvaardigmaking. Zie Hand. 2:38. Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden.

Verzekering van het geloof.

Omdat de wederkerende daad van het geloof echter nog zo zwak is en het hart nog te zeer beroerd is vanwege het doodvonnis dat de zondaar in zichzelf had, zo heeft die uitwendige verzekering nog niet zoveel vat op zijn gemoed (geweten). Daarom geeft de Rechter hem ook Zijn Geest tot een onderpand en zegel, waardoor hij dan krachtdadig verzegeld wordt.

Hierin werkt de Heilige Geest als volgt:

1. Hij leert de gelovige zondaar een sluitrede (syllogisme = logische redenering, waaruit men een conclusie afleid) uit het Woord en zijn hart opmaken. Dit doet de Heilige Geest door hem te verzekeren van de waarheid van het Woord dat zegt: Een iegelijk die in Christus gelooft heeft vergeving der zonden. De Geest getuigt dat de Geest de waarheid is.

Ook heldert de Geest zijn ziel op en doet hem de dingen, het geloof en zijn vruchten weten die Hem van God geschonken zijn. Hierdoor buigt Hij de ziel over om te besluiten: zo ben ik dan gerechtvaardigd. Zo getuigt de Geest met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Dit komt ook overeen met de Dordtse Leerregels. (D.L. I: 12; III/IV: 13 en V: 9, 10.)

2. Ook geeft de Heilige Geest een bevredigde gemoedsgestalte en stille kalmte in de ziel, waardoor die beroering en ontsteltenis, die haar daarvoor zo hadden aangegrepen, gestild worden en er geen beschuldiging meer wordt gehoord. Hierdoor geniet ze de rechtvaardigheid, de vrede en blijdschap door de Heilige Geest, volgens Rom. 14:17.(420,421)

3. Nog hoger en krachtiger werkt de Heilige geest tot verzekering als Hij het vonnis der vrijspraak met zoveel licht en kracht tot de ziel brengt, dat de ziel duidelijk ziet dat het een woord is dat haar van de Troon wordt toegezonden. B.v. Zoon of dochter, uw zonden zijn u vergeven. Hierbij wordt de liefde Gods in haar hart uitgestort en smaakt ze de kracht en de vrucht van deze weldaad met zoveel verheuging dat ze zegt: Ik ben zeer vrolijk in den Heere, mijn ziel verheugt zich in mijn God. Want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, en de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan. (421)

Dood of levend, ongerechtvaardigd of gerechtvaardigd.

In de toepassing van zijn preek over Zondag 23 maakt Van der Kemp weer die scherpe tegenstelling tussen de gerechtvaardigden en de ongerechtvaardigden.

Ernstig houdt hij de onbekeerden voor wat hen de rechtvaardigmaking zou baten, als ze geen deel hebben aan deze grote weldaad. Hij roept hen op hoe het hieromtrent met hen gelegen is; Wat dunkt u, zijt gij voor Gods vierschaar al vrijgesproken? Of bemoeit gij u niet met deze grote zaak? Wel, dat is gruwelijk! (424)

Zolang wij nog niet voor Gods vierschaar gedaagd zijn, zijn we nog onbekeerd!

Vervolgens noemt hij een aantal kenmerken, opdat een ieder zich zou onderzoeken of hij deze weldaad heeft.

1. Diegene die voor God gerechtvaardigd is, diens geweten heeft hem aangeklaagd dat hij tegen al Gods geboden zwaar gezondigd heeft. Hij is zijn hele leven buiten en zonder God geweest. Hij ziet duidelijk al zijn boze neigingen tegen God, Zijn weg en zijn naaste. Dit benauwt hem, hij schaamt zich en wordt verlegen. Hij is zeer begerig om slechts genade te verkrijgen. Dit drijft hem tot bidden en God zoeken, om als een snode tollenaar genade en ontferming bij God te verkrijgen.

2. Hij zoekt zijn gerechtigheid en vrijspraak alleen in Christus. In het begin zoekt hij ruimte voor zijn benauwde gemoed, door het kwade te laten en het goede te doen. Hoe meer hij het in de wet zoekt, hoe meer hij echter aan zijn boze neigingen ontdekt wordt en benauwd wordt.

3. Totdat zijn ziel, geheel verlegen, het goede gerucht hoort van de bekwaamheid en gewilligheid van de Middelaar. Hierdoor wordt ze uit zichzelf gedreven en wendt zij zich naar Christus, geeft zich aan Hem over, kiest Hem, neemt Hem aan, om door Hem voor de troon gerechtvaardigd te worden.

4. Die door God gerechtvaardigd wordt, die wordt ook geheiligd. Deze twee weldaden gaan altijd samen.

Leg uzelf hier eens bij en zie hoe het hierin met u bijstaat. Hoe ellendig is de staat van degenen die nog van dit grote werk verstoken zijn! (425) Duidelijk blijkt hieruit weer dat de vierschaarbeleving plaats vindt in de wedergeboorte. Degene die deze vierschaarbeleving niet kent is nog dood in zonden en misdaden.

Aanwijzingen voor de gerechtvaardigden.

Vervolgens spreekt Van der Kemp een woord van vertroosting, onderwijzing, aansporing en vermaning tot degenen die de volgende drie kenmerken bij bevinding mogen kennen:

Maar gij, wiens ziel;

1: onder de zonde verootmoedigd is geworden,

2: haar gerechtigheid in Christus alleen gezocht en gevonden heeft, en

3: de heiligheid najaagt;

· Laat deze waarheid u dierbaar zijn en probeer er alles aan te doen dat deze waarheid in de kerk blijft.

· Zoekt ze zelf tot in de grond te kennen en anderen te leren.

· Bestrijdt degenen die er maar het minst aan peuteren en houdt ze voor verdacht.

· Strijdt voor het geloof dat eenmaal de heiligen is overgeleverd.

· Onthoudt dat de leer van de rechtvaardigmaking van de zondaar voor God het hoofdstuk is van al de waarheden van het Christendom. Naar dat dit stuk staat of valt, staat of valt de kerk. Geen leerstuk kan ongeschonden blijven, als dit stuk wordt vervalst.

· Als u deze waarheid niet zuiver bewaart, kunt u geen zuiver gevoelen hebben van de voldoening van Christus, noch van de staat der genade en hierdoor zal uw verootmoediging, geloof, hoop, liefde en heiligmaking krachteloos zijn. U kunt God niet in de Geest dienen, of u moet ook in Christus Jezus roemen en niet in het vlees betrouwen. (Fil. 3) (425, 426)

· Laat deze waarheid uw ziel zodanig bezetten en innemen, dat ze u verrukt en vervoert tot verwondering, blijdschap en dankzegging aan de Heere.

· Zijt en blijft toch nederig en ootmoedig.

· Laat uw zonden tegen uw Weldoener, Rechter en Vader u smarten en pijn doen.

· Wandelt waardig het Evangelie (Fil. 1:27). De weldaad van de rechtvaardigmaking is de grote inhoud van het Evangelie. (blz. 425-427)

Volgens van der Kemp is het onmogelijk dat zo wie Christus door een oprecht geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Dikwijls wordt ons in Gods Woord geleerd dat de gerechtvaardigden Christus worden ingeplant en ingeënt en alzo met Hem op het innigst worden verenigd, gelijk de ent met haar stam. Doordat zij alzo ingeënt en met Hem verenigd zijn, worden zij de wortels en vettigheid van de Olijfboom deelachtig. Nu kan het ook niet anders of zij brengen vruchten der dankbaarheid voort.

De Zaligmaker zegt in Joh. 15:5; Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht. (blz. 438, 439.)

Weer volgt dan de scherpe scheiding met de onbekeerden, die nog niet door een waar zaligmakend geloof met Christus verenigd zijn. Ernstig spreekt hij hen aan:

Weet dan ook dat ge nog onder de wet en het verbroken Werkverbond zijt, en daarom onder de vloek. En zo zal God u niet onschuldig houden. Och paait u niet met Christus’ verdiensten. Omdat u het werkzaam geloof mist, dat u met Hem zou ingeplant hebben, opdat ge al uw eigen bedrijf voor schade en drek zoudt rekenen, hebt gij daaraan immers geen eigendom. Maar nu hebt gij in uw daden zoveel behagen. Zo staat ge nog buiten de Middelaar. Christus is u ijdel geworden, die door de wet wilt gerechtvaardigd worden. Gij zijt van de genade vervallen. Als God met u in het gericht zal treden, ziet dan of al uw werken u kunnen rechtvaardigen. (blz. 441)

**********


Thomas Boston: - De viervoudige staat.

De wedergeboorte.

Thomas Boston noemt de wedergeboorte een dadelijke door-en-door verandering, waardoor de mens een nieuw schepsel gemaakt is en gemaakt wordt tot een vat der ere. (blz. 184)

In de wedergeboorte is in de eerste plaats het verstand zaligmakend verlicht, waardoor hij ontvangt: kennis van God, kennis van zijn zonde, kennis van zichzelf, kennis van Jezus Christus, kennis van de ijdelheid van de wereld en kennis van geestelijke dingen. (punt 1 t/m 7, blz. 186-189)

Kennis van Jezus Christus.

Bij punt 4, als het gaat over de kennis van Jezus Christus, schrijft Boston: “zaligmakende verlichting brengt de mens, boven enige mening, tot DE ZEKERE KENNIS VAN CHRISTUS en Zijn uitnemendheid. 1 Thess. 1:5. Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in vele verzekerdheid. Het licht der genade ontdekt dus de gevoegelijkheid van de verborgenheid van Christus, aan de zondaar. Hier vandaan verwonderen zich de wedergeborenen over het heerlijk bestek van hun zaligheid, door Christus gekruisigd, leggen hun ganse gewicht daarop, en berusten hartelijk daarin; want wat Hij ook is voor anderen, Hij is voor hen Christus, de kracht van God en de wijsheid van God. (….) Hetzelfde licht ontdekt overtuigend een overtreffende waarde, een alles te bovengaande heerlijkheid en uitnemendheid in Christus. (…) en maakt de ziel wel vergenoegd, om Christus te nemen voor alles en in plaats van alles. (….) Deze verlichting in de kennis van Christus, ontdekt overtuigend aan de mens een volmaaktheid in Hem, genoegzaam om al hun behoeftigheden te vervullen. Genoeg om te voldoen aan de eindeloze begeerten van een onsterfelijke ziel. Zij zijn overreed dat er zulk een volheid in Hem is, en dat om die mee te delen. Zij steunen daarop als een zekere waarheid, en daarom nemen hun zielen hun eeuwige rust in Hem.” (blz. 188, 189).

Overgegaan in het Verbond des vredes.

Nadat Boston in de tweede plaats noemt dat de wil is vernieuwd, omdat de Heere het stenen hart weg neemt en een vlesen hart schenkt, (blz. 190), noemt hij in de derde plaats dat de wil begiftigd is met een geneigdheid, overbuiging en trek tot het goede. (blz. 191).

In zijn uitleg van dit laatste punt schrijft Boston: “De ziel is overeengebracht aan het verbond des vredes. De Heere God stelt voor aan de zondaar een verbond des vredes, een verbond dat Hij zelf ontworpen heeft en opgeschreven in de Bijbel. (….) Het vernieuwde hart is ganselijk voldaan met het verbond. 2 Sam. 23:4. Hij heeft mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en al mijn lust. Hoewel het verbond niet kon neergebracht worden tot hun bedorven wil; hun wil is door genade opgebracht tot dat verbond; zij zijn er wel mee tevreden. Daar is niets in dat zij eruit wilden hebben, noch enig ding uitgelaten dat zij erin wilden hebben. De wil is geschikt om de Heere Jezus Christus te ontvangen. De ziel is tevreden om zich aan Hem te onderwerpen. (….)

Verenigd met Christus op de eerste daad des geloofs.

Nu het verstand zaligmakend is verlicht en de wil is vernieuwd, is de zondaar bepaald en bekwaam gemaakt aan de roeping des Evangelies te beantwoorden. Zo is het voornaamste werk in de wedergeboorte gedaan, de vesting van het hart is ingenomen; daar is plaats gemaakt voor de Heere Jezus Christus in de allerbinnenste delen van de ziel. De binnendeur van de wil nu voor Hem geopend zijnde zowel als de buitendeur van het verstand. In één woord, Christus is lijdelijk ontvangen in het hart. (onderstreping WvS) Hij is gekomen in de ziel door Zijn levendmakende Geest, waardoor geestelijk leven aan de mens is gegeven, die in zichzelf dood was in zonden. En zijn eerste levendige daad mogen wij bevatten te zijn een dadelijk aannemen van Jezus Christus, (onderstrepingen WvS) ontdekt in Zijn heerlijke uitnemendheid; dat is: een geloven in Hem, een sluiten met Hem, als onderkend, aangeboden en vertoond in het Woord van Zijn genade, het heerlijke Evangelie; van hetwelk de onmiddellijke uitwerking is, verenigd met Hem, (vet en onderstreept WvS)Joh. 1:12, 13; Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht (of voorrecht) gegeven, kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven, welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn. Ef. 3:17. Opdat Christus door het geloof in uw harte wone.

Christus stormenderhand hebbende ingenomen, is overwinnende daarin gegaan, in de wedergeboorte;

De ziel, door geloof, geeft haarzelf aan hem over, zoals uitgedrukt wordt, 2 Kron. 30:8 (Geeft den HEERE de hand en komt tot Zijn heiligdom). Dus deze heerlijke Koning, die in het hart kwam door Zijn Geest, woont nu daarin door geloof. De ziel, zijnde getrokken, loopt; en zijnde krachtdadig geroepen, komt. (blz 193)

Verandering van hartstochten en genegenheden door de wedergeboorte.

Boston noemt de wedergeboorte een gelukkige verandering van de hartstochten en genegenheden, die verbeterd en geregeld zijn. (194)

Vervolgens noemt Boston een groot aantal veranderingen en genegenheden;

De begeerten van de wedergeboren mens zijn recht gemaakt. Zij zien schoonheid in Christus en alles aan Hem is gans begeerlijk. Hij begeert heilig te zijn. Hij bezit (huisvest) de hoop van het eeuwige leven en deze grondt hij op het Woord van Gods belofte. Tit. 1:2 (In de hoop des eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te Zijner tijd.) En deze hoop heeft hij als een anker der ziel, het hart vaststellende onder beproevingen. Hij is wedergeboren tot een levende hoop. (Zie Hebr. 6:18 -20, Opdat wij door twee onveranderlijke dingen in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.)

Zijnde overgegaan van de dood tot het leven is hij een kind van God dat niet alleen de broeders liefheeft maar ook zijn vijanden. (blz. 194)

In de wedergeboorte is er een nieuw licht opgezet in de ziel, waardoor het geweten is verlicht, onderwezen en kennis neemt. Deze kennis ontdekt ook de meest verborgen zonden, die de ziel tevoren niet gewaar werd, doet hem klagen; Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam deze doods? (Rom. 7:24) hetgeen de zondaar door de vernieuwde consciëntie uitdrijft naar Jezus Christus. (196, 197) Het helpt ook de ziel tot goddelijke droefheid en zelf-walging, vertonende oude schuld opnieuw voor het geweten, doende die opnieuw bloeden, hoewel de zonde reeds al vergeven is. (blz. 198)

Boston noemt de wedergeboorte een levendmaking van een dood mens. Net zoals bij de natuurlijke geboorte ontbreekt er niets en is er niets overtollig. Het is een nieuwe mens die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. (202, 203)

De wedergeborene mag God Vader noemen want zij zijn Zijn kinderen, Joh. 1:12, 13; Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. 1 Petr. 1:3; Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. (204)

Hoe weet ik of ik wedergeboren ben?

Op de grote vraag: “Hoe zal ik weten of ik wedergeboren ben of niet?” antwoordt Boston o.a.:

Is uw verstand verlicht in de kennis van God?

Zijn uw ogen ooit naar binnen gekeerd om uzelf te zien, de zondigheid van uw bedorven staat, de verdorvenheid van uw natuur, de zonden van uw hart en leven en een beschouwing van de bovenmate zondigheid van uw zonde?

Hebben uw ogen ooit de Koning Jezus in Zijn schoonheid gezien, de veelvuldige wijsheid van God in Hem, Zijn alles overtreffende heerlijkheid, onbepaalde volheid en algenoegzaamheid, met de ijdelheid en leegheid van alle dingen?

Is er een verandering van uw wil?

Is uw ziel naar God gekeerd als uw hoogste Einde?

Zijt gij hartelijk verenigd met het verbond des vredes en vastelijk genegen tot het aannemen van Christus, zoals Hij aangeboden is in het Evangelie?

Is al uw hoop en verwachting van Hem?

Heeft Hij de hoogste zetel in uw hart en wandelt gij in nieuwigheid des levens? (206, 207)

Alle wedergeborenen zijn ingeënt en verenigd met Christus.

Vervolgens gaat Boston dieper in op de verandering, die er plaats gevonden heeft in de wedergeboorte, welke bestaat in de verborgen vereniging van de gelovigen met de Heere Jezus Christus. Dit doet hij aan de hand van het tekstgedeelte uit Johannes 15 over de Wijnstok en de ranken;

Allen die in de staat van genade zijn, zijn ingeënt en verenigd met de Heere Jezus Christus. Zij zijn gekomen uit hun natuurlijke stam, afgesneden daarvan (uitvoerig door Boston beschreven in de twaalf slagen van de Wet), en zijn nu ingeënt in Christus als de nieuwe Stam. (229,230) Op de vraag welke ranken uit de natuurlijke stam genomen zijn en geënt zijn in deze Wijnstok, antwoordt Boston dat dit geldt voor alle uitverkorenen. Aan hen, en aan hen alleen, is het geloof geschonken als de band van deze vereniging. (242)

Afsnijding van de natuurlijke rank.

Boston toont vervolgens aan hoe de ranken worden afgesneden van de natuurlijke stam, de eerste Adam en geënt worden in de ware wijnstok de Heere Jezus Christus. Het afsnijden van de rank van de natuurlijke stam wordt volbracht door het snoeimes van de Wet, in de hand van de Geest van God, Gal. 2:19, Ik ben door de Wet der Wet gestorven.

De zondaar, in zijn afkomen van de eerste stam is lijdelijk en kan noch wil van zichzelf daar van af, maar kleeft die aan totdat een almachtige kracht hem doet afvallen. Joh. 6:44, Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke. (243)

Bij de eerste ontdekking van zonden gedaagd voor Gods vierschaar.

Boston beschrijft vervolgens hoe God een mens begint te bekeren, die dood in zonden en misdaden op het vlakke van het veld ligt. Ook hier blijkt dat de zondaar bij zijn eerste overtuiging van zonden, die plaats vindt in de wedergeboorte, gedaagd wordt voor Gods vierschaar.

De Geest des Heeren vindt de dode zondaar, die niet weet dat hij ellendig, blind, jammerlijk, arm en naakt is. De eerste slag die een rank krijgt, om haar af te snijden is het werk van Gods Geest die enige stralen van Zijn licht schiet in de donkere ziel, waardoor hij de mens laat zien dat hij een verloren mens is. Door de Geest des Heeren, die hier werkt als een Geest der dienstbaarheid, wordt er een gerechtshof (vierschaar) opgericht in de boezem van de mens, waar hij wordt gedaagd, beschuldigd en veroordeeld over het breken van de Wet van God, overtuigd van zonde en oordeel. (244) Vervolgens behandelt Boston nog 11 punten hoe de zondaar van alles wordt afgebracht, totdat de mens, slingerend tussen hoop en wanhoop, zich voorneemt om tot Christus te gaan zoals hij is. Afgebracht van al het zijne, overtuigd van zijn uiterste onvermogen om iets goed te kunnen doen, zichzelf te kunnen helpen, te werken of te geloven, en dus in uiterste verlegenheid, wordt hij opgenomen en ingeënt in de ware wijnstok, Jezus Christus, Die hem de Geest des geloofs geeft.(254)

Boston vat deze 12 slagen van de Wet samen als een zekere waarheid dat allen die in Christus zijn, zakelijk zijn afgebroken van alle eigen vastigheden, uitvluchten en betrouwen en dat zij, die nooit wezenlijk daarvan werden afgebroken, nog in hun natuurlijke stam zijn. (255)

Boston motiveert zijn uitgebreide verhandeling over de slagen van de Wet met het wijzen op het predikatie-verharde geslacht van zijn dagen. Hij relativeert zijn verhandeling door te verklaren dat het zijn bedoeling niet is om hiermee tedere gewetens te pijnigen of te benauwen en wenst dat God het verhoede dat hij hierdoor mis zou doen aan enigen van Christus kleinen. Hij erkent Gods vrijmacht in het bepalen van de wijze waarop God zondaars afbreekt van de oude stam. Of het huis nu steen voor steen (d.m.v. 12 slagen) is afgebroken, of dat het alles in één keer instortte en tegelijk neerviel, (drieduizend op de pinksterdag, de stokbewaarder enz.) is één en dezelfde zaak. (254, 255)

Levend gemaakt met Christus.

Een mens is dus dood en wordt door de Geest der dienstbaarheid zodanig aan zijn zonde en ellende ontdekt met als doel de zondaar af te kappen van zijn oude Adamsstam en uit te drijven tot Christus. Hij ontvangt het leven op het moment dat hij door Gods Geest wordt ingeënt in de Stam Jezus Christus. Christus grijpt de zondaar en de zondaar, zijnde gevat van Christus, grijpt Hem en zo worden zij één.

Doordat Christus de zondaar door Zijn Geest grijpt en tot Zich trekt, krijgt de verdorde rank leven. (255) Doordat de mens nu de Geest des levens heeft, krijgt hij een verrukkend gezicht van Christus’ uitnemendheid in de spiegel van het Evangelie. Hij ziet Hem als een volkomen gepaste en gewillige Zaligmaker en ontvangt een hart om Hem te nemen voor- en in plaats van alles. De Geest des geloofs voorziet hem van voeten om tot Christus te komen en van handen om Hem aan te nemen. Wat hij door de natuur niet kon doen, kan hij nu doen door de genade, omdat de Heilige Geest het werk des geloofs met kracht in hem werkt.

De zondaar dus gegrepen, grijpt Christus en wordt zo verenigd met de gezegende Stam. Verbonden door de Geest des levens, met de levendmakende Stam bot de rank uit in een dadelijk geloof op Jezus Christus, waardoor deze vereniging volkomen wordt.

De banden van deze gezegende vereniging zijn: De Geest aan Christus’ kant, en het geloof aan de kant van de gelovigen. (256)

Boston beschrijft dus hoe de zondaar in de wedergeboorte en de levendmaking door God gegrepen wordt en Christus in het geloof aangrijpt, waardoor de band van vereniging met Christus tot stand komt, waardoor hij gerechtvaardigd is.

De Wet is dus hoogst noodzakelijk om de dode zondaar alle uitvluchten te ontnemen die hem van Christus afhouden. De Wet maakt echter niets volkomen. Het vervolgt de zondaar en jaagt hem uit zijn schuilhoeken. De Wet legt de wond open, ontkleedt, verwondt, breekt af en laat de mens half dood liggen. Door het Evangelie worden wij opgenomen en in Christus ingeplant. Zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. (257)

Ben ik van Christus gegrepen?

Op de vraag hoe iemand weet of hij van Christus gegrepen is, antwoordt Boston dat men twee dingen moet overwegen.

Ten eerste: wanneer Christus een mens aangrijpt door Zijn Geest, wordt hij zo getrokken dat hij tot Christus komt met zijn gehele hart, met een waar geloof, dat is een geloof van ganser harte. Hand. 8:37, En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.

Bepalend is hierbij vooral de gesteldheid van hun zielen in het komen tot Christus. Zij komen niet gedreven door schrik, want die zullen hem voorzeker verlaten als die schrik weer over is, maar zij komen hartelijk en vrijwillig, als getrokken zijnde met goedertierenheid, Jer. 31:3, De Heere is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van uw heirkracht.

Ten tweede: wanneer Christus een ziel aangrijpt wordt het hart vrijgesteld van en gekeerd tegen de zonde. (258, 259, 260)

De weldaden, die tot de ware gelovigen vloeien, uit hun vereniging met Christus.

De voornaamste weldaden die gelovigen hebben zijn: rechtvaardiging, vrede, aanneming tot kinderen, heiligmaking, wasdom in genade, vruchtbaarheid in goede werken, aanneming van deze goede werken, bevestiging in de staat der genade, ondersteuning en een bijzonder beleid van de voorzienigheid omtrent hen. (260, 261)

Heel belangrijk is de opmerking van Boston dat de vereniging met Christus als onmiddellijk gevolg heeft de weldaad van de gemeenschap met Christus. Gelijk de rank onmiddellijk bij haar vereniging met de stam, gemeenschap heeft met de stam, in alles wat daarin is, zo heeft de gelovige, verenigd met Christus, gemeenschap met Hem, in Wien hij nederzinkt, in een oceaan van gelukzaligheid, geleid in een paradijs van verlustigingen en heeft hij een zalig aandeel in die schat, verborgen in de akker van het Evangelie, de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus. Zodra de gelovige met Christus verenigd is, is Christus Zelf, in Wien alle volheid woont, de zijne. Hooglied 2:16, Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn. Rom. 8:32, Hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? 1 Cor. 3:22, Hetzij Paulus of Apollos, of Cephas, of de wereld, of leven, of dood, of tegenwoordige, of toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Boston sluit af met de sluitzin: Dus de gemeenschap met Christus is de alles bevattende zegen, noodzakelijk vloeiende van en uit onze vereniging met Hem. (261)

Vervolgens geeft Boston een opsomming van 10 hierboven genoemde bijzondere weldaden die voortvloeien uit de vereniging met Christus waarvan ik er een aantal kort samengevat weergeef:

De eerste weldaad is de rechtvaardiging.

De eerste bijzondere weldaad, die een zondaar heeft door zijn vereniging met Christus, is rechtvaardiging; want zijnde met Christus verenigd, heeft hij gemeenschap met Hem in Zijn rechtvaardigheid. 1 Cor. 1:30, Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid. Hij staat niet meer veroordeeld, maar gerechtvaardigd in God, als zijnde in Christus. Rom. 8:1, Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. De takken hiervan (dus datgene wat hieruit voortvloeit) zijn vergeving der zonden en personele aanneming. Zijn zonden zijn vergeven, de schuld is weggenomen. Met eerbied gesproken neemt God de Vader de pen, doopt die in het bloed van Zijn Zoon, doorstreept de rekeningen van de zondaar en wist die uit Zijn schuldboek.

Opvallend is het dat Boston direct aansluitend hierop de scherpe tegenstelling noemt van de zondaar die buiten Christus is. Deze is overgeleverd aan de toorn van God, onder de verbintenis van de Wet, om naar het gevangenhuis van de hel te gaan en daar te blijven totdat hij de laatste penning betaald heeft. (261)

Tegen degene die verenigd is met Christus, zegt God: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb verzoening gevonden (Job 33:24). Hoewel hun volgende zonden in zichzelf eeuwige toorn verdienen, kunnen die hen toch nooit onderworpen maken aan eeuwige toorn, of aan de vloek der Wet, want zij zijn aan de Wet gestorven in Christus, Rom. 7:4. Zij kunnen nooit vallen uit hun vereniging met Christus noch onder de verdoemenis, Rom. 8:1, Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Zo is de gerechtvaardigde mens de gelukzalige mens, aan wien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, Ps. 32:2. (262)

De gelovige is aangenomen als rechtvaardig in Gods gezicht, 2 Cor. 5:21, Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Fil. 3:9, En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.

Als nu de gerechtigheid een rechtvaardigheid eist van iemand die in Christus is, in Wien hij tot rechtvaardig is gerekend voor de Heere, zekerlijk zal zulk een zeggen: In den Heere heb ik gerechtigheid, Jes. 45:24. De Wet is vervuld, haar geboden zijn gehoorzaamd, haar vloek is voldaan. De Borg van de gelovigen heeft de schuld betaald.

Dus is de persoon, die verenigd is met Christus, gerechtvaardigd.

Boston vat dit alles samen met het beeld van de bloedwreker die de misdadiger achtervolgt. Christus, als de Zaligmaker van verloren zondaren, grijpt hem door Zijn Geest en trekt hem tot Zichzelf. De zondaar grijpt Christus aan door het geloof. (263)

Overige weldaden uit de vereniging met Christus.

De 2e weldaad die uit deze zelfde bron van vereniging met Christus vloeit en komend door de weg van de rechtvaardigmaking, is de vrede met God en vrede van het geweten. Deze vrede is er naar de mate van het gevoel dat de gerechtvaardigden hebben van hun vrede met God. Rom. 5:1, Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. (blz. 264)

Een derde weldaad, vloeiende uit de vereniging met Christus is de aanneming tot kinderen.

Kinderen Gods en leden van het huisgezin des hemels. Ingeënt in Christus is Zijn Vader hun Vader en is Zijn God hun God. Zij, die van nature kinderen van de duivel zijn, worden nu kinderen van God. Zij hebben de Geest der aanneming. Rom. 8:15. (blz. 268)

Een vierde weldaad is heiligmaking. 1 Cor. 1:30, Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is Wijsheid van God, en Rechtvaardigheid en Heiligmaking. Zijnde verenigd met Christus delen zij in Zijn Geest van heiligheid.

Iedere keer noemt Boston weer de scherpe tegenstelling tussen degene die door de vereniging met Christus is levend gemaakt en de dode zondaar, die niet wedergeboren is door de Geest van Christus. Zij vertonen slechts een schaduw van de ware heiligmaking. Ware heiligmaking is de uitwerking van de vereniging van de ziel met de heilige Jezus, gewerkt door de Heilige Geest. Het andere is louter het werk van de eigen geest van de mens. (blz. 272)

Een vijfde weldaad is wasdom in de genade, als voedsel dat hen wordt toegediend. Zij wassen op met een Goddelijke wasdom, Col. 2:19. De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als de cederboom van Libanon. Ps. 92:13. Genade is van een groeiende natuur. In de weg naar Sion gaan zij van kracht tot kracht. Hoewel de heilige mens in het eerst maar een klein kind in de genade is, nochtans wordt hij ten laatste een jongeling en een vader. 1 Joh 2:13. Hoewel hij tevoren maar kroop op de weg naar de Hemel, nochtans daarna wandelt hij, loopt hij en vliegt hij op met vleugelen als een arend, Jes. 40:31, Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

Indien een rank, die in een stam geënt is, nooit groeit, ’t is een klaar bewijs dat zij nooit met de stam verenigd is! (blz. 273)

Als een christen soms door zorgeloosheid het gevoel van zijn vergeving verliest, dan kan hij er naar zoeken, zonder het te vinden. God verbergt Zijn aangezicht en de ziel is benauwd. De Wet neemt deze gelegenheid waar en maakt een rechtsgeding tegen hem op voor een schuld, die reeds betaald is. Veel pijlen gaan er door zijn hart en zij dreigen in moedeloosheid weg te zinken. Hoe worden zij dan ondersteund met een lichaam des doods? Hun steun is van de wortel die hen draagt. Zijn genade is hen genoeg. De grote steun van de gelovige is niet de genade van God binnen in hem; dat is een wel, waarvan de stromen soms lijken droog te lopen. Het is echter de genade van God buiten hem, de genade die in Christus Jezus is, welke een altoos vloeiende fontein is, tot welke de gelovige nooit tevergeefs kan komen.

Volgens Boston komen de vallen van de heiligen vaak voor als gevolg van het niet op de juiste wijze gebruik maken van hun vereniging met Christus. Zij maken niet gedurig gebruik van hem door het geloof, tot ondersteuning of opbeuring van hen. Ps. 27:13, Zo ik niet had geloofd, ik ware vergaan. (287)

Scheiding tussen de gerechtvaardigden en de ongerechtvaardigden.

Vervolgens zien we weer die grote scheiding die Boston aanbreng tussen de gelovigen, die met Christus zijn verenigd en de onwedergeborenen, die van al deze hierboven genoemde weldaden verstoken zijn. Al de grote voorrechten van degenen die in de staat der genade zijn, zijn niet voor de onwedergeborenen, omdat zij niet van Christus zijn. Zij hebben geen lot noch deel in al deze weldaden. De schuld van hun zonden ligt op hen. Zij hebben geen vrede, geen vrede met God en geen vrede van hun geweten, want zij hebben geen zaligmakend aandeel in de grote Vredemaker. Zij zijn geen lid van Gods huisgezin. De aanneming tot kinderen hoort hen niet toe. Zij hebben geen deel in de Geest der heiligmaking. In één woord, zij hebben geen erfdeel onder de geheiligden.

Boston maakt dus iedere keer een duidelijk onderscheid tussen de wedergeborenen en de niet wedergeborenen. Boston kent dus geen levendgemaakte zielen die niet door het geloof met Christus zijn verenigd en deel hebben aan al Zijn weldaden. Degenen die niet door het geloof met Christus verenigd zijn, hebben dus aan geen enkele weldaad deel en liggen nog dood in zonden en misdaden. Degenen echter die door het geloof met Christus zijn verenigd, hebben deel aan al Zijn weldaden, die de wedergeborenen deelachtig zijn geworden door deze vereniging met Hem. De vereniging met Christus vindt dus plaats door het geloof. Door deze vereniging hebben de gelovigen deel aan al de weldaden van Christus. Afgesneden takken die niet in de Stam zijn ingeënt, missen alles. Zij die wel zijn ingeënt, bezitten alles. Bekeerd zijn zonder de weldaad van de rechtvaardiging is dus onmogelijk.

**********


Alexander Comrie:

Het ABC des geloofs.

Het bekende boekje “Het A.B.C. des geloofs” van Alexander Comrie, 1) is een verhandeling van de benamingen van het zaligmakend geloof. In dit boekje benadrukt Comrie het grote belang van het zaligmakende geloof als enige middel om rechtvaardig voor God te zijn. Omdat dit zaligmakende geloof in Gods Woord onder vele verschillende benamingen voorkomt, wil Comrie de kleinen in het geloof niet voor het hoofd stoten en slingeren als zij bepaalde zaken, genoemd onder bepaalde benamingen, niet hebben ondervonden en daarom wil hij hen vertroosten als zij de zielwerkzaamheden onder andere benaming wel hebben ondervonden. Comrie schrijft hierover: “De ene gelovige zal veel van het geloof hebben onder de benaming van vertrouwen, maar een ander zal meer werkzaam zijn in het vluchten tot Jezus; beide zijn werkzaamheden van hetzelfde geloof; en daarom heeft de een de ander niet te verdenken, noch hard te behandelen. (blz. 13)

Het zaligmakende geloof.

In zijn voorwoord schrijft Comrie: “Paulus’ woorden in Hebr. 11:6, Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen, geven grond tot veel nauwkeurige onderzoeking van zijn ziel, aangaande de staat en de werkzaamheid der ziel in het verborgen voor God; of de mens dat ware en ongeveinsde geloof inderdaad bezit (….) en zonder dit kan niemand Gode behagen. (…) dat dierbare zaligmakende geloof, hetwelk Gods dierbare gave is; waardoor de overtuigde, belaste en beladen zondaar uit zichzelf en al zijn gerechtigheid tot Jezus uitgaat, Hem omhelst, en aangrijpt; dit is het geloof, waaruit de rechtvaardige leeft, en deel aan al de verbondsgoederen ontvangt, waardoor wij zalig kunnen worden. Van dit zaligmakende geloof zegt onze apostel, dat men zonder hetzelve Gode niet behagen kan; dit zijnde de leer van Gods dierbaar Woord, dat alles, wat niet uit het geloof is, zonde is; en derhalve onbehaaglijk voor God zijnde, spreekt het diegenen, die op hun zedige en burgerlijke wandel, op hun belijdenis en kennis berusten, zonder ooit de hartveranderende genade Gods ondervonden te hebben, weinig troost toe. Wat zeg ik? Het wijst hun aan, dat alles wat zij doen, omdat het niet uit het geloof voortkomt, Gode mishaagt, ja vertoornt.

Vervolgens schrijft Comrie dat het geloof dat ene ding is dat ons alleen ten uiterste nodig is, zullen wij getroost leven en sterven, en op een goede grond verwachten een zalige ingang in die stad, niet met handen gemaakt, wiens Kunstenaar en Bouwmeester God is. (blz. 11-13)

Beginnen.

In het hoofdstukje “Beginnen” noemt Comrie het geloof “beginnen met de Geest.” Dit naar aanleiding van Gal. 3:3. “Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?”

Comrie schrijft dat Paulus in de brief aan de Galaten de zuivere en goddelijke leer van de vrije rechtvaardigmaking des zondaars handhaaft. Vervolgens schrijft Comrie: “daarom wil onze apostel in onze tegenwoordige woorden de Galaten voorhouden, hoe zij met ijver hadden begonnen, dat is door geloofstoestemming; dat zij Jezus Christus, de gekruiste, door Paulus’ dienst hun verkondigd en aangeboden, als de enige oorzaak der zaligheid met een

1) Alexander Comrie, A.B.C. des geloofs, De Bannier, Utrecht, 1992 (onveranderde Uitgave

volgens de uitgave van 1749.)

volkomen hart, en uiterste bereidwilligheid hadden omhelst en aangenomen. Dat was nu met de Geest te beginnen” (…..) “ Maar dit beginnen, zoals het geloof is, stelt, dat zij leven ontvangen hadden, dat er een ander beginsel in hen was gekomen, dan zij ooit tevoren ondervonden hadden, en dat zij nu ook anders werkten. Wilt gij het met mij nagaan, o! het zal ons zielroerende zaken tot onderhoud voorhouden:

Als het geloof dan een beginnen genoemd wordt, o! dat zal ons eerst voorhouden, dat de ogen beginnen te zien zaken, die zij nooit te voren gezien hadden, en nooit met zulk een licht.

Nu ziet de ziel andere zaken, nu begint zij te zien:

1. God op een heel andere wijze dan ooit, en in een andere betrekking tot haar; want eer het zaligmakend geloof komt, ziet de ziel God wel, in de wet, donderende tegen haar, wegens haar zonde, vloek en toorn en gramschap; maar nu begint zij God te zien;

2. Wel als rechtvaardig, die de zonden niet vergeven kan, maar straffen moet in de zondaar of in een Borg; maar nu ziet zij dat God tot het zwaard zegt, dat het ontwaken zal tegen de Man, Die Zijn Metgezel is. Zach. 13:7, opdat zij, veroordeelde, moge ontvlieden; en derhalve, dat Hij is rechtvaardig en rechtvaardigend diegenen die in Christus geloven. Rom. 8:33,37. “Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.”

3. Zij beginnen Zijn heiligheid te zien. O! die is in Christus ook voldaan, en is ten beste van hen, om hen te heiligen, en met Zich gelijkvormig te maken. Ezech. 36:25. “Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.”

4. Nu begint de ziel God te zien in Zijn barmhartigheid, goedheid en waarheid; zij ziet alles tot haar nut, tot haar voordeel; zodat door dit alles Zijn ingewanden rommelen tot arme, ellendige zielen. O! heerlijk begin! O! dierbaar gezicht! (blz. 49)

Eigenschappen des geloofs.

In het bekende boek “Eigenschappen des geloofs” geeft Comrie een uitvoerige beschrijving van de rechtvaardigmaking in de vierschaar.

Ook Comrie omschrijft hier de rechtvaardigmaking in de vierschaar van de consciëntie in de wedergeboorte. Comrie spreekt hier over de ontwaakte zondaar. De Heilige Geest verdrijft zijn aangeboren blindheid en duisternis, waardoor het verstand beneveld is en geeft de ziel een klaar en overtuigend gezicht van haar zonde en ellende. Want als de Heilige Geest komt, dan is het eerste wat Hij doet de wereldse mens overtuigen van zonde. Deze ontwaakte consciëntie vergelijkt Comrie met de Joden op de Pinksterdag. Ook stelt Comrie hier de Heilige Geest voor als een Geest der dienstbaarheid, zoals ook Boston de Geest noemt, bij Zijn eerste werkingen in het hart van een mens, als Hij de mens gaat overtuigen van zijn verlorenheid en zonden. (blz. 26-29) (zie ook scriptie, blz. 33.)

Ook is het goed om de waarschuwing van Comrie ter harte te nemen, die hij geeft als hij beschrijft hoe een van zonde overtuigde zondaar bekent dat het rechtvaardig zou zijn als God hem eeuwig zou verdoemen:

“Uw aandacht kan zien, dat wij niet willen dat de mens daartoe zou moeten komen om even gewillig te zijn om verloren te gaan als behouden te worden. Dat is een gevaarlijke dwaling die strijdig is tegen Gods Woord en onze natuur!”

Dat de rechtvaardigmaking door Comrie plaatsvindt in de wedergeboorte, blijkt ook weer duidelijk uit zijn toepassing als hij de onbekeerden ernstig aanspreekt, die deze zaken (n.l. de rechtvaardigmaking in de vierschaar) nooit ondervonden hebben.

“Wat zegt nu uw consciëntie op deze stukken? Zegt gij, dat gij deze dingen nooit ondervonden hebt, o, wat is uw toestand dan beklaaglijk, zo gij zo leeft en sterft”.

Vervolgens toont Comrie aan hoe vreselijk hun oordeel zal zijn.

Wie dus nog nooit zielsbevindelijk gerechtvaardigd is in de vierschaar van zijn consciëntie, zal verloren gaan, als hij zonder deze rechtvaardigmaking sterft! (blz. 43-45)

**********

Wilhemus à BRAKEL; De Redelijke Godsdienst. (Deel 1.)

De rechtvaardigmaking.

Brakel noemt de rechtvaardigmaking de ziel van het christendom en de springader van alle ware troost en heiligmaking. Hij geeft de volgende definitie:

“Rechtvaardigen is een genadewerk van God, als rechtvaardige Rechter, die de uitverkorenen ter wille van de gerechtigheid van de Borg Christus, die hun door God wordt toegerekend en door hen in het geloof wordt aangenomen, vrijspreekt van schuld en straf en hen verklaart tot erfgenamen van het eeuwige leven.” (843)

De dadelijke- en lijdelijke rechtvaardigmaking zijn onafscheidelijk.

Voordat Brakel ingaat op de vraag in welke tijd de rechtvaardigmaking plaats vindt, geeft hij eerst een uitleg van de begrippen dadelijke- en lijdelijke rechtvaardigmaking. (869)

In de rechtvaardigmaking komt God voor als Degene die rechtvaardigt en de mens als degene die gerechtvaardigd wordt.

Hieruit blijkt dat rechtvaardigmaking niet alleen een uitspraak van een vonnis is over de mens maar ook tot de mens. Dit betekent dat diezelfde daad van rechtvaardigen van twee zijden aangemerkt kan worden; aan de zijde van God, hoe God de mens rechtvaardigt en aan de zijde van de mens, hoe de mens de rechtvaardigmaking ontvangt.

Als men de rechtvaardigmaking van Gods kant aanmerkt dan wordt dit genoemd de justificatio activa, de dadelijke (actieve) rechtvaardigmaking.

Als men de rechtvaardigmaking van de kant van de mens aanmerkt dan wordt dit genoemd de justificatio passiva, de lijdelijke (passieve) rechtvaardigmaking.

Vervolgens geeft Brakel hier een nadere uitleg aan, die van groot belang is.

Deze dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking is één en dezelfde daad.

Het onderscheid tussen beide is alleen gelegen in de manier waarop ze geschiedt, hoe ze gedaan (actief) wordt of hoe ze ontvangen (passief) wordt.

Daarom kan men ze nooit van elkaar scheiden.

Waar de dadelijke rechtvaardigmaking is, daar is ook de lijdelijke en waar de lijdelijke rechtvaardigmaking is, daar is ook de dadelijke! (869)

Volgens Brakel is het dus uitgesloten dat dadelijke- en lijdelijke rechtvaardigmaking temporeel gescheiden zijn. Zij vinden gelijktijdig plaats en de een kan er nooit zijn zonder de ander.

Vervolgens gaat Brakel nader in op de vraag in welke tijd de mens gerechtvaardigd wordt.

Brakel ontkent dat de mens van eeuwigheid gerechtvaardigd is. Alleen Gods voornemen om de uitverkorenen in de tijd te rechtvaardigen is van eeuwigheid. (869)

De mens wordt niet eerder gerechtvaardigd dan op het moment dat de mens, die gezondigd heeft, gerechtvaardigd wordt en in Christus gelooft. (870)

Rechtvaardigmaking op de eerste daad des geloofs.

Deze rechtvaardigmaking geschiedt op het moment dat de mens, die met zijn zonden smartelijk bezwaard en verlegen is, door middel van het Evangelie in Christus gelooft. Door het geloof wordt hij met Christus verenigd en heeft hij aan Zijn gerechtigheid deel. God rechtvaardigt hem dadelijk en spreekt het vrijsprekend vonnis tot hem uit in Zijn Woord, hetwelk de stem van God is. (870)

De rechtvaardigmaking geschiedt dus op de eerste daad van het geloof. (871)

De rechtvaardigmaking is een dadelijke, absolute volkomen vrijspreking van schuld en straf en een inwijzing in het recht ten leven. Zij is dezelfde in alle gelovigen, zonder onderscheid van tijd, plaats of persoon. De een wordt niet anders of volkomener gerechtvaardigd dan de ander. Allen worden ze gerechtvaardigd om de voldoening van Christus, die zij door het geloof hebben aangenomen. Hand. 10:43, Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving ontvangen zal door Zijn Naam.

Zoals deze vergeving dezelfde is in allen, zo is ze ook volkomen. God rechtvaardigt de persoon, vergeeft alle zonden, stelt volkomen in het recht van alle goederen van het Verbond, er ontbreekt niets. (870)

De bekendmaking van het vonnis.

Heel pastoraal gaat Brakel vervolgens nader in op de praktijk van het geloofsleven. Immers zijn er vele gerechtvaardigden, die de zekerheid van hun rechtvaardigmaking missen. Brakel verklaart dit als volgt; omdat het geloof (dat het middel is) sterker of zwakker is, zo is de verzekering van de rechtvaardigmaking ook meer of minder. Het rechtvaardigen van God echter niet, want die daad is volmaakt. (870)

Zoals hierboven reeds vermeld is, rechtvaardigt God de mens op zijn eerste daad van het geloof waardoor hij met Christus wordt verenigd en dadelijk wordt vrijgesproken. Dit vonnis van vrijspraak geschiedt dus in het Woord.

Nauwkeurig beschrijft Brakel de verschillende manieren waarop dit vonnis tot de mens komt:

· Soms wordt een gelovige deze uitspraak niet werkelijk in zijn geweten gewaar, zodat hij nog geen vrede heeft maar vreest. De reden hiervan is:

· onkunde van de stem van God,

· onkunde van de waarheid van zijn geloof,

· tegenredenen van zijn verstand.

· Sommigen horen deze uitspraak in het Woord, waardoor zij deze geloven en vrede vinden.

· Het kan ook zijn dat hij door een bijzondere werking van de Geest daarvan verzegeld wordt, waardoor hij smaakt en voelt wat het is om vergeving der zonden te hebben, met God verzoend te zijn, een erfgenaam van het eeuwige leven te zijn en de vruchten daarvan te genieten. (870)

De Goddelijke daad van de rechtvaardigmaking is volmaakt, zowel ten opzichte van de staat van een kind van God waardoor ze verklaard worden tot erfgenamen des levens en tot kinderen Gods, als ten opzichte van de telkens begane zonden, die telkens worden weggenomen. De vergeven zonden worden nooit wederom opgehaald tot verwekking van toorn en om te straffen. (870)

Brakel gaat vervolgens nog nader in op de uitspraak die geschiedt in de rechtvaardigmaking.

Hij noemt de rechtvaardigmaking een uitspraak van de vrijsprekende sententie(vonnis) over en tot de mens, die door het geloof Christus en Zijn gerechtigheid aanneemt.

Verzekering van de vrijspraak.

Brakel maakt onderscheid tussen de rechtvaardigmaking en tussen de verzekering, het gevoel van troost, de vrede en de blijdschap daarvan. Laatstgenoemden zijn vruchten van de rechtvaardigmaking. De rechtvaardigmaking kan er zijn, zonder verzekering, vertroostend gevoel, vrede en blijdschap. Een gelovige die dit mist moet niet besluiten dat hij niet gerechtvaardigd is. Ook de zwakste moet uit het woord geloven dat God, op zijn gebed, met het oog op Christus, hem zijn zonden vergeeft, omdat Hij het beloofd heeft. De natuur van de rechtvaardigmaking bestaat dus niet in een vertroostend voelende toepassing, maar in de uitspraak van het vonnis. Deze uitspraak geschiedt niet alleen voor eens en altijd op de eerste daad van het geloof, maar geschiedt ook dagelijks, of de gelovige de vertroostende vruchten er nu van geniet of niet. (876, 877)

Duidelijk maakt Brakel onderscheid tussen het vonnis van de vrijspraak en de vertroosting of het vertroostende gevoel van de vergeving wat er soms op volgt. Veel gelovigen hebben volgens Brakel geen kennis of getuigenis van hun rechtvaardigmaking. Die troost is er een gevolg van. (878)

Brakel schrijft vervolgens dat de gelovige verzekerd kan zijn van zijn rechtvaardigmaking en zaligheid. Hij verdedigt dit tegen de Roomsen, die zich hiertegen met alle macht kanten. Zij houden de mensen in gedurige schrik en vrees. Zij zeggen dat de mens dit niet weten kan. Volgens Rome kan de mens nooit absoluut verzekerd zijn van zijn zaligheid en moet hij ook niet trachten om daarvan verzekerd te zijn. Tenzij dat God het iemand door een buitengewone weg openbaart, blijft de verzekering een gissen of een inbeelding. De Remonstranten willen de mensen door schrik en vrees tot goede werken aanzetten en denken dat de verzekering zorgeloze mensen maakt, ook omdat zij de afval der heiligen drijven. (882, 883)

Brakel stelt echter uit Gods Woord vast dat de mens van zijn rechtvaardigmaking verzekerd kan zijn, en voortdurend moet proberen tot verzekering te komen.

Niet alle gelovigen komen altijd tot volle verzekering, en de verzekerden kunnen door verduisteringen, zonden, aanvechtingen en door zwakheid van hun geloof, ook wel wederom in twijfeling, vreze en bekommering komen. (883)

De kleingelovige verzekerd van zijn rechtvaardigmaking.

Brakel wendt zich vervolgens pastoraal tot de klein en zwak gelovige om hem d.m.v. het opmaken van de sluitreden verzekerd te doen zijn van zijn rechtvaardigmaking.

Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij u zelven niet dat Jezus Christus in u is? Tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. (2 Cor. 13:5)

Volgens Brakel kan men zich beproeven en tot verzekering komen dat men in het geloof is, waardoor men dan ook verzekerd is dat men gerechtvaardigd is.

Brakel beroept zich hierbij op het geestelijke in de mens, omdat zijn natuur (door de wedergeboorte, WvS) verbeterd, verlicht en geheiligd is, waardoor hij weet dat hij de volgende zaken weet;

· Hij weet dat hij God tot zijn verzoende Vader, tot zijn deel, tot zijn vermaak en tot zijn rust kiest en begeert;

· Hij weet dat zijn ziel alleen gelukkig zou zijn als hij dit had en dat hij treurt omdat hij het mist;

· Hij weet dat hij uitziet naar de Heere Jezus als zijn Borg, dat hij Hem begeert en daarom dikwijls met tranen bidt;

· Hij weet dat hij zich aan Jezus aanbiedt en zich aan Hem overgeeft;

· Hij weet dat de zonden hem smarten en bedroeven en dat hij verlangt naar heiligmaking, dat hij daarom bidt en daarom tot Christus loopt;

· Een gelovige weet dat al deze dingen in hem zijn en hij weet dat hij dit weet!

Als de gelovige nu maar zeker wist dat hetgeen in hem is, ware genade en werkingen van de Heilige Geest zijn, dan zou hij in staat zijn om het besluit tot verzekering op te maken. Het probleem is echter dat het de gelovige hieraan vaak ontbreekt.

Brakel spoort de gelovige echter aan door te wijzen op het feit dat de gelovige zeker weet dat die gestalten en bewegingen in hem zijn, zodat hij dan ook het andere uit Gods Woord en door medewerking van de Heilige Geest moet leren en van beiden bewust moet zijn. Hierdoor kan hij niet anders dan verzekerd zijn. Als men zichzelf dan beproefd heeft of men het heeft, zo kan men ook komen tot de verzekering dat men het heeft.

Brakel haalt vervolgens de volgende teksten aan:

Joh. 6:69. En wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus.

2 Tim. 1:12. …ik weet Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd…...

1 Joh 2:3. Hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben.

Rom. 8:16, 17. Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen.

1 Joh. 3:14. Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben.

1 Joh. 4:13. Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijnen Geest gegeven heeft. (883, 884)

Tegenwerpingen.

Op de tegenwerping dat men uit het bovenstaande nooit een vaste verzekering kan hebben, omdat men nooit zeker weet of het de werking van de Heilige Geest is of de werking van zijn eigen geest, antwoordt Brakel het volgende;

Een gelovige hoeft zich niet te bekommeren of het nu een onmiddellijke werking van de Heilige Geest is, of dat het een werking is van de nieuwe, geestelijke, wedergeboren natuur.

Of het nu onmiddellijk van de Heilige Geest is, of door middel van het geestelijke licht en leven, het is beiden van de Geest! (885, 886)

Op de tegenwerping dat de beloften van vergeving onzeker en twijfelachtig zijn, antwoordt Brakel dat de beloften van vergeving absoluut zeker zijn op bekering en geloof. Als men dan bekering en geloof in zichzelf bevindt, zo kan men zich daarvan verzekeren, omdat alle beloften in Christus Jezus ja en amen zijn. (2 Cor. 1:20) (886)

Vervolgens wordt de tegenwerping gedaan dat als de verzekering dan rust op de onfeilbare beloften Gods, dat een gelovige dan nooit de minste twijfeling of bekommering mag hebben, maar altijd verzekerd moet zijn. (887)

Hierop antwoordt Brakel dat een gelovige wel alle redenen en grond heeft om zich altijd ontwijfelbaar verzekerd te houden en hij moest het ook doen, omdat de onfeilbare beloften Gods op hem zijn. Maar het is zijn zwakheid dat hij het niet altijd is, omdat hij vaak duister is waardoor hij zijn genade niet kent. Daarom is zijn twijfel geen bewijs dat de beloften niet absoluut zijn, of dat men niet verzekerd kan zijn, maar bewijs van zijn eigen duisternis en zwakheid. (888)

Vermaningen, aanwijzingen en kenmerken.

Vervolgens brengt Brakel een scherpe scheiding aan tussen de onbekeerden, die deze rechtvaardigmaking nog niet deelachtig zijn, (en die hij ernstig oproept tot bekering), en de gerechtvaardigden. (889-892) Deze laatsten spreekt Brakel toe dat hen alles toekomt uit de Vaderlijke liefde en uit de verdiensten van Christus. Een gerechtvaardigde kan met blijdschap zijn loop uitlopen. Dat hij dit niet meer doet, komt niet omdat hij er geen recht en reden toe heeft, maar omdat hij zijn rechtvaardigmaking niet méér gebruikt.

Brakel eindigt deze scherpe tegenstelling tussen de ongerechtvaardigden en de gerechtvaardigden, door erop te wijzen dat hieruit voldoende aansporing ontstaat voor de onbekeerde om de rechtvaardigmaking te zoeken. (892)

Vervolgens geeft Brakel proeven en middelen tot de rechtvaardigmaking, als een waarschuwing en een heenwijzing voor de onbekeerden.

Een mens moet eerst een gezicht hebben van zijn zondige hart en gedachten, een gezicht van zijn verdoemelijkheid en droefheid over zijn zondige en verdoemelijke staat. Heel opmerkelijk is de waarschuwing van Brakel dat er niet zo’n bepaalde trap van verbrijzeling, schrik en wanhoop moet wezen als veel onkundigen van de weg des Heeren eerst willen hebben, voordat ze denken gerechtvaardigd te zijn! En omdat zij dit niet hebben, zoals zij zich dat voorstellen, zo verwerpen zij alles en leven in gestadige onvastheid en onrust.

Brakel noemt wel droefheid, walg van zichzelf, gans ontbloot, verontwaardiging, ledigheid, inzinken in zijn verdoemelijkheid, hartzeer, kwijnen en verstandig zien en bevestigen dat men zo is, maar geeft de waarschuwing dat dit geen voorwaarde is die men eerst hebben moet, eer men komen mag, maar dat dit de hoedanigheid is, zonder welke men nooit zal willen komen. Dat het hier over de wedergeboorte gaat, het tot bekering komen van zondaren blijkt wel uit Brakels verwijzing hierbij naar de drieduizend op de Pinksterdag, de stokbewaarder en de tollenaar achter in de tempel. (895)

Wie nooit enigermate deze gestalte gehad heeft, heeft niet het ware geloof in Christus en is niet gerechtvaardigd.

Het tweede middel wat Brakel noemt om gerechtvaardigd te worden is het geloof.

De mens, die overtuigd is, zoals hiervoor omschreven, ziet dat hij door de rechtvaardige Rechter niet anders als verdoemd kan worden, waarom hij naar een Borg omziet, om in zijn plaats aan Gods rechtvaardigheid te kunnen voldoen. En zo vindt hij Jezus Christus. Hij erkent dat Zijn lijden en sterven een volkomen betaling aan Gods rechtvaardigheid is. Hij ziet en erkent de aanbieding van de gerechtigheid aan zich, hoe zondig hij ook is, neemt, begerig zijnde, de toevlucht tot Hem, neemt Hem aan tot zijn rechtvaardigheid en komt met die aangenomen gerechtigheid tot God; stelt zich ellendig en verdoemelijk voor de Heere, toont aan Hem de gerechtigheid van Christus en dat hij ze op de aanbieding aangenomen heeft. Hij stelt de Heere Zijn beloften voor, die aan zulken worden gedaan en al biddende, al worstelende, al aannemende en al aandringende op de beloften, zo wordt hem of een bepaalde tekst, of de Evangelische beloften in het algemeen, zo op het hart gedrukt, dat hij zich gerechtvaardigd bevindt. Hierbij komt dan ook wel de verzegelende kracht van de Heilige Geest, waardoor hij vrede en blijdschap ondervindt. Wie deze werkingen van het geloof niet kent is nog ongerechtvaardigd en bedriegt zichzelf als hij denkt gerechtvaardigd te zijn.

Rom. 3:28; Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt. (896)

De gerechtvaardigden kennen ook altijd een begeerte naar heiligmaking. Veel gelovigen twijfelen aan hun rechtvaardigmaking, omdat zij te weinig heiligmaking bij zichzelf zien.

Dit komt vaak voor omdat het hen aan licht ontbreekt om te weten wat heiligmaking is. Dit bestaat ook in een begeerte naar heiligmaking en een haat en weerzin tegen de zonden en wereldgelijkvormigheid. Ook in een zich vaak herstellen van de zonden en een voornemen niet meer te zondigen. Ook het bidden om kracht en leiding van de Heilige Geest. (897)

Brakel roept degenen die verzekerd willen zijn van hun rechtvaardigmaking op om Gods Woord tot een rechter te stellen!

Hij schrijft dat velen die al waarlijk gerechtvaardigd zijn, niet tot verzekering komen, of deze al heel snel weer kwijt zijn, omdat zij hun eigen rechter willen zijn en hun gevoel tot de grond van hun verzekering stellen! Het is namelijk Gods gewone weg niet om zijn kinderen altijd te verzegelen en hen het gevoel te geven. De Heere heeft een vastere grond gesteld, die vaster, duurzaam en altijd dezelfde is, namelijk: Zijn Woord!

Omdat men zich in zo’n gewichtige zaak niet moet bedriegen, moet men zich, om tot een vaste en bestendige verzekering te komen, vaak voor de Heere brengen en met David zeggen: “Doorgrond mij, o God! En ken mijn hart; beproef mij, en ken mijne gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.” Ps. 139:23, 24.

Hij moet zich hierop naar het Woord keren en zien welke beloften daar gedaan worden en aan hoedanigen. Hij moet deze beloften met verheffing van zijn ziel voor vast en zeker houden, als uitgesproken door de waarachtige God. Het komt erop aan of de beloften aan hem gedaan zijn en dit kan hij weten als hij de hoedanigheden in zichzelf vindt, aan wie de beloften gedaan zijn. Als hij dan eerst het Woord beschouwd en dan zijn hoedanigheden, dan moet hij zijn hart voor de alwetende God brengen. Nu moet hij een rechtvaardig oordeel over zichzelf vellen en niet loochenen wat zijn geweten zegt dat hij heeft. Hierop moet hij erkennen dat zulke zaken niet uit zijn eigen natuur zijn voortgekomen, maar dat het door Gods Geest in hem gewrocht is. Als hij dan in waarheid zulke zaken in zich vindt en dat zijn hart, met de in de Bijbel vermelde hoedanigheden overeenkomt, waarbij hij God en zijn geweten mede getuigenis geeft van de waarheid, zo moet hij een besluit maken dat de beloften aan hem gedaan zijn en derhalve dat God hem rechtvaardigt! Hij moet dat Woord aannemen als de stem van God, gelijk het ook waarlijk is. En op deze manier hoort hij de vrijspraak Gods. Of de gelovige nu meer of minder licht heeft, meer of minder gevoel, meer of minder blijdschap en vrede, dat verandert de zaak niet. De waarheid is de waarheid. De hoedanigheden zijn daar, de uitspraak van God de rechter is daar. Hier moet men God de eer geven van Zijn waarheid en zijn rechtvaardigmaking vaststellen. Hij moet zich hierover verblijden, God ervoor danken, en zo bemoedigd voortgaan in de weg des Heeren, in liefde, in vrees, in gehoorzaamheid, totdat hij verkrijgt het einde des geloofs, namelijk de zaligheid van zijn ziel. (898)

Brakel schrijft dat hij de middelen zodanig heeft voorgesteld, dat ze meteen als kentekenen kunnen dienen of iemand gerechtvaardigd is of niet. Die dan bevindt dat hij door deze weg van droefheid over de zonden, van geloof in Christus, van rechtvaardigmaking en heiligmaking, die hij begeert en zoekt, en door het stellen van het Woord tot rechter tot de rechtvaardigmaking is gekomen, die ziet nu de waarheid van zijn genade en van Gods beloften aan hem. (898, 899)

Weer volgt dan die scherpe scheiding met degenen die niet door deze weg zijn ingegaan, en zich evenwel inbeelden dat zij gerechtvaardigd zijn. Zij bedriegen zich vreselijk tot hun eeuwig verderf, indien zij zich niet bekeren! (899)

Ernstige vermaning aan de gerechtvaardigden.

Brakel spreekt vervolgens ernstig de bekeerden aan:

Verdoem uzelf niet, als God u rechtvaardigt!

Het is een gruwel voor God om de rechtvaardige te verdoemen! (Spr. 17:15) (899)

De gerechtvaardigden maken zich aan deze zonde schuldig als zij zichzelf verdoemen.

Brakel wil dat iemand, die in de tegenwoordigheid Gods en door het getuigenis van de Heilige Geest, bij zichzelf overtuigd is dat hij de hierboven omschreven gestalte en werkingen deelachtig is, bij zichzelf dan ook erkent dat hij door het geloof is gerechtvaardigd.

Hij mag zichzelf niet verdoemen, omdat hij misschien niet een bepaalde trap van verlichting heeft om alle tegenwerpingen één voor één te beantwoorden, of omdat hij niet een bepaalde trap van gevoel, vrede, of heiligmaking in zich voelt, terwijl hij ondertussen wel de waarheid van zijn rechtvaardigmaking ziet en zien kan.

Doet hij dit wel dan ontkent hij het werk van de Heilige Geest en spreekt hij de Heilige Geest in Zijn aangezicht tegen. En hiermee doet hij Christus verdienste smaadheid aan.

Ernstig klinken de vermaningen van Brakel tegen zo iemand:

“Zal Hij zoveel voor u geleden hebben en zult gij het niet erkennen, ja, het loochenen? Dat is uzelf te kwellen, daar de Heere u geen smarten aandoet. Gij zelf zijt de oorzaak met uw toegeven in ongelovigheid, dat uw leven verteerd wordt van droefenis en uw jaren van zuchten. De Heere spreekt van vrede, maar neen, gij wilt het niet aannemen, of de Heere moest u eerst dus en zo maken. Maar wie heeft zich tegen de Heere verhard en vrede gehad? (Job 9:4). Waarom zijt gij uzelf tot een beul? Waarom doet gij uzelf moeite en verdriet aan?”

Brakel eindigt met de aansporing: “Gelooft het Woord Gods, erkent het genadewerk Gods in u, en dus zult gij bevestigd worden, en met blijdschap uw loop uitlopen.”

**********


Theodorus van der Groe.

Van der Groe schreef in het tweede deel van de uitleg van het boek Job, geschreven door de Schotse prediker George Hutcheson, een uitgebreide inleiding. Deze inleiding is in 1752 in boekvorm uitgegeven. Hij betreurt in dit geschrift de lauwheid en het verval van de christelijke kerk, door het gebrek aan ware geestelijke kennis, die de sleutel vormt tot het deelhebben aan Gods genade. Het onderstaande is uit genoemd geschrift gehaald, dat recentelijk opnieuw is uitgegeven onder de titel: “De ware bevinding”, Kampen, 1993.

Helder beschrijft Van der Groe hoe de zondaar door de geloofsvereniging met Jezus Christus wedergeboren wordt en dat dit zaligmakende geloof, altijd onmiddellijk de weldaad van de rechtvaardigmaking met zich voert, als een onafscheidelijk vruchtgevolg.

Van der Groe schrijft dat God de uitverkorenen, d.m.v. het Evangelie, de Heilige Geest geeft (Rom. 5:5) Die de Vader door Zijn Zoon in hun harten uitzendt. (Gal. 4:6). Hierdoor worden zij krachtdadig in hun harten verlicht, door de verkondiging van het Woord en worden zij indachtig wat Christus hen tevoren in het Woord had gezegd. Voorheen hadden zij door hun geestelijke blindheid (waarin zij door de zonde ontvangen en geboren zijn) deze woorden nooit recht verstaan, toen zij ze hoorden. Door Zijn goddelijke werkingen gaat de Geest der waarheid hen in al de waarheid leiden. (Joh. 16:13) Hij overtuigt hen eerst van zonde (Joh. 16:8) en brengt hen daardoor tot een heilige vernedering en oprechte verslagenheid voor God.

Daarna werkt Hij het ware zaligmakende geloof in hun harten, dat een vrucht van de Geest is (Gal. 5:22), waardoor Hij ook wel de Geest des geloofs wordt genoemd. (56)

Door middel van dit geloof verenigt Hij de uitverkorenen nu dadelijk met de Heere Jezus Christus, die door datzelfde geloof nu ook in hun harten gaat wonen. (Ef. 3:17, Joh. 14:23) en tot hen inkomt. (Openb. 3:20). Gelijk zij dan ook van hun kant door hun geloof Christus ingelijfd of ingeënt worden. (Rom. 11:24) Hij is de Wijnstok en zij de ranken, die in Hem blijven en vrucht dragen (Joh. 15:1-5). Hij is het Hoofd (Ef. 4:15, Col. 1:18) en zij zijn het lichaam en de leden in het bijzonder (1 Cor. 6:15 en 12:27), die Hem nu aanhangen en een geest met Hem zijn (1 Cor. 6:17), die geworden zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen (Ef. 5:30). Zij kunnen dan nu ook met de apostel zeggen: “Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. (Gal. 2:20) (56)

De ware gelovigen kunnen zodanige vereniging des geloofs met Christus niet hebben, zonder de Vader. Want Christus is voor hen de Weg, door Wie zij komen tot de Vader. (Joh. 14:6) Hij is de eeuwige en natuurlijke Zoon van God en daarom worden al degenen, die waarlijk door een oprecht geloof met Hem verenigd zijn, door Hem ook verenigd met de Vader en in Zijn goddelijke en dierbare gemeenschap voor eeuwig ingelijfd, zodat zij tot Hem ook roepen door de Geest: Abba Vader (Rom. 8:15). Daarom zegt Johannes: opdat ook gij gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus (1 Joh. 1:3) Christus’ Vader wordt nu ook hun Vader en Zijn God hun God. (Joh 20:17)

Zij worden hier nu om Christus’ wil, als die door het geloof met Hem verenigd zijn, ook tot kinderen Gods aangenomen en wedergeboren. (Joh. 1:12; Rom. 8:16,17; 1 Joh. 3:1,9)

En zo komen dan nu Vader en Zoon beide tot hen op een verborgen, genadige, geestelijke en onbegrijpelijke wijze en maken woning bij hen. (Joh. 14:23) Dan is het zoals Christus daarvan gezegd heeft, opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn (Joh. 17:21).

En zo worden alle ware gelovigen verenigd en krijgen gemeenschap met de Drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. (blz. 56, 57)

De rechtvaardigmaking

God, Die rijk is in barmhartigheid, zegent de gelovigen met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus (Ef. 2:4 en 1:3). Daarom vloeit dan ook noodzakelijk uit deze geestelijke geloofsvereniging met de Drieënige God, een onuitputtelijke fontein van genade en zaligheid voor alle ware gelovigen. Daarom munt boven alles uit de heerlijke weldaad van de genadige rechtvaardigmaking.

Verbijsterd vraagt Van der Groe zich af hoe iemand door het geloof gemeenschap zou kunnen hebben met een Drieënig God en nochtans in die staat een onverzoend, goddeloos en doemwaardig zondaar zou kunnen zijn, zoals degenen die zichzelf buiten die zalige gemeenschap sluiten door hun eigen ongeloof.

Van der Groe noemt dit zo’n grote dwaasheid, die zelfs voor een ogenblik niet in een gezond verstand kan opkomen! (blz. 58)

Het ware geloof, dat alle uitverkorenen geestelijk met Christus en door Hem met God verenigt, doet hen ook een waarachtige gemeenschap genieten aan al Zijn dierbare weldaden. Want het ware geloof omhelst Christus en tegelijk ook alles wat in Hem is tot volkomen zaligheid van zondaren. In Hem is een bodemloze zee van gerechtigheid en verdiensten, in die mate als zelfs meer dan genoegzaam zou zijn om duizend werelden te behouden, wanneer Hij die maar wilde scheppen en verlossen. Want stellig is één druppel van het dierbare bloed van Gods Zoon, door Hem vergoten, veel waardiger in Gods ogen, dan de ganse schepping met alles wat er heerlijk en voortreffelijk in gevonden wordt.

Gelijk nu alle ware gelovigen, ieder voor zichzelf, door de Geest des geloofs, gemeenschap hebben aan de gehele persoon van Christus, alzo hebben zij ook, elk voor zich, gemeenschap aan Zijn ganse gerechtigheid en aan al Zijn heilige Middelaarsverdiensten. Deze worden hen door God in Christus, uit genade als hun eigendom toegerekend en zij worden daarom geheel als omhangen en bekleed (Jes. 61:10), zodat zij hier dan nu de rechtvaardigheid hebben, die uit God is, door het geloof (Filip. 3:9). (blz. 58)

De Vader vindt hen nu door Zijn Geest gelovig verenigd met Zijn Zoon en als zodanig omhelst Hij hen nu ook met Zijn eeuwige liefde en genade, die Hij reeds bij Zichzelf voor hen had in Christus, eer de wereld was. Hij verzoent en verenigt Zich nu ook volkomen en voor eeuwig met hen en vergeeft hen uit genade al hun zonden, om de verdiensten van Zijn Zoon.

Hij schijnt met Zijn vertroostend licht op hun zielen in de beloften van het Evangelie door de werking van Zijn Geest. Daardoor wekt Hij hen dan op en spoort hen aan om ook wederom van hun kant in een kinderlijke gemeenschap des geloofs door Christus steeds met Hem te wandelen. Hij schenkt hen daartoe Zijn Heilige Geest, door welke zij toegang hebben tot de Vader (Ef. 2:18) en nu met vrijmoedigheid mogen toegaan tot de troon der genade, opdat zij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd. (Hebr. 4:18) (blz. 59)

Volgens Van der Groe is er nooit een waar zaligmakend geloof van de Geest in het hart van iemand van de uitverkorenen, dat deze weldaad van de genadige rechtvaardigmaking niet onmiddellijk met zich voerde als een onafscheidelijk vruchtgevolg, volgens Rom. 5:1; Gal. 2:16; Joh. 1:12 en bij herhaling in de Heilige Schrift.

Daarom moeten wij nooit een waar geloof stellen zonder rechtvaardigmaking!

En ook moeten wij geen andere rechtvaardigmaking stellen, dan die vloeit uit de ware geloofsvereniging met God in Christus door de Heilige Geest.

Het is zeker dat wij door het geloof eerst een ware gemeenschap moeten hebben met de Drieënige God Zelf of met alle drie de Personen in de Godheid, voordat wij enige gemeenschap kunnen hebben aan Zijn genade en weldaden. Daarvan is alleen de voorkomende genade van de Geest uitgezonderd, die ons, als we dood liggen in de zonde, eerst aangrijpt, voordat wij die kunnen aangrijpen om ons gelovig tot Christus te leiden en door Hem in de gemeenschap des Vaders. (blz. 59)

De rechtvaardigmaking kan geen moment alleen bestaan zonder heiligmaking, die ook als een zeer heerlijk vruchtgevolg is vastgehecht aan het ware geloof, (Hand. 15:9; 2 Thess. 2:13; Col. 2:12) als ook aan de rechtvaardigmaking. (1 Cor. 1:30) en 6:11) (60)

Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. (2 Cor. 5:17)

Samenvatting van Gods werk in de gelovigen.

Van der Groe vat de Goddelijke keten van de Evangelieleer en het werk van de Geest in de harten van de ware gelovigen als volgt samen:

1. De Heilige Schrift is de middellijke grondslag van alles waarop het zaligmakend werk van de Geest gebouwd is en waardoor Hij werkt.

2. De Heilige Geest ontsteekt door Zijn inwendige krachtdadige werking uit en door de Schrift, een Goddelijk en Hemels licht van kennis in het verstand of binnenste van de ware uitverkorenen, dat van nature geheel verduisterd is, ja duisternis zelf.

3. Dit licht is altijd een zuiver licht des geloofs, waardoor de mens de geopenbaarde waarheid van het Woord in het algemeen en die van het heilig Evangelie in het bijzonder, als volkomen waarachtig en Goddelijk omhelst en aanneemt. Langs die weg neemt hij dan ook oprecht toevlucht tot de genade van God in Christus, die daar aan alle verslagen en heilbegerige zondaren beloofd wordt. Zij rusten daarop met een waar betrouwen en geven zichzelf aan Christus over.

4. De mens wordt dan ook door middel van dit oprechte geloof waarlijk met de Drieënige God verenigd en krijgt zo gemeenschap aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, wat de grondslag is van alle zaligheid voor een arme verloren zondaar.

5. Uit deze geestelijke vereniging van het geloof met God in Christus, vloeit dan ook noodzakelijk de rechtvaardigmaking voort.

6. Ten slotte vloeit hier dan ook weer als een wezenlijk gevolg onafscheidelijk de ware heiligmaking uit voort. (blz. 67, 68)

**********

Thomas Watson:

De hoofdsom van de geloofsleer.

Alles wat hieronder beschreven is, is afkomstig uit het boek: Thomas Watson, De hoofdsom van de geloofsleer, Barneveld, 1997. Er wordt iedere keer verwezen naar de betreffende pagina uit dit boek.

Het ware zaligmakende geloof.

In zijn beschrijving van de toepassing van de verlossing zegt Watson dat de Geest de door Christus verworven verlossing toepast, door het geloof in ons te werken.

Christus is de heerlijkheid van het Evangelie, het geloof in Christus is de troost ervan.

Watson noemt het geloof een waar rechtvaardigend geloof dat genoemd wordt “Een geloof der werking Gods”, een juweel waarmee alleen de uitverkorenen worden omhangen. (Kol. 2:12) (282)

Dit ware zaligmakende geloof bestaat volgens Watson in drie dingen:

1. Verloochening van het eigen ik;

2. Vertrouwen; de ziel werpt zich op Jezus Christus. Het geloof gelooft de belofte en rust in de belofte op de persoon van Christus!

3. Toeëigening; Christus aan ons zelf toegepast. Deze toepassing wordt genoemd: Hem aannemen. (Joh.1:12) (blz. 283)

De Geest verlicht het verstand en maakt de wil gewillig, om Christus op elke voorwaarde aan te nemen, om zowel door Hem geregeerd als gezaligd te worden. (284)

Watson noemt het geloof de voornaamste Evangeliegenade, het hoofd van alle genadegaven. Het geloof beïnvloedt alle andere genadegaven en maakt ze werkzaam.

Niet één genadegave komt in beweging, voordat het geloof die actief maakt. (284)

Het geloof rechtvaardigt, door het Voorwerp aan te grijpen, namelijk Christus en Zijn verdiensten. Het geloof rechtvaardigt als het Christus aangrijpt, en het zich Christus en Zijn verdiensten toeëigent. (285)

Het geloof verenigt de mens met Christus (285, 301). Het is de omhelzende, inlijvende genade, het brengt de verbinding en eenwording met de Persoon van Christus tot stand.

Andere genadegaven maken ons gelijkvormig met Christus, maar geloof maakt ons tot lidmaten van Christus. (286)

Door het geloof krijgen we deel aan het voorrecht van de aanneming tot kinderen. Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus (Gal. 3:26). Voordat het geloof gewerkt is zijn wij geestelijke bastaarden. Een ongelovige moet God Rechter noemen, een gelovige staat in betrekking tot God als een Vader. (307)

Het geloof is een levendmakende genade, de vitale slagader van de ziel. De rechtvaardige zal door zijn geloof leven. (Habakuk 2:4) (308)

Kennis, hoe hoogverheven ook, en berouw, al zou men rivieren van tranen kunnen schreien, kunnen ons niet rechtvaardigen. Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebr. 11:6) Als wij Hem niet behagen door te geloven, zal het Hem niet behagen ons te zaligen. Zoals het oog zag op de slang tot genezing, moeten wij op Christus zien.

Geloof is de voorwaarde van het genadeverbond; geen geloof, dan niet in het verbond; en niet in het verbond, dan geen hoop. (Ef. 2:12) (blz. 286)

De gouden keten.

De uitwendige roeping is Gods aanbod der genade aan zondaren, waarbij Hij hen nodigt tot Christus te komen en de zaligheid te aanvaarden. Deze roeping toont ons wat de mens behoorde te doen om zalig te worden en neemt alle verontschuldigingen weg, als men ongehoorzaam blijft.

De inwendige roeping is het werk der genade van de Geest, waardoor Hij ons Christus van harte doet omhelzen, zoals Hij ons in het Evangelie wordt aangeboden.

Watson verwijst hierbij naar de gouden keten der zaligheid, bestaande uit vier schakels, zoals deze door Paulus wordt genoemd in Romeinen 8:30; “En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” (blz. 289)

De vergelijking van het zaligmakende werk van God in een zondaar met een gouden keten, toont aan dat deze gouden schakels onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn en dat het één er nooit kan zijn, zonder het ander. Daar waar men deze schakels van elkaar scheidt, kan er geen sprake meer zijn van een keten. Deze keten is echter van Goddelijke oorsprong en kan nooit verbroken worden.

De rechtvaardigmaking.

Watson noemt de rechtvaardigmaking de spil en de pilaar van het christendom. Een dwaling omtrent de rechtvaardigmaking is even gevaarlijk als een defect in een fundament.

De rechtvaardiging door Christus is een fontein van het water des levens. Als men in deze fontein het vergif van een verderfelijke leer werpt, is dat dodelijk. Luther zei dat na zijn dood het leerstuk van de rechtvaardigmaking vervalst zou worden. (297)

De rechtvaardiging is een woord ontleend aan de rechtspraak en is een rechterlijke daad waardoor iemand die gedaagd is, rechtvaardig verklaard wordt en openlijk vrijgesproken wordt.

In de rechtvaardigmaking verklaart God dat iemand rechtvaardig is en beschouwt Hij hem alsof hij niet had gezondigd. (297)

Het middel of instrument waardoor men gerechtvaardigd wordt is het geloof. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus. (Rom. 5:1) Het geloof is het instrument waardoor men Christus’ verdiensten aangrijpt. (298)

Ook Watson ontkent de rechtvaardigmaking van eeuwigheid. Alleen degenen die geloven en zich bekeren zijn gerechtvaardigd. Zolang men onbekeerd is zijn de zonden niet weggedaan en is men niet gerechtvaardigd.(299)

De rechtvaardigmaking brengt de persoon die gerechtvaardigd is, vrijspraak en kwijtschelding, krachtens de voldoening die door de Borg tot stand is gebracht.

Alle gelovigen zijn evenveel gerechtvaardigd. Hoewel er graden zijn in de genade, zijn die er echter niet in de rechtvaardigmaking. De één is niet meer gerechtvaardigd dan de ander.

De zwakste gelovige is zowel volkomen gerechtvaardigd, als de sterkste.

Watson past dit pastoraal toe op de zwakgelovige tot versterking van zijn hart:

“Ofschoon ge maar een greintje geloof hebt, zijt ge even waar gerechtvaardigd als degene die de hoogste stand in Christus mag hebben.” (blz. 300)

Als men gerechtvaardigd is, is men verenigd met Christus. (301, 286)

Ook Watson stelt dus dat men op de eerste geloofsdaad verenigd met Christus en gerechtvaardigd is.

Oproep tot de onbekeerden.

Vervolgens volgt weer de scherpe tegenstelling tussen de gerechtvaardigden en de onbekeerden.

Watson roept de onbekeerden op om te staan naar het hoge voorrecht van de rechtvaardigmaking. Hoe ruim en nodigend roept Watson de zondaren op om de rechtvaardigmaking te zoeken en nodigt hij de zondaren om tot Christus te komen; “Er is balsem in Gilead. Christus heeft Zijn bloed gestort tot een prijs voor de rechtvaardiging. Hij heeft Zichzelf en al Zijn verdiensten opgeofferd om zondaren te rechtvaardigen. Hij nodigt ons tot Hem te komen. Hij heeft ons Zijn Geest beloofd om ons in staat te stellen te doen wat vereist wordt. Zondaars, waarom wilt ge niet naar dit grote voorrecht zoeken? Waarom wilt ge de hongerdood sterven bij zoveel overvloed? Waarom wilt ge omkomen terwijl er een middel is om u te behouden? Zou men niet denken dat iemand krankzinnig is, aan wie vergeving wordt aangeboden, als hij slechts zijn zonde bekent en beterschap belooft, en hij zou de koning verzoeken zijn pardon voor zichzelf te houden? Zo iemand heeft toch zijn banden en boeien lief en wil daarin sterven.

Gij zijt deze dwaze persoon, die de rechtvaardiging, die u om niet door Christus in het Evangelie wordt aangeboden, veronachtzaamt. Zal men de liefde van Christus verachten? Is uw ziel, is de hemel u niets waard? O, zoek toch naar de rechtvaardiging door het bloed van Christus. Overweeg ten eerste de noodzakelijkheid om gerechtvaardigd te worden. Als we niet gerechtvaardigd zijn, kunnen we niet verheerlijkt worden. Die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. (Rom. 8:30) (302)

Door de rechtvaardigmaking worden onze zonden vergeven en worden we teruggebracht in Gods gunst, worden wij herstelt in de vrijheid van de kinderen Gods en ervaren we vrede in onze consciëntie. (Rom. 5:1)

Watson besluit zijn aanspraak tegen de onbekeerden met een oproep om te staan naar deze rechtvaardiging door Christus. Hij wijst erop dat deze weldaad wordt verkregen door het geloof in Christus en verwijst hierbij naar de oproep van Paulus aan de hardnekkige en ongelovige joden in Handelingen 13:39; “Door Dezen een iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt,” en naar Rom. 3:25; “Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening door het geloof in Zijn bloed.”

Besluit.

Watson wijst er nogmaals op dat we door het geloof verenigd zijn met Christus, en deel hebben aan Zijn verdiensten en aan de heerlijke gelukzaligheid, die door Hem verkregen wordt. (303)

Weer komt Watson met de duidelijke tegenstelling tussen Gods kinderen en de ongelovigen. De ongelovigen zijn geen kinderen Gods. Als er geen geloof is, is er geen kindschap. Zij kennen God niet. De gelovigen daarentegen zijn Gods kinderen. Al Gods kinderen kennen hun Vader;

Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven. (310)

Het grote nut van het kindschap Gods is dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus Jezus zijn, want God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? (Rom. 8:33, 34).

Het tweede nut is dat zij deel hebben aan alle beloften. De beloften zijn het brood der kinderen. De gelovigen zijn erfgenamen der beloftenis (Hebr. 6:17)

**********


John Owen

Bij de verklaring van John Owen over de rechtvaardigmaking heb ik gebruik gemaakt van de doctoraalscriptie theologie van A. Kort, thans predikant bij de Oud Ger. Gem. in Ned. 1)

De hieronder geschreven tekst bestaat dus uit fragmenten uit deze scriptie. Gemakshalve verwijs ik iedere keer naar de bladzijde van de scriptie, waar het betreffende fragment staat.

Rechtvaardigmaking op de eerste daad des geloofs.

Volgens John Owen bestaat de natuur van het ware geloof in een hartelijke goedkeuring van en een berusten in de weg der rechtvaardigheid en behoudenis door Jezus Christus. Het Evangelie is nodig tot bekendmaking of verklaring van de weg der rechtvaardiging en zaligheid. (blz. 36)

Wezenlijk behoort tot het geloof een oprechte verloochening van alle andere wegen en middelen tot verkrijging van gerechtigheid, leven en zaligheid. Er ligt een toestemming van de wil in opgesloten, om de vergiffenis der zonden en de gerechtigheid voor God te verkrijgen. Dit is wat genoemd wordt het komen tot Christus, het aannemen van Hem, het berusten van het hart in God. (blz. 36)

Een onafscheidelijk gevolg daarvan is het vertrouwen op God en Zijn barmhartigheid, vanwege de verzoening door Jezus Christus en het geloof in Zijn bloed. Door dit ware zaligmakende geloof is het onmogelijk om in moedeloosheid en wanhoop weg te zinken. (blz. 37)

De werkzaamheid van het geloof in de rechtvaardiging wordt in Gods Woord een aangrijpen, een aannemen van Christus, van Zijn gerechtigheid en van de vergeving der zonden genoemd. Dit betekent een ontvangen van de gerechtigheid van Christus, Die door God aangeboden, toegereikt, geschonken of medegedeeld wordt. Dit geschiedt in de belofte van het Evangelie en wordt door het geloof als werktuig eigen gemaakt. (blz. 44)

Het zaligmakend geloof maakt in de rechtvaardiging gebruik van en heeft opzicht op Christus’ persoon. Het beschouwt en omhelst Christus, Die al in de belofte voorgesteld is. (blz. 45)

Hoewel deze daad vooral gericht is op Christus’ Hogepriesterlijke ambt, worden de overige ambten niet uitgesloten. Het geloof is werkzaam omtrent Christus in al Zijn ambten. Niets van Christus mag uitgesloten worden als Voorwerp van het rechtvaardigend geloof. 2) Volgens Owen is de benaming zaligmakend en rechtvaardigend geloof één en hetzelfde. (blz. 45, 46)

Volgens John Owen zijn er mensen die beweren dat het kan dat iemand gelooft en vast op Christus vertrouwt ten leven en ter zaligheid en nochtans niet gerechtvaardigd is! Dit noemt Owen verwoestend voor het Evangelie en ergerlijk voor Godvruchtigen en in tegenspraak met het Goddelijk getuigenis!

Zij beroepen zich op de ondervinding van velen. Hoewel dit waar is, wil dat nog niet zeggen dat hun these waar is. Het zal dan ook niet moeilijk zijn om hen naar het licht en de regel van het Evangelie, in hun gemoed te overtuigen van de valsheid van die belijdenis wanneer zij tenminste aan zulk een heilzaam onderwijs het oor willen lenen, aldus Owen! (47)

1) A. Kort, The doctrine of justification by faith by John Owen, Genemuiden, 1992.

2) E. Erskine zegt dat wie Christus alleen aanneemt als Profeet, slechts verstandelijke kennis van hem heeft. Wie Christus alleen aanneemt als Priester, geeft blijk van onkunde, wat zich openbaart in de levenswandel. Hij waarschuwt voor het Neonomianisme , wanneer men Hem slechts aanneemt als Koning om naar Zijn wetten te luisteren. Al de werken, Veenendaal, 1978, VI, 27, 28.

Owen leerde dat het geloof, waardoor men gerechtvaardigd wordt, in niemand anders gevonden wordt dan in hen, die de Heilige Geest deelachtig zijn geworden. Door Hem worden zij met Christus verenigd en wordt hun natuur vernieuwd. Daarom wordt in hen een beginsel van alle deugden, genadegaven en een oprechte toeleg tot een Godvruchtige gehoorzaamheid gevonden. De genade van het geloof schenkt kracht aan alle andere genadegaven (zoals de liefde) en geeft vorm aan alle evangelische gehoorzaamheid. (48)

Volgens Owen brengt Rome, met zijn leer van de dubbele rechtvaardigmaking, verwarring in de gehele waarheid van het Evangelie. Ook de Socinianen leren dit, zij het op een andere wijze. Bij hen vindt de rechtvaardiging trapsgewijze voortgang.

Volgens Owen is er slechts één rechtvaardigmaking, die in één keer volmaakt geschiedt! (61)

Wel kan iemand gerechtvaardigd zijn en toch de verzekering van zijn rechtvaardiging in zijn eigen gemoed missen. Die verzekering hoort echter niet tot de natuur of het wezen van het geloof waardoor men gerechtvaardigd wordt en gaat er ook niet noodzakelijk mee vergezeld. De openbaring van iemands rechtvaardiging (bedoeld wordt hier de zekerheid of de bekendmaking van het vonnis, WvS) is geen tweede rechtvaardiging, maar de toepassing van de rechtvaardiging aan het geweten door de Heilige Geest. (61)

Rome heeft in het Trentse Concilie een definitieve kloof aangebracht tussen de protestanten door de vervloeking (anathema) uit te spreken over allen die de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen en de toerekening van de gerechtigheid van Christus voorstaan. (62)

Elke ware gelovige wordt, zodra hij gelooft, terstond gerechtvaardigd! Het geloof verenigt met Christus en is de grondslag van de rechtvaardiging. Naar de Goddelijke verordening is er een onafscheidelijk verband tussen het ware geloof en de rechtvaardiging. (64)

Vierschaarbeleving in de wedergeboorte.

Bij de uitleg van de forensische betekenis van de rechtvaardigmaking blijkt duidelijk dat de vierschaarbeleving plaats vindt in de wedergeboorte. Na een heldere uitleg van de vierschaarbeleving wordt namelijk de vraag opgeworpen of de rechtvaardigmaking aan de vernieuwing door de Geest vooraf gaat, of dat de uitverkoren zondaren eerst vernieuwd worden, waarop de rechtvaardiging op datzelfde ogenblik plaatsvindt. Deze vraag heeft o.a. ook Halyburton beziggehouden. (blz. 67)

Omdat wedergeboorte, geloven en rechtvaardiging tegelijk geschieden is men bij wijze van uitdrukking verplicht om over elk van deze daden onderscheiden te denken en te spreken. (blz. 69)

Owen verklaart ook dat wij op geen andere wijze gerechtvaardigd moeten worden dan als Abraham, namelijk door toerekening. (blz. 70)

Vervolgens wordt alles als volgt samengevat:

Door het offer van Christus is God verzoend en kan Hij zondaren pardon verlenen. Gods deugden zijn door Christus verheerlijkt en Gods recht heeft genoegdoening gevonden. De verworven gerechtigheid van Christus wordt aan de uitverkorenen uit vrije genade toegerekend. Zij worden door de Heilige Geest ontdekt aan zonden, schuld en algehele verlorenheid. Duidelijk blijkt het hier te gaan om de eerste overtuiging van zonden in de wedergeboorte. Kort verwijst hierbij namelijk naar de uitspraak van John Owen (in “Works”, XXIV, 315 en III, 353) dat overtuiging nog geen bekering is, voordat de bekering is voltooid en het vernieuwende werk aanvangt.

Zij leren als overtuigde zondaren Gods rechtvaardig oordeel kennen en de rechtvaardigheid daarvan erkennen. Zij worden voor Gods gericht gedaagd (vierschaarbeleving!) en volgens Gods barmhartigheid vrijgesproken op grond van Christus zoen en kruisverdienste. Door de vereniging met Christus in een waar, zaligmakend geloof zijn zij rein en gerechtvaardigd voor God. Gedurende hun verdere leven wandelen zij in een nieuw Godzalig leven, tot de dag van de algehele verlossing. (blz. 77)

Slotconclusie:

Identiek met Augustinus leerde Owen dat God altijd de eerste is, die de mens door genade roept. Die roeping wekt het geloof en de nieuwe wil. Het geloof leert hopen op wat het nog niet heeft. Hij geeft de mens de smaak der gerechtigheid en een vertrouwen op Gods hulp, dat gegrond is in de vleeswording, het lijden en de opstanding van Jezus Christus. God bereidt het hart en neigt het zonder dwang tot het geloven. Enerzijds verlicht de Heilige Geest de menselijke geest en geneest en versterkt de wil. Anderzijds gelooft de mens door een daad van zijn eigen wil. 3) Het geloof is, naast het voor waar houden van de Schrift en het kinderlijk vertrouwen op God, het geloof in het volbrachte werk van de Middelaar. (78)

Geloof is geloof in Christus, Die geworden is tot Wijsheid, Gerechtigheid, Heiligmaking en Verlossing. Geloof en heiligmaking gaan altijd samen.

Gelijk Augustinus, Luther en Calvijn, ziet Owen de rechtvaardigmaking (justificatio) als wedergeboorte (regeneratio)

Rechtvaardigmaking en heiligmaking zijn weldaden, door een eeuwige en ondeelbare band verbonden. Zowel Calvijn als Owen leerden dat beide weldaden alleen mogelijk zijn door de inplanting in Christus. Door deze inplanting krijgt de gelovige deel aan de genade en verlossing in Christus. Zonder geloof is er geen inplanting en gemeenschap met Christus, noch enige van de andere weldaden van God. Door de eenwording met Christus ontvangt de mens de tweevoudige genade van Christus, namelijk de verzoening met God en de heiliging door de Geest. De rechtvaardigmaking is vanaf het eerste moment volkomen, maar de heiligmaking onvolkomen.

Wedergeboorte (regeneratio) en heiliging (sanctificatio) zijn het antropologisch aspect van de realiteit van de inplanting (insertio). Inplanting in Christus (Insertio) betekent tegelijkertijd wedergeboorte (regeneratio) en heiliging (sanctificatio).

De mens wordt door het geloof gerechtvaardigd, wedergeboren en geheiligd.

Primaire factor in het proces van wedergeboorte is direct al de boetvaardigheid, wat op de continuïteit wijst. De meest gevorderde is, die zichzelf het meest heeft leren mishagen. Deze haasten zich tot God en verlangen naar Hem.

Owen zag met Augustinus, Luther en Calvijn de heiligmaking uitsluitend als het werk van de Heilige Geest. Zij maken geen scheiding tussen rechtvaardiging en heiliging, als van twee verschillende momenten of stadia. Hoewel er grote overeenstemming is tussen Luther, Calvijn en Owen, kritiseerde Owen wel hun gedachte dat de verzekering van het geloof tot de essentie van het geloof behoorde.

**********3) Komt overeen met D.L. hfdst. 3 en 4, punt 11 en 12.

Thomas Halyburton

De nu volgende tekst is gebaseerd op een boek van Mr. Thomas Halyburton, professor in de godgeleerdheid aan de universiteit van St. Andrew te Schotland (waar ook Samuël Rutherford heeft gestaan) genaamd “Een zedig onderzoek.” Het onderzoek in dit boek handelt over de natuur van Gods daad van rechtvaardigmaking en over de vraag of de wedergeboorte in orde der natuur aan de rechtvaardigmaking voorafgaat, of er onmiddellijk op volgt.

Rechtvaardigmaking in de vierschaar in de wedergeboorte.

Halyburton stelt met zekerheid vast dat de zondaar waarlijk voor Gods rechterstoel wordt gedaagd waar hij door de wet, zijn geweten en de satan beschuldigd wordt, dat hij op zijn geloven wordt vrijgesproken, het vonnis in zijn voordeel wordt uitgesproken en hij door God gerechtvaardigd wordt. Daar dit alles niet zichtbaar verricht wordt en het vonnis niet hoorbaar voor de aangeklaagde zondaar wordt gehoord, werpt hij de vraag op hoe God het vonnis ten gunste van de zondaar bekend maakt. Wat is die daad van God? Hoe drukt Hij die vrijsprekende daad uit? (blz. 32)

In zijn uitleg hierover is het van cruciaal belang om te beseffen dat Halyburton hier spreekt over de rechtvaardigmaking die plaats vindt in de wedergeboorte. Dit blijkt alleen al duidelijk uit de hele beweegreden van Halyburton om dit boekje te schrijven, namelijk om een theologisch antwoord te vinden op de vraag of de wedergeboorte in orde van de natuur aan de rechtvaardigmaking vooraf gaat, of er op volgt, omdat beiden onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn en in dezelfde tijd geschieden.

Daarom is het goed om nog eens te benadrukken wat Halyburton hierover zegt op blz. 26:

“Er is géén daad van genade die ook maar een ogenblik het rechtvaardigmakende geloof vooraf gaat!”

Hij is op datzelfde ogenblik gerechtvaardigd. Verder schrijft hij dat allen die rechtzinnig zijn er mee instemmen dat er bij het eerste geloven, door de Heilige Geest, een klare ontdekking van Jezus Christus is, zoals Hij in het Woord wordt voorgesteld, waardoor de van zonde overtuigde ziel krachtig besluit zich met Hem, als de enige Weg van ontkoming, te verenigen. Deze daad der ziel wordt voor de rechtvaardigmakende daad des geloofs gehouden. (blz. 36)

Halyburton stelt de rechtvaardigmakende daad van het geloof in de aannemende daad. Hierbij verwijst hij naar Dr. John Owen. Owen beschrijft deze aannemende daad als de goedkeuring van het hart, van de weg van rechtvaardigmaking en verlossing van zondaren door Jezus Christus, Die in het Evangelie wordt voorgesteld, voortvloeiend uit de genade, wijsheid en liefde van God met berusting daarin wat de voorwaarde betreft.

Deze berusting is dan niet een berusting wat zijn eigen aandeel of zaligheid betreft, maar een berusting dat de zondaar op het punt gekomen is dat hij niet meer naar een andere weg uitziet, maar alleen behouden is als hij Hem maar heeft. (blz. 41)

Zodra dus de ziel, door een ontdekking van Christus Jezus, in het licht des Heeren dat tot de ziel wordt overgebracht in en door het Evangelie, tot de goedkeuring van Hem gebracht is, volgt daarop onmiddellijk de rechtvaardigmaking, of die daad van God waardoor zij wordt vrijgesproken.

Halyburton stemt dus met John Owen overeen dat de rechtvaardigmaking dadelijk plaats vindt in de wedergeboorte, op de eerste daad des geloofs.

Deze eerste daad des geloofs volgt op de eerste openbaring van Christus aan de ziel en bestaat in een goedkeuring van het hart van de weg van verlossing van zondaren door Jezus Christus en een berusting in de voorwaarden.

Hoe spreekt God het vonnis uit?

Vervolgens gaat Halyburton in op de vraag waarin deze daad van vrijspreking bestaat, door welk middel zij wordt uitgedrukt, of hoe God dit vonnis uitspreekt. (blz. 41)

Zeer gedetailleerd geeft Halyburton een beschrijving van de werkzaamheden van een ziel, die voor het eerst gelooft, op de eerste openbaring van Christus aan de ziel.

Zo’n ziel zal niet altijd bij haar eerste vereniging met Christus, zo zeker weten dat haar zonden vergeven zijn, dat ze het vrijmoedig aan anderen durft te zeggen, of voor zichzelf met zekerheid staande kan houden. Dit kan de ziel meestal pas als zij door de invloed van de Heilige Geest mag terugzien op haar genade, waardoor zij in staat wordt gesteld deze genade te onderscheiden en er haar aandeel aan Christus uit vast te stellen.

Ook zal zo’n ziel niet dadelijk zo’n duidelijk gezicht van haar genade hebben, dat ze met vertrouwen haar verkiezing, rechtvaardigmaking en zekerheid van haar zaligheid kan vaststellen. Dit volgt soms op een woord van belofte zoals: “Zijt goedsmoeds, uw zonden zijn u vergeven”, die dan zo krachtig door de Geest wordt toegepast, dat ze de zekerheid ontvangt. (blz. 42)

Nee, Halyburton bedoelt dat een overtuigde zondaar, die door de wet, de satan en zijn eigen geweten achtervolgd wordt, bij de eerste zaligmakende openbaring van Christus aan zijn ziel besluit om zich op bovenvermelde wijze met Hem te verenigen. Hierop volgt ook onmiddellijk zo’n verwachting, toevertrouwen en nederig vertrouwen, dat de ziel zich verbindt van nu aan altijd in een weg van plicht de Heere te zullen volgen, zonder te wanhopen aan de zaligmakende uitkomst, en met een heimelijke hoop dat het genadig zal aflopen.

Deze overreding en dit nederig vertrouwen durft de ziel niet zo rechtstreeks van zichzelf uit te drukken, vanwege de vernederende indrukken van zonde en schuld en het ontzag Gods.

Toch is het volgens Halyburton zeker dat de ziel dit genoemde vertrouwen en deze hoop ontvangt bij het eerste geloven als gevolg van de openbaring van de heerlijkheid van de genade, goedertierenheid en liefde Gods tot zondaren in Jezus Christus aan de ziel. (42, 43)

Zonder deze ontdekking of openbaring is het onmogelijk om te geloven. Maar het kan ook niet anders of door deze ontdekking ontvangt de ziel enige verlichting en ontvangt zij bovengenoemde overreding. Zonder deze ontdekking en overreding is de ziel nog wat zij tevoren was!

Halyburton schrijft dat de gewichtigste en de meest ervaren godgeleerden dit hebben gezien als het wezen van het geloof, onafscheidelijk verbonden met de rechtvaardigmaking. (43)

En deze nederige overreding, hope, vertrouwen en verwachting is geen ongegronde vermetelheid, maar een geloofsdaad!

Het is zeker dat de grond van deze vertrouwende daad het woord der belofte is, waarbij God Zich verbindt dat Hij zondaren in Christus Jezus genadig vergeving schenkt en aanneemt. Dit maakt de Schrift op velerlei wijze duidelijk. In de roeping van het Evangelie moet een openbaring van Christus worden toegestemd; een aanbieding of aanbod van Hem, als aller aanneming waardig worden aangenomen; moet er een gebod zijn dat deze aanneming eist en daartoe machtigt; en ten laatste een belofte van goedertierenheid of verlossing aan hem, die de belofte aanneemt. Dit laatste is de grond van dit ontwijfelbaar vertrouwen. (Ps. 114:74 en Ps. 130:7)

Deze belofte is alleen genoegzaam om dit vertrouwen op te wekken, in de kracht van de Heilige Geest. (2 Cor. 4:6)

Het is een daad Gods, waardoor Hij Zijn getrouwheid in de belofte openbaart en met kracht Zijn goedertierenheid voorstelt en toepast. De zondaar ziet nu uit naar de Heere Jezus en keurt Hem goed als de enige Weg van aanneming bij God. (44)

Om misverstanden te voorkomen haast Halyburton zich om te zeggen dat hij niet bedoelt dat God dit bij iedereen toepast door een krachtig spreken “uw zonden zijn u vergeven,” wat Hij bij sommige gelegenheden wel kan doen. Halyburton bedoelt dat de zonden vergeven zijn op hetzelfde ogenblik waarin de arme bevende overtuigde zondaar, door een heldere openbaring van de Middelaar, overreed wordt om van alle andere wegen van hulp af te zien, en zijn oog tot Hem te wenden als aller aanneming waardig, Die voor arme zondaren in deze toestand alleen geldig kan zijn. Op dit zelfde moment (in de orde der natuur daaruit voortvloeiend) zijn hier voor de zondaar de volgende zaken:

1. Een heldere ontdekking van Gods goedertierenheid, waarvan de zondaar daarvoor, op die manier, geen gezicht had;

2. Deze goedertierenheid wordt de arme zondaar in het bijzonder tot zijn hulp voorgesteld. Zij wordt hem voor ogen gesteld als gepast voor de toestand waarin hij nu verkeert.

3. De belofte en de verbintenis Gods komt met kracht tot de ziel dat hij verlost zal worden. Zaligmakende goedertierenheid of ontferming wordt de arme bevende zondaar op dat moment aangeboden.

De zondaar durft niet altijd onmiddellijk hierop een persoonlijk en toepassend besluit te trekken, omdat hij nog niet helemaal hersteld is uit de verschrikking, waarin de ontdekking van zijn ellende hem vlak daarvoor geworpen had. Toch verwekt deze genadige kennisgeving iets van een nederig vertrouwen en breekt, tenminste voor die tijd, de kracht van de onderdrukkende en de verbijsterende beschuldiging, onder welke hij tot die tijd was gelegen.

Deze daad van God, zoals hij hier beschreven is, acht Halyburton de rechtvaardigmakende daad, of Gods daad van vrijspreking! (45)

Om deze zaken nog duidelijker te maken noemt Halyburton nog een aantal punten.

1. Al deze verscheidene en onderscheidene zaken, zowel van God als van de zondaar, geschieden, wat de tijd betreft, allen op hetzelfde ogenblik. Voor de zondaar is dit moeilijk te bevatten, als gevolg van de verschrikkingen waarin de zondaar verkeerde, voordat het Evangelie zich aan hem openbaarde en door het verrassende van de openbaring zelf.

2. De rechtzinnige godgeleerden stemmen er in overeen dat de zaligmakende openbaring van Gods goedertierenheid in de belofte, door Christus Jezus, de grond is voor de onderscheiden geloofsdaden.

3. Het is duidelijk dat er zo’n daad van God is waardoor ontferming en goedgunstigheid in en door de belofte, aan de ziel wordt aangeboden, terwijl zij op bovenvermelde wijze haar oog op de Heere Jezus vestigt.

De daad van vrijspreking in de wedergeboorte.

Vervolgens geeft Halyburton een duidelijke chronologische opsomming van de vrijsprekende daad in de rechtvaardigmaking, zoals die geschiedt in de wedergeboorte:

Dat dit een daad van vrijspreking is blijkt uit de volgende punten:

· De zondaar staat voor Gods rechterstoel en is uit al zijn pleitgronden geslagen, waardoor hij op het punt staat ten onder te gaan onder het gewicht van een zware beschuldiging.

· Op hetzelfde ogenblik wordt de Heere Jezus aan de zondaar voorgesteld, door een ontdekking van het Evangelie, waardoor zijn zielsoog zich geheel daarheen wendt.

· Terwijl de ziel alleen op Christus ziet om hulp, verlicht God de ziel met een lieflijke openbaring van Zijn goedertierenheid, door Jezus Christus, tot zondaren in de belofte. (blz. 46)

· Deze ontdekking, gedaan aan de zondaar voor Gods rechterstoel, betekent een bekendmaking van het gevoelen van de Rechter, een vrijspreking van de beschuldiging, in plaats van een veroordeling.

Halyburton geeft vervolgens zeer bevindelijk weer hoe deze daad volkomen genoegzaam is voor de rechtvaardigmaking. Dit doet hij aan de hand van zeven punten, zoals die door de zondaar bevindelijk ondervonden worden.

1. Het stoot de kracht van de beschuldiging af. Ondanks alles wordt de ziel toch vrij gemaakt van die verbijsterende verschrikking en twijfelmoedigheid, waaronder zij daarvoor nog verkeerde.

2. Het maakt de Heere dierbaar en geeft een eeuwige verplichting van weldadigheid tot God.

3. Het geeft een bevrijding van die neerdrukkende verschrikking Gods, waar hij daarvoor onder verkeerde. Het geeft iets van vertrouwen, dan wel een weldadige vrijmoedigheid in zijn omgang met God.

4. Deze daad van God geeft recht op vrijheid van alle rechtvaardige vervolging van die beschuldigingen die daarvoor in zijn geweten tegen hem werden ingebracht, welke op het ogenblik dat de zondaar gelooft, uit de belofte voortkomt. Bovendien geeft het de zondaar recht en een grond waarop hij aanspraak mag en moet maken en gebruik van mag maken, tegen alle pogingen van wie dan ook die zal proberen het oude proces weer aanhangig te maken! (blz. 47, 48)

5. Hierna kan of mag niemand meer met een volmacht of op gezag van God en in Zijn Naam, rechtvaardig tegen de zondaar opstaan, om zijn leven (te eisen.)

6. Wanneer de boosaardige aanklager satan, met Gods verlof en wijze bedoeling, twistziek het rechtsgeding verzwakt en de zondaar aanhoudend lastig valt, is er geen nieuw of ander vonnis nodig om hem tot stilzwijgen te brengen of af te slaan. Waarneer God zich verwaardigt om in Zijn goedertierenheid de eerste ontdekking te verlevendigen, welke als een uittreksel uit het eerste vonnis is, wordt de ziel tenslotte gekalmeerd en de vijand beschaamd.

7. God komt de ziel onmiddellijk hierop voor als een verzoend God, wat volgens Halyburton meestal duidelijk te onderscheiden is. Waar dit niet duidelijk is wijt Halyburton dit meer aan de zwakheid van de zondaar, dan aan gebrek aan duidelijkheid.

Op de eerste openbaring van Christus aan de ziel is de Rechter ontdaan van Zijn vreselijke majesteit. De zondaar ziet geen fronsen in Zijn aangezicht, maar een lieflijkheid, gepaard met een majesteit die weldadige gedachten en eerbied afdwingen. De aangeklaagde wordt nu niet meer, zoals daarvoor ingekerkerd en opgesloten met de vreselijke verwachtingen van toorn en hevige grimmigheid. Soms trekken de vervolgers zich geheel terug en verdwijnen, soms houden de satan, of een verkeerd ingelicht geweten, vol als twistzieke tegenpartijders, maar dit zijn slechts boosaardige protesten die veroorzaakt zijn door de teleurstelling die zij van de Rechter hebben ondervonden. (blz. 48)

Halyburton voegt hier nog aan toe dat de zondaar hierna terstond met enige lieflijke vrijmoedigheid zijn weg gaat en met lust zijn weg begint. (48, 49)

Vervolgens zegt hij dat indien God door een eenvoudige leerstellige openbaring algemeen Christus Jezus en de weg der zaligheid door Hem had geopenbaard, zonder de belofte dat Hij de zondaar zou rechtvaardigen, iedere zondaar dan nog verplicht geweest was die openbaring goed te vinden en goed te keuren, als het enige redmiddel voor zijn ziel.

***********

Slotconclusie:

In de inleiding van deze scriptie ben ik begonnen met de constatering van de bekende vertaler, dhr. C.B. van Woerden, dat in zijn dagen (1929) onder Gods kinderen de onkunde over het leerstuk van de rechtvaardigmaking groot was.

Op grond van datgene wat in deze scriptie naar voren is gekomen kan ik niet anders concluderen dan dat deze constatering ook heden nog van toepassing is.

Eerst zal ik voor de duidelijkheid de leer van de rechtvaardigmaking, zoals deze door de Reformatoren, in onze Belijdenisgeschriften en de Oudvaders werd geleerd, kort samenvatten.

Wedergeboorte, geloof en rechtvaardigmaking, zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden.

Er bestaat geen wedergeboorte zonder geloof, en geen waar zaligmakend geloof zonder rechtvaardigmaking. In de wedergeboorte wordt de zondaar voor Gods vierschaar gedaagd en beschuldigd door de Wet, de duivel en zijn eigen geweten. Op de eerste openbaring van Christus aan zijn ziel, volgt de eerste daad van het geloof, waarop de zondaar wordt vrijgesproken van schuld en straf en een recht krijgt op het eeuwige leven. Op deze geloofsdaad wordt de ziel verenigd met Christus en wordt de rank ingeënt in de Stam, waarop hij deel heeft aan al Zijn weldaden.

Citaten van Reformatoren en Oudvaders.

Olevianus (Geschriften, blz. 3) geeft dit als volgt weer:

Omdat Hij, als de Koning van de Kerk, eerst de harten brengt tot kennis van hun ellende en tot een gezicht van Gods gerechtigheid. Op deze wijze wekt Hij een ijver om zich met God te verzoenen en zich naar Zijn wil te bekeren. Daarna biedt Hij hun, na zo voorbereid te zijn, het Woord der verzoening aan en brengt het geloof in hun harten voort.

Hierdoor deelt Hij, naar Wie zij dorsten, hun Zichzelf mede, opdat zij de rechtvaardigmakende kracht Zijner verdiensten tot een eeuwige vrede der ziel zouden genieten; en alzo door de Heilige Geest dagelijks meer en meer zouden vernieuwd worden.

Luther schrijft in de Galatenbrief bij hfdst. 2:17:

Het geloof omhelst, bevat en heeft in bezitting die schat, namelijk Christus; daarom rechtvaardigt het geloof.

Durham, (Het merg des Evangeliums, preek 28, blz. 728)

Gods Geest komt tot de ziel van een zondaar, verlicht zijn verstand, hem overtuigende van zijn gevaar, hem drijvende tot Christus en hem krachtig overredende om Zijn gerechtigheid, welke hem aangeboden wordt, aan te nemen; waarop dan de ziel het geloof oefent, en op Zijn gerechtigheid rust; gelijk als wanneer Filippus tot de kamerling zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, dan zult gij gerechtvaardigd worden. Hand. 8:37. Zo antwoordt de ziel: Ik geloof dat Jezus Christus de Zone Gods is, waarop het verdrag gesloten wordt.

Dit is de inwendige-, instrumentele- of middel-oorzaak van de rechtvaardigmaking.

Wanneer een zondaar Christus Jezus, gelijk Hij aangeboden is, heeft aangenomen, en op Hem berust door het geloof, dan rekent God hem de gerechtigheid van Christus toe, dan wordt de betaling van Christus en Zijn voldoening aan de Goddelijke rechtvaardigheid als de zijne gerekend, en uit kracht daarvan worden zijn zonden vergeven om die verdiensten van die gerechtigheid, en hijzelf wordt als rechtvaardig gerekend en aangenomen, alsof hij nooit gezondigd had; en daar wordt over hem een vonnis uitgesproken als er in die woorden van Psalm 32:1 en 2 staat;

Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

De dogmatische termen rechtvaardigmaking in de vierschaar, dadelijke- en lijdelijke rechtvaardigmaking, komen in Gods Woord niet voor. Ook komen deze termen niet voor in onze Drie Formulieren van Enigheid. Om het juridisch en forensisch karakter van de rechtvaardigmaking te beschrijven zijn deze termen, als theologische benamingen, geformuleerd. Nu blijkt uit de in deze scriptie aangehaalde woorden van Ursinus en van Brakel, dat men onder de dadelijke rechtvaardigmaking verstaat die handeling die God van Zijn kant volvoert om een zondaar in de wedergeboorte te rechtvaardigen. Daar deze handeling van Gods zijde uitgevoerd wordt in het hart van de zondaar, ondergaat de zondaar op hetzelfde moment deze handeling en noemt men datgene wat de mens van zijn kant ondergaat, de lijdelijke rechtvaardigmaking.

Ursinus zegt hiervan het volgende:

Zonder de toeëigening van onze kant (lijdelijke rechtvaardigmaking, WvS), geschiedt de Goddelijke ook niet (dadelijke rechtvaardigmaking, WvS), maar het is noodzakelijk dat ze beide samengaan! (scriptie, blz. 15, 16)

Brakel zegt hiervan dat God rechtvaardigt (actief, dadelijk) en dat de mens wordt gerechtvaardigd. (passief, lijdelijk) De dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking is één en dezelfde daad. Daarom kan men ze nooit van elkaar scheiden. (zie scriptie, blz. 40)

Boston:

Waar Christus lijdelijk in het hart is ontvangen in de wedergeboorte, bestaat de eerste levende daad van het geloof in een dadelijk aannemen van Jezus Christus, waardoor de ziel onmiddellijk verenigd wordt met Christus. (zie scriptie, blz. 29, 30)

Dit ware zaligmakende en rechtvaardigmakende geloof is het geloof, zoals omschreven in Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus.

Van der Groe:

“Ik belijd geen ander oprecht en zielzaligend geloof te kennen, dan hetgeen onze Catechismus doorgaans en bijzonder leert in Zondag 7.” 1)

Voordat een mens dit ware zaligmakende en rechtvaardigmakende geloof bezit, is hij nog dood in zonden en misdaden.

1) Beschrijvinge van het oprecht en ziel-zaligend geloove, herdruk: Urk 1976, blz. 3.

Brakel:

De mens krijgt geen deel aan iets van genoemde zaligheid dan door middel van het werkzame geloof in Jezus Christus, zodat hij noch geestelijk leven, noch doding van de zonden, noch heiligheid heeft, voordat hij met een waarachtig rechtvaardigmakend, heiligmakend en zaligmakend geloof in Christus gelooft, wat het eerste is dat in de bekering geschonken wordt.” 2) Door dit geloof is de gelovige rechtvaardig voor God.

Van der Groe:

“Het grote geschenk dat de verloren zondaar door middel van dit geloof bekomt, is dat hij in Christus voor God rechtvaardig is. Minder geeft dit geloof de gelovige zondaar niet en met minder kan hij ook niet zalig worden. Voor iedere gelovige, zonder onderscheid, geldt dat hij in Christus voor God rechtvaardig is. Hij die in Adam een goddeloos en vervloekt zondaar is, wordt hier, zo ras hij nu maar alleen oprechtelijk gelooft, door de hemelse genade in Christus een rechtvaardige voor God.” 3)

Halyburton:

Er is geen daad van genade die ook maar één ogenblik het rechtvaardigmakende geloof vooraf gaat en dat allen die rechtzinnig zijn er mee instemmen dat er bij het eerste geloven, door de Heilige Geest, een klare ontdekking van Jezus Christus is, ook wel door Halyburton genoemd de eerste zaligmakende openbaring van Christus aan de ziel, waardoor de van zonde overtuigde ziel krachtig besluit zich met Hem, als de enige Weg van ontkoming, te verenigen. Deze daad der ziel wordt voor de rechtvaardigmakende daad des geloofs gehouden. De ziel is op datzelfde ogenblik gerechtvaardigd. ( scriptie, blz. 57)

Owen:

De bewering dat iemand in Christus kan geloven en nochtans niet gerechtvaardigd is, is verwoestend voor het Evangelie, is ergerlijk voor Godvruchtigen, is in tegenspraak met het Goddelijk getuigenis en is een valse belijdenis! (scriptie, blz. 54)

Watson:

Alle gelovigen zijn gerechtvaardigd. Zowel de zwakste gelovige als de sterkst gelovige zijn volkomen gerechtvaardigd. Letterlijk schrijft hij: “Ofschoon ge maar een greintje geloof hebt, zijt ge even gerechtvaardigd als degene die de hoogste stand in Christus mag hebben.” (zie scriptie, blz. 51, 52)

Van der Groe:

Er is nooit een waar zaligmakend geloof van de Geest in het hart van de uitverkorenen, die niet onmiddellijk de weldaad van de rechtvaardigmaking met zich meevoert, als een onafscheidelijk vruchtgevolg, volgens Rom. 5:1, Gal. 2:16, Joh. 1:12 en bij herhaling in de Heilige Schrift. Daarom moeten wij nooit een waar geloof stellen, zonder rechtvaardigmaking! (scriptie, blz. 48)

2) W. a. Brakel, Leere en Leydinge der Labadisten, Rotterdam 1685, blz. 74.

3) Van der Groe, De Toetssteen der ware en valse genade, Zondag 23.

Van der Groe (H.C. Zondag 7)

De onmiddellijke vrucht van het geloof is onze rechtvaardigmaking. Door dat geloof neemt de zondaar met een gewillige verloochening van alle eigen sterkten en gerechtigheid, de Heere Jezus en Zijn volmaakte gerechtigheid aan, en wordt er op het nauwste mee verenigd en gelijk als omhangen en bekleed en om dezelve wordt hij dan nu van God gerechtvaardigd.

Van die tijd af moeten de gelovigen erkend en gehouden worden voor kinderen Gods. Zodra de uitverkoren zondaar Christus aanneemt en in Hem gelooft, aanstonds op het eerste beginsel en op de uitgaande daad, zelfs van het allerkleinste en zwakste oprechte geloof, wordt het genadevonnis der rechtvaardigmaking over hem uitgesproken.

Samenvatting van de leer.

We zouden dit alles als volgt samen kunnen vatten:

Alle zondaren liggen, voor hun wedergeboorte, geestelijk dood, in zonden en misdaden.

God zendt Zijn Geest, naar Zijn eeuwig welbehagen, in het uur der minne, tot de zondaar, Die de dode zondaar, door het licht van de Geest der dienstbaarheid, zijn gans verloren en zondige staat laat zien en hem daagt voor Gods rechterstoel. Een vierschaarbeleving in de consciëntie die dus plaats vindt in de wedergeboorte.

Hier wordt de zondaar door de Geest der dienstbaarheid overtuigd van zijn verdoemelijke staat en zijn verlorenheid en ziet hij God als een heilig en rechtvaardig Rechter, voor Wie hij niet kan bestaan. De Wet, de satan en zijn eigen geweten beschuldigen hem dat hij tegen al Gods geboden gezondigd heeft. De zondaar ziet en erkent zijn doemwaardigheid en strafwaardigheid en rechtvaardigt het vonnis. Vanuit deze nood ontstaat er een roepen om ontferming en openbaart Christus zich aan zijn ziel als de Weg, de Waarheid en het Leven, zoals Christus Zich bekend maakt in het Evangelie. Zodra de ziel zijn ogen des geloofs op deze Middelaar slaat en deze weg der ontkoming goedkeurt en aanvaardt en geen andere weg meer weet en wenst, dan wordt de ziel op de eerste daad van het geloof gerechtvaardigd en vrijgesproken van schuld en straf.

Op zijn eerste daad des geloofs wordt hij verenigd met Christus en heeft hij deel aan al Zijn weldaden.

En dit is de bekering zoals zo vele malen duidelijk is beschreven in Gods Woord. Dit is de bekering van allen die met hun ongeneselijke kwaal tot Jezus gevlucht zijn. En Hij genas hen allen. Op de eerste daad van het geloof vergaf Jezus de zonden van de overspelige vrouw, die Zijn voeten natmaakte met haar tranen en afdroogde met haar haren. Datzelfde deed Jezus ook bij de geraakte, die aan vier touwen werd neergelaten door het dak aan Jezus voeten. Zo ging de tollenaar, uitroepende; Oh, God, wees mij, zondaar genadig, gerechtvaardigd naar zijn huis. Ook de moordenaar aan het kruis, de drieduizend op de Pinksterdag, de Moorman, Lydia en de stokbewaarder werden niet anders, dan op deze wijze bekeerd.

Hoewel de Reformatoren, (en later ook Van der Groe) het welwezen, dus de zekerheid van het geloof en de zekerheid van de vergeving der zonden, heel duidelijk in de eerste daad van het geloof hebben gelegd (zie Zondag 7 H.C.) is er in de Nadere Reformatie een verschuiving gekomen, waarbij men onderscheid ging maken in het wezen van het geloof (klein en zwak geloof) en in het welwezen van het geloof (sterk of verzekerd geloof)

Hoewel men nooit anders geleerd en beleden heeft dan dat de zondaar in de wedergeboorte, op de eerste daad van het geloof gerechtvaardigd wordt, leerde men ook dat de zondaar, op de eerste daad van het geloof niet altijd direct de volle zekerheid van het geloof heeft, dat zijn zonden vergeven zijn, maar dat de Heere dit vonnis ook wel later op verschillende wijzen aan de gelovigen meedeelt.

Zo heeft men een temporele scheiding aangebracht tussen de rechtvaardigmaking in de vierschaar in de wedergeboorte en de bekendmaking van het vonnis, waardoor de gerechtvaardigde zekerheid ontvangt dat hij gerechtvaardigd is. De gelovige kan het vonnis van zijn vrijspraak, of van zijn vergeving der zonden weten uit het Woord. Dit kan ook middellijk gebeuren, uit het opmaken van de sluitredenen, als hij Gods genade in zijn hart met blijdschap mag herkennen, of soms ook wel onmiddellijk door een krachtige werking van Zijn Geest, door b.v. een tekst met kracht in het hart toe te passen.

Dit noemt men dan de bekendmaking van het vonnis.

Zodra een ziel dan met zekerheid mag besluiten dat hij genade heeft ontvangen en verzekerd mag zijn van zijn aandeel in Christus, zo mag en moet hij ook besluiten dat zijn zonden vergeven zijn.

In het bekende boek; “Eigenschappen des geloofs” van Comrie, omschrijft deze de bekendmaking van het vonnis als volgt:

Deze bekendmaking geschiedt :

A: uitwendig door het Woord, waar duidelijk geleerd wordt dat wie in Christus gelooft, het eeuwige leven heeft.

B: ook wordt dit vonnis aan de gerechtvaardigden wel vroeger of later inwendig bekend gemaakt, door de middellijke of onmiddellijke werking van de Heilige Geest.

Middellijk geschiedt dit door de kenmerken, waarbij de Geest met onze Geest getuigt dat wij kinderen Gods zijn.

Onmiddellijk kan dit gebeuren door een krachtige uitspraak in de ziel. (blz. 35)

Er bestaat in de gereformeerde theologie een verschillende invulling van de term lijdelijke rechtvaardigmaking. Zo zijn er ook die deze term gebruiken voor dat moment in het leven van een klein en zwak gelovige, dat hij door een bepaalde ervaring, zoals hierboven omschreven, de bekendmaking van het vonnis, de zekerheid van zijn vergeving der zonden ontvangt. Nimmer heeft men dit moment van de bekendmaking van het vonnis, wat dus op onderscheiden manieren kan plaats vinden, in de Reformatie, Nadere Reformatie en de belijdenisgeschriften, beschreven als een nieuwe vierschaarbeleving. Immers vindt de vierschaarbeleving en de vergeving der zonden in de wedergeboorte plaats. Door een nadere weldaad ontvangt de kleine en zwakke gelovige door Gods Geest de zekerheid dat zijn zonden vergeven zijn. Een gelovige wordt dus opgeroepen om verzekerd te zijn van zijn rechtvaardigmaking.

Van der Kemp spreekt de gelovige als volgt aan: “Dat ge het dan toch daarop toelegt, om u te verzekeren dat ge als een zondaar reeds voor God zijt gerechtvaardigd.” (H.C. blz. 444)

Levend gemaakt met Christus – opwassen in het geloof.

De gelovigen worden opgeroepen om op te wassen in het geloof en in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus, opdat zij zouden weten de dingen die hen van God geschonken zijn. Dat zij hun roeping en verkiezing vast moeten maken. Dat zij niet moeten twijfelen, want wie twijfelt is een baar der zee gelijk en moet niet menen dat hij iets ontvangen zal. Het enige wat Jezus Zijn discipelen verweet was hun ongeloof en kleingeloof.

Jezus had hen immers al vele keren zalig gesproken. Jezus sprak Petrus zalig op zijn geloofsbelijdenis dat Jezus de Christus was. De discipelen waren op het wassen van hun voeten geheel rein. De engelen verweten hen dat zij de Levende bij de doden zochten.

Ook Paulus spreekt alle gemeenteleden, tot wie hij zich in zijn brieven wendt, aan als gelovigen, geroepen heiligen enz.

Zo heeft de gelovige niet meer te doen met de eisende gerechtigheid van God, omdat hij door het geloof de geschonken gerechtigheid van Christus ontvangen heeft. Dat is die rechtvaardigheid Gods, die in het Evangelie is geopenbaard. Deze rechtvaardigheid zal hem nooit verdoemen maar eeuwig behouden. (Het is zeer de moeite waard om de Bijbelverklaring van Calvijn hier op na te lezen, bij de teksten Rom. 1: 16,17 en 3:21-28!)

Brakel zegt dan ook tegen de gelovige, die zich vernedert vanwege zijn zonden:

“Niet dat gij daardoor ongelovig zoudt worden en uw staat zoudt verwerpen, ook niet om door de wet en de eeuwige verdoemenis verschrikt en geheel verpletterd te worden, alsof dat alleen de rechte vernedering was; neen, dat heeft doorgaans plaats in de eerste bekering, en dat kan nu zo geen plaats hebben in degene, in wiens hart het geloof is.” (Red.Gd. deel 1, blz. 1045)

Bij de tekst in Efeze 2:5 “Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons 19) levend gemaakt 20 )met Christus, uit genade zijt gij zalig geworden,” staat in de kanttekeningen van de Statenvertaling het volgende commentaar:

19) levend gemaakt: dat is uit de dood der zonde verlost, door onze rechtvaardigmaking en wedergeboorte, gelijk terstond hierna verklaard wordt.

20) met Christus: Want als Christus , Die om onzer zonden wil gestorven was, is opgewekt, zo heeft Hij metterdaad betoond, dat Hij de schuld onzer zonde en het lichaam onzer zonde had teniet gedaan: hetwelk hij eerst voor ons, en daarna ook in ons heeft volbracht uit kracht Zijns doods en Zijner opstanding, als Hij ons het geloof heeft geschonken, door het geloof heeft gerechtvaardigd en door Zijn Geest heeft vernieuwd en geheiligd.

In Colossensen 2:13 staat: “En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende.”

Hiervan zegt de kanttekening: Want door het geloof worden ons onze misdaden en zondige aard uit kracht van Christus’ verdiensten vergeven, en wordt het lichaam der zonden, of de oude mens, in ons gedood, van welke beide weldaden de doop, een teken en zegel in het Nieuwe Testament is, gelijk de besnijdenis in het Oude was. Rom. 2:29 en 4:11.

In Galaten 3:26 zegt Paulus tegen de Galaten: “Want gij zijt allen kinderen Gods, door het geloof in Christus Jezus.”

Als de apostel Johannes zich in zijn brief richt tot de kinderen, jongelingen en vaders, dan schrijft hij aan de kinderen: Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.

Kort samengevat leert Gods Woord ons dat een zondaar levend gemaakt wordt met Christus, waarbij hem al zijn zonden worden vergeven.

Het is een groot verschil of een kleine en zwakke gelovige, die nog niet verzekerd is van de vergeving van zijn zonden, door middel van de rechte prediking, (o.a. door middel van het uitstallen van Christus, het noemen van de kenmerken, het bedienen van de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen) door Gods Geest tot de zekerheid gebracht mag worden dat zijn zonden hem vergeven zijn, of dat tegen deze gelovige gezegd wordt dat zijn zonden nog niet vergeven zijn en dat hij nog verloren moet gaan onder de eisende gerechtigheid van God en dus nog een tweede vierschaarbeleving moet meemaken.

In onze Drie Formulieren van Enigheid komen wij dit ook nergens tegen. Integendeel!

In deze scriptie is hiervan al voldoende gezegd bij de bespreking van de Heidelbergse Catechismus.

Daarom wil ik ook nog verwijzen naar de Nederlandse Geloofs Belijdenis en de Dordtse Leerregels.

De Dordtse Leerregels.

De Dordtse Leerregels beschrijven uitvoerig de wedergeboorte of levendmaking van de mens en de wonderlijke werking hierin van de Heilige Geest, in Hoofdstuk 3 en 4, onder de punten 11 en 12. Hierin noemt men de wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden en levendmaking, waardoor de mens daadwerkelijk gelooft en zich bekeert.

Direct hierop aansluitend belijdt men in het volgende punt:

D.L. III/IV, 13:

“De wijze van deze werking (n.l. van de Heilige Geest in de wedergeboorte, WvS) kunnen de gelovigen in dit leven niet volkomen begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart geloven en hun Zaligmaker liefhebben.”

D.L. III/IV, 14:

In punt 14 belijdt men dat dit geloof een gave van God is, omdat het de mens metterdaad wordt meegedeeld, ingegeven en ingestort en omdat Hij, Die daar werkt het willen en het werken, ja alles werkt in allen, in de mens teweegbrengt, beide, de wil om te geloven en het geloof zelf!

D.L. I, 12:

“Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheiden trappen en met ongelijke mate, verzekerd. Niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz.), in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen. (2 Kor. 13:5)”

D.L. V, 9:

“Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn, en zij zijn het ook, naar de mate des geloofs waarmee zij zekerlijk geloven dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven.”

D.L. V, 10:

“en dienvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschiedt (vierschaarbeleving WvS), maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft; uit het getuigenis van de Heilige Geest, Die met onze geest getuigt dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn (Rom. 8: 16, 17); eindelijk, uit de ernstige en heilige oefening van een goed geweten en van goede werken. En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.”

D.L. V, 14:

“Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der Heilige sacramenten.”

Dus niet door met alles de dood in te gaan en te sterven onder het recht Gods!

In de “verwerping van de dwalingen” in hoofdstuk vijf, punt 5, verwerpt men de dwaling van degene die leren dat men geen zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder een bijzondere openbaring!

Hierop antwoorden onze Dordtse vaderen:

“Want door deze leer wordt de vaste troost der ware gelovigen in dit leven weggenomen, en de twijfeling der pausgezinden in de Kerk weder ingevoerd; terwijl de Heilige Schrift deze zekerheid telkens afleidt, niet uit een bijzondere en buitengewone openbaring, maar uit de eigen merktekenen der kinderen Gods, en uit de zeer standvastige beloften Gods!”

De Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Ook in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 21 – 24) wordt helder en duidelijk beleden dat de voldoening van Christus, onze enige Hogepriester, volkomen de onze is door het waarachtig en rechtvaardigmakend geloof, geschonken in de wedergeboorte en dat onze rechtvaardigmaking bestaat in de vergeving der zonden en toerekening van de gehoorzaamheid van Christus:

N.G.B., Art. 22:

“Wij geloven, dat, om ware kennis van deze grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen, of dat niet al wat tot onze zaligheid van node is, in Jezus Christus zij; of, zo het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn gehele zaligheid heeft!

Nu, dat men zeggen zou dat Christus niet genoegzaam is, maar dat er nog benevens Hem iets meer toe behoeft, ware een al te ongeschikte godslastering; want daaruit zou volgen dat Christus maar een halve Zaligmaker ware!

Daarom zeggen wij terecht met Paulus dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken gerechtvaardigd worden. Doch wij verstaan niet dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument, waarmee wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen.

Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zo veel heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in gemeenschap van al Zijn goederen houdt;

Dewelke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden.

Duidelijk blijkt in artikel 24 van de N.G.B. dat dit waarachtig en rechtvaardigmakend geloof geschonken wordt in de wedergeboorte.

N.G.B., Art. 24:

“Wij geloven dat dit waarachtig geloof, in de mens gewrocht zijnde door het gehoor van het Woord Gods en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens, en doet hem leven in een nieuw leven, en maakt hem vrij van de slavernij der zonde….

Alzo dan zouden wij altijd in twijfel staan, herwaarts gedreven en derwaarts drijvende zonder enige zekerheid en onze arme gewetens zouden altijd gekweld worden, indien zij niet steunen op de verdiensten van het lijden en sterven van onze Zaligmaker.”

Zeer pastoraal, vertroostend en bemoedigend is Artikel 26 van de N.G.B. waar het gaat over de enige voorbidding van Christus, waarvan ik hieronder een verkorte weergave geef:

N.G.B. art. 28:

Wij geloven dat wij geen toegang hebben tot God, dan alleen door de enige Middelaar en Voorspraak, Jezus Christus, de Rechtvaardige.

Deze Middelaar moet ons door Zijn grootheid niet verschrikken, want er is niemand die ons liever heeft dan Jezus Christus. Wie zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, Die Zijn leven voor ons heeft gelaten, ook toen wij Zijn vijanden waren?

Wie heeft er meer macht dan Degene Die gezeten is aan de rechterhand van Zijn Vader, en Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde?

Wie zal er eerder gehoord worden, dan de eigen welbeminde Zoon van God?

En hier moet men niet voorbrengen dat wij het niet waardig zijn; want het heeft hier de mening niet dat wij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid van onze Heere Jezus Christus, Wiens de onze is door het geloof.

Omdat de apostel onze zotte vrees en veelmeer nog dat mistrouwen, van ons weg wil nemen zegt hij ons:

dat Jezus Christus Zijn broederen in alles gelijk is geworden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn, om de zonden des volks te verzoenen; want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heef, kan Hij degenen die verzocht worden, te hulp komen.

En daarna, om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt Hij:

Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zone Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Dezelfde apostel zegt:

Dat wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laat ons dan toegaan, in volle verzekerdheid des geloofs. Christus heeft een onvergankelijk Priesterschap; waarom Hij ook volkomen kan zaligmaken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

Wat ontbreekt er nog meer omdat Christus zelf deze uitspraak doet:

Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.

Daarom, volgens het bevel van Christus, zo roepen wij de hemelse Vader aan door Christus, onze enige Middelaar, gelijk wij in het Gebed des Heeren geleerd zijn; verzekerd zijnde dat;

Al wat wij de Vader zullen bidden in Zijn Naam, ons zal gegeven worden.

Als laatste wil ik besluiten met het noemen van de kenmerken van de ware Christenen, zoals deze genoemd worden in:

N.G.B.Art. 29:

Kenmerken van de ware Christenen:

· Zij geloven.

· Zij hebben de enige ware Zaligmaker Jezus Christus aangenomen.

· Zij vlieden de zonden en jagen de gerechtigheid na.

· Zij wijken noch ter rechter- noch ter linkerhand af.

· Zij kruisigen hun vlees met hun werken.

· Zij strijden hun hele leven, door de Geest, tegen hun grote zwakheden.

· Zij nemen gestadig hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus.

· Zij hebben in de Heere Jezus vergeving van hun zonden, door het geloof in Hem.

Bediening van de Sleutelen van het Hemelrijk:

Op blz. 25 heb ik bij Van der Kemp reeds de bediening van de sleutelen van het hemelrijk genoemd en gezegd dat ik hier nog op terug zou komen.

In vraag 84 van Zondag 31 van de H.C. wordt gevraagd hoe het hemelrijk door de prediking van het heilig Evangelie wordt ontsloten en toegesloten.

Hierop luidt het antwoord:

“Alzo, als volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus wil, vergeven zijn; daarentegen alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis van het Evangelie God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.”

Ook hier weer de scherpe tegenstelling tussen degenen die geloven en wiens zonden vergeven zijn, en degenen die niet geloven, voor wie het Koninkrijk der hemelen nog gesloten is.

In het Schatboek van Ursinus, Deel II, wordt dit o.a. als volgt uitgelegd:

Deze sleutelmacht bestaat vooral in de prediking of verkondiging van het Evangelie, of in de dienst des Woords en in de christelijke ban of afsnijding.

Door de prediking van het Heilig Evangelie sluit en bindt de Kerk, wanneer zij de goddelozen en huichelaars openlijk Gods toorn en de eeuwige verdoemenis aanzegt, zolang zij zich niet bekeren.

Zij opent en ontbindt, wanneer zij de gelovigen en boetvaardigen openlijk de vergeving der zonden en de genade van God om Christus’ wil verkondigt.

Daarom wordt het Evangelie genoemd “een kracht Gods tot zaligheid een ieder die gelooft” (Rom. 1:16) en “Het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie der zaligheid” (Ef. 1:13)

Het Koninkrijk der hemelen wordt daarmee ook toegesloten. Dat geschiedt niet letterlijk krachtens de aard van het Evangelie, want dat is een verkondiging van een blijde boodschap, maar het geschiedt toevalligerwijs, omdat bij het Evangelie de conditie of voorwaarde gevoegd wordt om te geloven. Daarom moet daarentegen verkondigd worden, dat voor die niet geloven, het Koninkrijk der hemelen gesloten blijft. Maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark. 16:16). Maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3:36) (blz. 166)

Daarom is het eigen werk van de Wet om de zondaars de dood te verkondigen en voor hen het Koninkrijk der hemelen te sluiten. Het Evangelie ontleent dat aan de Wet, aangezien de ongelovigen verkondigd wordt, dat zij een dubbele verdoemenis waardig zijn, enerzijds vanwege hun verdorven natuur, en anderzijds omdat zij de aangeboden genade niet aannemen, maar de boodschap des vredes verwerpen. In dat opzicht wordt het Evangelie in 2 Kor. 2:15, bij geval genoemd “dengenen die verloren gaan, een reuke des doods ten dode. (blz. 167)

Het Koninkrijk der hemelen moet op bevel van Christus, voor alle gelovigen ontsloten worden, die de beloften van het Evangelie met een waar geloof aannemen.

Zo hebben Petrus, aan de gehele vergadering der Joden, die zich bekeerden (Hand. 2), Filippus aan de Moorman (Hand. 8:37), en Paulus en Silas aan de stokbewaarder (Hand. 16:31), de vergeving van hun zonden verkondigd.

Wilhelmus à Brakel: (Red. Gd., deel 1)

Buitengewoon ernstig is datgene wat Brakel hierover schrijft.

Een leraar (dominee) moet de sleutel van het Woord gebruiken, om aan de gelovigen vergeving der zonden te verkondigen, en dat met toepassing op dezen en genen, die hij waarlijk gelovig bevindt, om alzo de zwakgelovigen te versterken….

Gelijk de leraars (dominees) zo in het bijzonder deze sleutel gebruiken moeten, zo moeten ze het ook in het openbaar, vanaf de preekstoel dikwijls doen! Eerst moet hij duidelijk en klaar ontdekken wie gelovigen zijn, zodat een ieder zijn staat kan zien, en dan moet hij aan de zodanigen de vergeving der zonden verkondigen!

Aan de andere kant moet hij de onbekeerden ook klaar en krachtig ontdekken aan hun zelf, en dan hun aanzeggen dat ze nog onder de toorn Gods liggen en de verdoemenis te verwachten hebben, indien zij onbekeerd blijven.

Deze sleutel moet de leraar getrouw, in veel tederheid des harten, zonder aanzien van personen, vrijmoedig gebruiken als een macht, hem van Christus gegeven, tot opbouw van zijn Koninkrijk, en daarom heeft hij wel toe te zien, hoe hij deze sleutel gebruikt.

Zo hij die laat liggen en niet gebruikt, hij is ontrouw aan Christus en Zijn kerk; omdat hij de godzaligen daardoor bedroeft, en de goddelozen daardoor stijft, hij mag wel vrezen voor het oordeel Gods!

Omdat gijlieden het hart des rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar ik hem geen smart aangedaan heb, en omdat gij de handen des goddelozen gesterkt hebt opdat hij zich van zijn boze weg niet afkeren zou, dat ik hem in het leven behield; (Ez. 13:22) (blz. 671) (zie ook blz. 681, 682, 685, 702)

Ik wil alle lezers van deze scriptie oproepen om zich met alle ernst af te vragen wanneer zij hun predikant voor het laatst, volgens het bevel van Christus, aan alle gelovigen hebben horen verkondigen en openlijk betuigen, dat hun zonden hen vergeven waren, om de verdiensten van Christus wil?

Zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen.

Nog eenmaal wil ik een aantal zeer belangrijke dogmatische stellingen, zoals deze in de Reformatie en de Nadere Reformatie geleerd werden, noemen.

Er bestaat geen wedergeboorte zonder een waar zaligmakend geloof.

Er bestaat geen waar zaligmakend geloof, zonder aanneming van Christus, als het Voorwerp van het geloof.

Er bestaat geen waar zaligmakend geloof, dat niet rechtvaardigt en dat niet de weldaad van de vergeving der zonden met zich meevoert.

Er bestaan geen ware gelovigen, die niet gerechtvaardigd zijn.

Waar geloven geen bevel meer is (1 Joh. 3), waar geloven niet meer de levensader van de zondaar is, waar geloven niet meer gezien wordt als de enige weg en het enige middel om deel te krijgen aan al Gods weldaden, waar geloven niet meer het enige middel is waardoor wij God kunnen behagen en eren, (want zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen), waar geloof niet meer de enige weg is waardoor wij tot Hem kunnen gaan (Wie tot Hem gaat moet geloven dat Hij is, en een Beloner dergene die Hem zoeken), waar niet meer geloofd wordt dat alles wat niet uit het geloof is, zonde is, daar is het ongeloof niet meer de aller grootste, zwaarste en meest verdoemelijke en Godonterende zonde. Wie niet gelooft, zal verdoemd worden en is alrede veroordeeld. Hij heeft God tot een leugenaar gemaakt. (Hebr. 10)

Daar wordt de onbekeerde de mogelijkheid gelaten om zich te verschuilen achter zijn onmacht. Daar verdwijnt het appèl op en het bevel aan de zondaar om in Christus te geloven, achter de horizon. Daar laat men ook ruimte voor de twijfelende gelovige, om in zijn twijfel voort te leven. Geloven is een bevel. Ongeloof een allerverschrikkelijkste zonde, omdat het Gods getuigenis in twijfel trekt.

Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijn Naam geloven.

Waar het leerstuk van de rechtvaardigmaking niet meer helder is, komt de kerk in het duister.

Het ware leven der dankbaarheid, zoals verwoord in onze Heidelbergse Catechismus; “hoe ik Gode voor zo’n verlossing dankbaar zal zijn” kan moeilijk functioneren, als ik niet weet of geloof dat ik verlost ben. Het ware leven van heiligmaking kan slecht voortvloeien uit de rechtvaardigmaking, waarbij een kind van God ook daadwerkelijk mag geloven dat zijn zonden hem om Christus wil vergeven zijn. Zolang dit niet helder is, zal er altijd een vermenging zijn van Wet en Evangelie. Ook voldoet de gelovige niet meer aan de criteria voor wie het Avondmaal des Heeren is ingesteld, namelijk voor degenen die zichzelf wel vanwege hun zonden mishagen, maar nochtans vertrouwen dat hun zonden hun om Christus’ wil vergeven zijn. (H.C. vr./antw. 81)

Van der Kemp zegt hiervan:

“Geen daad kan Gode welgevallig zijn, dan die in en uit de vereniging der ziel met Christus voortkomt.” (H.C. blz. 444)

Zij trachten hun staat meer te vestigen op pogingen van hun eigen heiligmaking, dan op de volkomen gerechtigheid van de Middelaar.

Dit blijkt ook uit hun meer of mindere vrijmoedigheid om tot de Troon te naderen, omdat zij dit meer gronden op eigen deugdzaamheid en op eigen doen, dan op Christus gerechtigheid.

Zij worden dikwijls door vrees voortgedreven tot heiligheid, alsof men aan Horeb stond. De Heere heeft hen echter verlost, opdat zij Hem dienen zouden zonder vrees. Maar de slaafse vrees uit het Werkverbond grijpt hen aan en drijft ze voort, om dit en dat, als Gods bevel, te verrichten, alsof iedere misdraging over haar de vloek brengt. Ja dit maakt de ziel zo bekrompen en angstvallig dat ze sommige dingen, die een Christen vrij staan, voor zonden houdt.

Om rust voor het gemoed te zoeken en te vinden neemt men niet de toevlucht tot Christus zoenbloed en gerechtigheid, maar betreurt men de zonde en tracht men het te verbeteren.

Men durft de aangeboden en beloofde genade in Christus niet te omhelzen, omdat er zo’n mate van verbrijzeling niet is, zoals men zich buiten Gods Woord inbeeldt dat er wezen moet.

En zo ziet men op zijn eigen doen, en niet op Christus volkomen gerechtigheid, om als een gans ellendige zich aan Hem over te geven en alleen van Hem begunstigd te worden. (H.C. blz. 442, 443)

Hoe treurig is toch de stand van veel van Gods kinderen, door grote twijfel, klein en zwak geloof en hun angst dat hun zonden niet vergeven zijn, terwijl hun staat zo allerheerlijkst is. Nog treuriger is het als Gods kinderen de duisternis, waarin zij verkeren, voor een kenmerk van het ware gaan houden, terwijl Gods Woord het zo anders leert.

En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is en gans geen duisternis in Hem is.

Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.

Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij het Licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. (1 Joh. 1:5-7)

Zo zijn we gekomen aan het einde van deze scriptie. Misschien vindt u deze scriptie wel te lang. Toch is de zaak, waarover wij mochten schrijven, zo ernstig en van zo’n groot belang dat wij niet anders konden dat het zo uitvoerig te beschrijven.

Ziende op Nederland, maar meer nog op de verdeeldheid, verduistering en verwarring in onze kerken, dan moeten wij het uitroepen: O, Heere, ga niet met ons in het gericht, want wie leeft er die voor U kan bestaan? Dan moeten wij bekennen dat wij God op het hoogst hebben misdaan, omdat wij van het heilspoor zijn afgegaan, ja wij en onze vaderen tevens.

In het licht van al deze zaken rest mij nog te verwijzen naar een citaat van Alexander Comrie, die door velen onder ons voor een maatgevende theoloog wordt gehouden. Ds. Kersten noemt hem zelfs in het voorwoord van Comrie’s boek, “Eigenschappen des geloofs” de “kampioen” van de waarheid.

Laten wij dan met Comrie mee zuchten, wenen en bidden, als hij de nood van de kerk in zijn tijd zo helder verwoordt in onderstaand citaat. Comrie schreef dit als een kanttekening bij een uitspraak van Thomas Sheppard, in het boek “De gelijkenis van de tien maagden.” (uitgave Utrecht, blz. 76.)

In het voorwoord noemt Comrie dit boek van Sheppard: “één van de allernuttigste boeken die ooit in de Engelse taal geschreven zijn!”

In dit boek schrijft Sheppard:

“Merk op dat Hij u ten huwelijk vraagt. Niet één ziel die dit leest, of de Heere Jezus doet een huwelijksaanzoek bij u 1), opdat gij u nu met Hem zoudt verloven;

Bij dit huwelijksaanzoek schrijft Comrie het volgende commentaar:

1) “Namelijk in de aanbieding van het Evangelie, want ofschoon de uitverkorenen alleen zalig worden, wordt het aanbod van genade echter aan allen gedaan, die het Woord horen.

Het ware te wensen, dat men in elke leerrede dit aanbod hoorde; mogelijk zouden de predikatiën van meer kracht zijn voor arme overtuigde zielen. Hoezeer is het te beklagen, dat het slechts nu en dan gedaan wordt; dat het voorwaardelijk geschiedt, en met plichten en vereisten zozeer bezwachteld is, zodat in plaats dat de arme zondaars op de roepende stem zouden komen, zoals zij zijn, zij zolang moeten staan, totdat zij deze en gene vereiste dingen vinden.

O, hoe troebel zijn dikwijls de wateren van het heiligdom! Hoe weinigen zijn er die de banen verhogen en tot een arm en ellendig volk roepen: Neemt van de wateren des levens om niet!

Alleen de Heere weet hoezeer ook in onze tijd Ezechiël 34 van toepassing is!

Hoe nodig is het voor een ieder om zich nauw te onderzoeken of hij in het geloof is, of Jezus Christus in hem is en of zijn geloofsbelijdenis nog geheel overeenkomt met Gods Woord, en ook met de Drie Formulieren van Enigheid en de drie Sola’s van de Reformatie!

Ziende op de omstandigheden dan mogen wij wel met Jeremia wenen:

“Och, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een springader van tranen! Zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijn volks.” (Jer. 9:1)

Ziende op de Koning van de Kerk, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus en ziende op Zijn beloften, dat het welbehagen des HEEREN door Zijn hand gelukkiglijk zal voortgaan en dat de poorten der hel Zijn Gemeente niet zullen overweldigen, dan mogen wij ons verheugen in Zijn woorden van hoop en troost:

“Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij zich ten erve verkoren heeft.

De HEERE schouwt uit den hemel en ziet alle mensenkinderen.

Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.

Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht.

Het paard feilt ter overwinning en bevrijdt niet door zijn grote sterkheid.

Zie, des HEEREN oog is over degenen die Hem vrezen, op degenen die op Zijn goedertierenheid hopen;

Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.

Onze ziel verbeidt den HEERE; Hij is onze Hulp en ons Schild.

Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.

Uw goedertierenheid, HEERE, zij over ons, gelijk als wij op U hopen. Ps. 33:12-22.

Ziende op de Grote Hogepriester, Jezus Christus, Die in één volmaakte offerande een eeuwige verzoening heeft teweeggebracht, de Rotssteen, Wiens werk volkomen is en Die uitgeroepen heeft: “Het is volbracht!”, dan mogen we eindigen met de woorden van Paulus:

“Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? (Rom. 8:33, 34a)

SOLA SCRIPTURA, SOLA GRATIA, SOLA FIDE, SOLI DEO GLORIA!



[1] Rondom verbond, roeping en doop, p. 38
[2] Rondom verbond, roeping en doop, p. 177 en 178
[3] Rondom verbond, roeping en doop, p. 197 en 198
[4] Ds C. Harinck, De toeleidende weg tot Christus (2001), p. 13.
[5] Ds A. Moerkerken, Bethel en Pniël (1997), p. 50
[6] Bethel en Pniël, p. 52; p. 57, 58 en 60 idem
[7] Bethel en Pniël, p. 57
[8] Ds A. Moerkerken, Genadeleven en genadeverbond (2004), p. 16
[9] Bethel en pniël, p. 46
[10] Bethel en pniël, p. 49
[11] Genadeleven en genadeverbond, p. 18 en 19
[12] Genadeleven en genadeverbond, p. 22
[13] Genadeleven en genadeverbond, p. 25
[14] Genadeleven en genadeverbond, p. 27
[15] Genadeleven en genadeverbond, p. 29
[16] Interview in het RD met dr K. van der Zwaag, Interpretatie van dr Steenblok gaat gepaard met karikaturen
[17] Koers, 22 januari 1993