Aantekeningen bij "Korte lessen over Kort Begrip" van Ds. Kersten
Het document wat u hier aantreft bevat persoonlijke aantekeningen bij het boek “Korte lessen over Kort Begrip, voor catechisanten, vijfde druk” van wijlen Ds. G.H. Kersten.
Dit boek wordt in een aantal kerken gebruikt bij de belijdeniscatechisatie. De aantekeningen zijn geschreven op verzoek van een familielid, met wie ik voor het schrijven van dit document een aantal keren heb gesproken over geloofszaken. Hij was over sommige kernvragen van het geloof gaan nadenken en wilde zich in zijn overdenkingen laten leiden door wat hij op de catechisatie had geleerd. Op basis daarvan hebben we een aantal goede gesprekken gehad. Daarbij kwam echter steeds een fundamenteel verschil van mening naar voren over zaken die betrekking hebben op de gereformeerde leer.
Ik ben door de jaren heen in mijn denken van de orthodox gereformeerde naar de evangelische kant van kerkelijk Nederland opgeschoven. Dat leverde regelmatig stof tot discussie op en daarom heeft hij mij toen gevraagd om mijn commentaar op dit boek van Ds. Kersten op te schrijven.
U kunt met de schrijver van dit stuk van gedachten wisselen via het emailadres: commentaar_op_kortbegrip@hotmail.com
Klik hier om het genoemde document te openen in Word.
(U kunt het ook 'downloaden' naar uw eigen pc: 'Rechtermuisknop' , 'Doel opslaan als' , 'opslaan')
*******************
Hieronder treft u de
volledige tekst aan van het document.
Voorwoord
Dit document bevat persoonlijke aantekeningen bij het boek “Korte lessen over Kort Begrip, voor catechisanten, vijfde druk” van wijlen Ds. G.H. Kersten. Dit boek wordt in een aantal kerken gebruikt bij de belijdeniscatechisatie. De aantekeningen zijn geschreven op verzoek van een familielid, met wie ik voor het schrijven van dit document een aantal keren heb gesproken over geloofszaken. Hij was over sommige kernvragen van het geloof gaan nadenken en wilde zich in zijn overdenkingen laten leiden door wat hij op de catechisatie had geleerd. Op basis daarvan hebben we een aantal goede gesprekken gehad. Daarbij kwam echter steeds een fundamenteel verschil van mening naar voren over zaken die betrekking hebben op de gereformeerde leer. Ik ben door de jaren heen in mijn denken van de orthodox gereformeerde naar de evangelische kant van kerkelijk Nederland opgeschoven. Dat leverde regelmatig stof tot discussie op en daarom heeft hij mij toen gevraagd om mijn commentaar op dit boek van Ds. Kersten op te schrijven.
Daarom heb ik het boek van Ds. Kersten een paar keer kritisch doorgelezen en geprobeerd om dat naar mijn beste eer en geweten te toetsen aan de Bijbel. Met het voorbehoud dat ik me bewust ben van mijn beperkte menselijke vermogens, zoals ik dat aan het eind van dit document ook heb beschreven. Het verslag van die toets is opgetekend in dit document. Een van de uitgangspunten is dat alleen de Bijbel als leidraad voor het leven kan worden gehanteerd. Sommige mensen storen zich aan dat uitgangspunt, maar ik ben er van overtuigd dat alleen de Bijbel je het beste behoedt voor dwaalwegen. Sommige geloofszaken zijn erg moeilijk te beoordelen en die beoordeling is dan weer vaak afhankelijk van de interpretatie van de tekst. Ook wordt er in dit document hier en daar aan de fundamenten van de gereformeerde leer geschud. Dat heb ik niet nagelaten als daar op grond van de Bijbel aanleiding toe was. Sommige zaken zie ik nu zo heel anders dan vroeger. Het verbaast me dan ook dat ik zulke zaken niet eerder heb doorzien. Maar ik sta helemaal achter wat ik in dit document heb neergeschreven. Ik ben echter maar een eenvoudige amateur en ik heb de waarheid zeker niet in pacht. Daarom zie ik dan ook met belangstelling uit naar het kritische commentaar van andere mensen. De aantekeningen zijn zo geschreven dat ze ook goed zonder het boek van Ds. Kersten gelezen kunnen worden. Misschien is het wel handig om er een boekje met het Kort Begrip bij te nemen. Omdat sommige mensen mijn visie op bepaalde punten misschien onbegrijpelijk vinden, of misschien zelfs dicht bij heiligschennis, heb ik eerst verteld hoe mijn geloof zich door de jaren heen heeft ontwikkeld. Hopelijk krijgt de lezer daardoor wat meer begrip voor mijn manier van denken.
Bij het geven van kritisch commentaar zou ik echter graag één voorwaarde willen stellen: het commentaar mag alleen zijn gebaseerd op het Woord van God. Alle andere geschriften kunnen best heel waardevol zijn, maar om te voorkomen dat ze je op een dwaalweg brengen moeten ze altijd worden getoetst aan de Bijbel. Daarom volg ik graag het advies dat ik vond in Handelingen 17 vanaf vers 10:
“..zij zonden Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen of deze dingen zo waren. Velen dan van hen kwamen tot het geloof, ....”
Met een hartelijke groet van
Henk Dannenberg
Email: commentaar_op_kortbegrip@hotmail.com
Datum eerste versie: februari 1997
Datum tweede versie: november 2006
Inleiding
Uit ervaring heb ik geleerd dat het vaak moeilijk is om op een normale manier te praten over zaken die betrekking hebben op het geloof. Het onderwerp roept snel agressie op. Toch moet dat eigenlijk niet nodig zijn. Het gaat over het doel waartoe we op aarde zijn. Over de weg naar het eeuwige leven, dat God ons na de zondeval opnieuw aanbiedt door het volbrachte werk van de Here Jezus. Het kan juist heel waardevol zijn om te horen hoe een ander daar over denkt. Je kunt wellicht iets van elkaar leren. Ik denk zelf dat de agressie vaak wordt gebruikt om angst te verbergen. De angst van mensen die niet weten wat Gods bedoeling met hen is. Daarom leven ze maar precies zoals de kerk hun dat voorschrijft. Maar het lidmaatschap van de kerk geeft geen enkele garantie dat je leeft naar Gods wil, en dat je tenslotte eeuwig met God mag leven. Een oude spreuk zegt: “Wij worden niet door de kerk gered, we behoren er slechts toe. Wij worden niet door onze geloofsbelijdenis gered, wij geven daarmee slechts aan dat wij geloven. Wij worden niet door een goede levenswandel gered, die kenmerkt slechts een gelovig christen. God wil en verwacht dat wij zowel geloven, als tot een kerk behoren, als ons dienovereenkomstig gedragen.”
Eens werd mij de vraag gesteld of ik al een kind van God was. Aanvankelijk vond ik dat maar een stomme vraag. Ik wist er geen raad mee en kon hem ook niet goed beantwoorden. Maar nu weet ik dat het één van de meest belangrijke vragen uit mijn leven is geweest. En het is van essentieel belang dat je daar een antwoord op kunt geven. Toen ik me dat bewust werd ben ik gaan zoeken hoe ik een antwoord kon krijgen. Ik heb daarop met heel veel mensen gepraat, heel openlijk en zonder enig geruzie. Maar de opzet was altijd om van elkaar te leren, nooit om iemand anders een mening op te dringen. Sommigen durven er niet goed over te praten, omdat ze bang zijn dat ze hun gevoel van zekerheid kwijtraken. Of ze zijn bang dat iemand hen probeert te overtuigen dat ze over moeten gaan naar een andere kerk. Maar dat mag absoluut de bedoeling niet zijn. Iedereen moet naar de kerk gaan waar hij of zij zich thuis voelt. Waar hij of zij op de beste manier het leven kan leiden waartoe God hem of haar heeft geroepen. Ik ben er van overtuigd dat Gods kinderen in praktisch alle kerken vertegenwoordigd zijn. Daardoor is er altijd wel een plaats waar iemand zich geestelijk thuis voelt.
Uit al die gesprekken is mij ook duidelijk geworden dat het Woord van God de enige basis is die door al Gods kinderen bijna zonder enige uitzondering wordt erkend. Met iemand die de Bijbel niet als het Woord van God erkent valt over deze zaken niet te praten. Maar tegelijkertijd valt over heel veel andere geestelijke, religieuze of dogmatische geschriften ook nauwelijks te praten, omdat die praktisch altijd zijn ontstaan uit het werk van mensen. En dan krijg je binnen de kortste tijd verschil van mening of die geschriften nu wel of niet zijn geïnspireerd door de Heilige Geest. Daarom ga ik er van uit dat de Bijbel het enige document is dat vrij algemeen wordt geaccepteerd als het Woord van God.
Hoe het was
Mijn opvoeding stond in het teken van de orthodox gereformeerde leer. Ik ben in mijn jonge leven altijd trouw mee naar de kerk gegaan, heb de regels die werden voorgeschreven zo goed mogelijk gevolgd en heb daar ook nooit problemen mee gehad. Er waren wel veel dingen die ik niet begreep. Sommige waren simpel: waarom mag je op zondag niet fietsen? Andere waren moeilijker: Wat kan ik er nu aan doen dat Adam van die vrucht heeft gegeten, dat is toch niet mijn schuld? Of: het is toch niet eerlijk dat de Here Jezus geen erfzonde had? Dan had hij een voorsprong ten opzichte van mij!
Ik kan er nog veel meer noemen, maar daar gaat het nu niet om. Hoofdpunt was dat ik dacht dat ik bij de beste kerk behoorde. Dat is nooit zo gezegd, maar die indruk heb ik er wel van over gehouden. Andere kerken zijn niet per definitie slecht, maar toch ook niet zo goed. Daarom kun je maar beter bij deze kerk blijven.
Dat maakte me overigens ook niet zoveel uit. In mijn jeugd gingen al de vrienden van school naar dezelfde kerk. Daar was dus nooit discussie over. Toch dacht ik als kind wel vaak na over God. Meestal ging dat echter gepaard met een gevoel van angst: God ziet alles wat ik verkeerd doe. Ik ben 's nacht wel eens wakker geworden van de angst om in de hel geworpen te worden, als ik eens iets had gedaan wat niet goed was. God zag al je zonden. Het gaf een naar gevoel, omdat je er nooit aan kon ontkomen.
Als tiener ging ik elke avond naar het zwembad. Daar was ook altijd een rooms-katholiek meisje, waar ik best wat voor voelde. In onze gesprekken ontviel haar soms wel eens een vloek of iets wat niet netjes was. Als ze dan mijn verbazing bemerkte zei ze vaak dat ze niet moest vergeten om dat zaterdags te biechten bij de pastoor. Ik wist helemaal niets van biechten, maar dat leek mij ook wel wat. Iemand die je vrij kon spreken van je schuld gevoelens. Ik weet nog dat ik daar eigenlijk best jaloers op was.
Niet dat ik daar nu zo mee zat. God was iemand die mij altijd zag en voor wie ik nooit iets goed kon doen. Het Kort Begrip leerde mij immers dat “ik van nature geneigd ben God en mijn naaste te haten, en Gods geboden met gedachten, woorden en werken te overtreden”. Zo was het nu eenmaal. Over bekering dacht ik nauwelijks na. Dat was iets voor de mensen die aan het avondmaal gingen. Dat zou vanzelf wel komen, als God mij tenminste zou roepen.
Daarom ging ik ook altijd trouw naar de kerk. Want daar word je toch immers bekeerd? Niet dat ik die kerkgang zo geweldig vond. Integendeel. Ik vond het meestal oervervelend. Maar zelfs daar zat ik niet mee. Het hoorde nu eenmaal zo. Het moest. Bovendien schreef de kerk het voor: twee keer per zondag naar de kerk, als het kan. Daarom ging ik. Bovendien kon ik zondags toch niet veel anders doen. Dat is een rustdag en dan mag je niet werken. Als een van de jongsten in ons gezin heb ik waarschijnlijk de ergste (lees: striktste) periode niet eens meegemaakt. Mijn oudere broers en zusters hadden al wel voor enige verandering gezorgd. Maar toch had mijn vader er bijvoorbeeld moeite mee dat ik de Donald Duck las op zondag. Dat hoorde niet! Later luisterde ik vaak naar het sportprogramma "Langs de lijn". Ik weet niet of hij het programma kende, maar hij liet altijd een diepe zucht horen als hij zag dat ik luisterde. We mochten ook niet rond het huis rennen, of andere spelletjes doen. Alleen op het gras achter het huis, want daar konden andere mensen ons niet zien. Als we ons maar rustig hielden.
De zondag vond ik de naarste dag van de week. De feestdagen waren ook niet geweldig, want dat waren ook een soort zondagen, alleen niet zo erg. Soms viel de eerste en tweede kerstdag op maandag en dinsdag. Drie zondagen achter elkaar, dat was één van de ergste dingen die de kalender me aan kon doen.
Toch heb ik er nooit moeite mee gehad. Het hoorde zo. Het was traditie. Ik ging ook bijna nooit naar een andere kerk. Dat had mijn vader liever niet. En ik heb altijd geprobeerd om mijn ouders gehoorzaam te zijn. Dat heeft ook wel eens moeilijkheden opgeleverd. Dat kwam toen ik vrienden kreeg uit de Hervormde kerk. Daar werden jeugdweekends georganiseerd, waar ik ook altijd naar toe ging. Dat was nooit een probleem, totdat het weekend bij ons in de stad werd gehouden. Toen wilde ik op zondagavond ook naar de Hervormde kerk, maar dat vond mijn vader niet goed. Er volgde een geweldige discussie, waarin mijn vader mij niet duidelijk kon maken waarom ik daar niet heen mocht. Maar hij vond het niet goed en ik ben niet gegaan.
Zo was het eigenlijk altijd. Ik deed het niet omdat het niet zo hoorde. Omdat het niet mocht van de kerk. En ik dacht er zelden over na waarom iets nou wel of niet hoorde. Op catechisatie ging het niet veel beter. In de begin jaren werd er alleen maar keet geschopt. Ik schaam me nu nog soms dat we het die goedwillende ouderlingen zo moeilijk hebben gemaakt. Maar leren heb ik nooit iets gedaan. Ook niet toen we de dominee zelf hadden. Discussies werden niet op prijs gesteld. Dat hoorde niet. Aan het einde van het uur (op zaterdag) waarschuwde hij vaak dat we ’s avonds niet naar de bar moesten gaan. In de gang vroegen we hem dan waar we wel naar toe moesten gaan. "Lees thuis een goed boek en bereid je voor op de zondag" was vaak het antwoord, maar daar schoten we niet veel mee op.
Toen ik in een andere plaats naar de middelbare school ging, merkte ik al snel dat er een meisje was dat op zondag ging zwemmen. Vreselijk, vond ook mijn vader. Niet veel later merkte ik dat ik één van de weinigen was die niet op zondag ging zwemmen. Maar dat gaf niets, want ik hoorde ook niet bij de wereld.
Hoe het veranderde
Toen ik mijn vrouw ontmoette kwam de keus voor de kerk natuurlijk ook ter sprake. Zij was hervormd, dus we moesten een keus maken. Voor mij was dat niet moeilijk. De Hervormde kerk was misschien ook wel goed, maar onze kerk was zeker beter. Ik heb ook geprobeerd om dat aan mijn vrouw uit te leggen, maar dat is me niet gelukt. Net zoals mijn vader dat jaren daarvoor ook al niet lukte. Toch hebben we gekozen voor onze kerk, maar dat was zuiver emotioneel. Ik was er echt honderd procent van overtuigd dat onze kerk beter was. In elk geval zouden we dan geen begin maken om "af te glijden". Mijn vrouw is toen (gelukkig) meegegaan, maar niet van harte.
Die keus leverde af en toe stevige discussies op. Dingen, die ik normaal vond, waren voor mijn vrouw helemaal niet normaal. Zoals het niet rijden op zondag. Aan het begin van ons huwelijk deden we dat niet, "omdat het zo hoorde bij onze kerk". Maar toen onze kinderen groter werden was het, na een weekend in het oosten, eigenlijk geen doen meer om op maandagmorgen op tijd op mijn kantoor in het westen van het land te zijn. Daarom besloten we om op zondagavond terug te rijden. Ik weet nog dat ik de eerste keer heb gebeden of God de auto wilde stoppen, als Hij het niet goed vond. Maar we kwamen zonder problemen thuis.
Zo kan ik nog veel meer dingen opnoemen. Maar het komt er op neer, dat ik steeds leefde "zoals het hoorde". En ik dacht er nog steeds nooit over na waarom dat nu zo hoorde. Toch leefde ik er wel naar, omdat ik er van overtuigd was dat ik het goede deed.
Op kantoor wisten mijn collega’s dat ik gelovig was. Dat was helemaal geen probleem. Het werd gerespecteerd. Toch had ik wel eens een probleem omdat ik niet uit kon leggen wàt ik nu eigenlijk geloofde. Zo was er eens een collega die mij vroeg wat God voor mij betekende. Ik begon over de almachtige Schepper, heerser van deze wereld en zo, maar hij was niet onder de indruk. Hij vroeg mij bijvoorbeeld of zijn buurvrouw, die niet in God geloofde, maar die verder precies deed wat de Bijbel zei, nu naar de hel ging. Ik dacht van wel, maar dat durfde ik eigenlijk niet te zeggen, omdat ik niet duidelijk kon maken waarom dan wel. Mijn collega vond het maar niets. Als die God van mij een dergelijk vrouw in de hel gooide, dan hoefde hij die God van mij niet.
Toch bleef ik leven zoals ik dacht dat het hoorde en zoals mij zondags ook werd verteld. En als ik mensen zag, die ook naar de kerk gingen, maar anders leefden, dan sprak ik ze daar ook op aan. Zo had ik bijvoorbeeld een collega die op zondag naar Studio Sport keek en ging eten in een restaurant. Dat was in mijn ogen heiligschennis. Dat kan toch niet, dat mag toch niet? Ik sprak hem er op aan, maar hij zei: "waarom doe jij dat niet?" Nou dat is natuurlijk zo duidelijk als wat. Dat staat in de tien geboden, niet waar? "Nee", zei hij, "dat staat er niet. Als je al vindt dat je die moet gehoorzamen, dan staat daarin staat dat je op de zevende dag moet rusten, op de zaterdag."
Je kunt het geloven of niet, maar daar had ik nog nooit over nagedacht. Ik had de zondag altijd zo gehouden, omdat ik dacht dat het zo hoorde. Ik had nooit nagegaan wat de Bijbel er over schreef. Mijn collega vond het niet vervelend dat ik hem er op had aangesproken, maar hij maakte me wel duidelijk dat hij alleen naar mij zou luisteren als ik hem vermaande op grond van de Bijbel. Dat klonk redelijk. Daarop ben ik de Bijbel gaan onderzoeken om uit te vinden hoe dat nu eigenlijk in elkaar stak en dat was tevens het begin van een grote verandering in mijn leven.
Wat er veranderd is
Ik begon de Bijbel te onderzoeken in de Statenvertaling, maar kwam daar niet veel verder mee. Mijn collega adviseerde om de NBG vertaling eens te proberen. Ik vond dat geen goed idee, omdat het weer een begin kon zijn om "af te glijden". Maar ik heb het toch gedaan, omdat mijn collega terecht zei dat ik altijd in de Statenvertaling na kon lezen als ik aan de vertaling van een tekst zou twijfelen. Daarop kwam ik tot verrassende ontdekkingen! Eerst vertrouwde ik het natuurlijk niet. Het zou wel makkelijker zijn omdat de vertaling niet deugde. Daarom legde ik de Statenvertaling er steeds naast. Maar ik ontdekte meer en meer dat het wel meeviel met die NBG vertaling. Daar staat hetzelfde als in de Statenvertaling, maar het is duidelijker, omdat de taal moderner is. Het komt beter over. En toen ik dat eenmaal had geaccepteerd ging het ineens een stuk sneller. Ongelofelijk wat er allemaal in de Bijbel staat. Veel ervan wist ik allang, maar het had nog nooit zo tot mijn verbeelding gesproken. Ik begon de Bijbel met veel meer interesse te lezen. Ik zag ook in waarom de Bijbel “het Levende Woord” wordt genoemd. Eens kreeg ik het advies om de Bijbel "biddend" te lezen. Elke keer als je de Bijbel biddend leest kom je weer wat nieuws tegen. Net alsof je aandacht dan weer op één of andere tekst valt, zodat je dat gedeelte als nieuw voorkomt. (Ik denk nu dat dat één van de manieren is waardoor God in deze dagen tot ons spreekt, maar dat terzijde).
Eén van de dingen, die me na enige tijd op ging vallen, is dat God voor het geslachtsregister van de Here Jezus nogal ruig volk heeft gekozen. In onze tijd zouden we de hoer Rachab en de moordenaar David met de nek aankijken. We zouden er geen omgang mee willen hebben. En toch koos God hen uit, nota bene om door hun geslacht Zijn Zoon voort te brengen!
Verder viel me op dat de Here Jezus over het algemeen aardig, liefdevol en barmhartig was, heel erg vergevingsgezind. Eén van de meest troostrijke geschiedenissen vind ik in Johannes 8, waar de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw tot de Here Jezus brachten, die op de daad van overspel gegrepen was. En ik vind het nog altijd fantastisch als Hij, nadat iedereen is afgedropen, zegt: “Heeft niemand u veroordeeld? ..... Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer”. Verderop zegt Hij (in vers 15): “....Ik oordeel niemand”: Daar kunnen we een voorbeeld aan nemen!
De Here Jezus roept het beeld op van een lieve man. Er zijn maar enkele plaatsen waar je agressie bij Hem vindt. En meestal gaat dat tegen de Farizeeën, waar Hij duidelijk géén goede relatie mee heeft.
Al lezende vond ik steeds meer passages die van de liefde en de vergevingsgezindheid van de Here Jezus getuigen. De tekst die me de ogen echt opende vond ik in Johannes 3 vers 16 en 17: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden”.
Ineens vielen de stukjes van de puzzel op de juiste plaats. Ik ontdekte dat mijn beeld van God totaal verkeerd was geweest! Altijd had ik God ervaren als iets waar ik bang voor was. Iemand die er altijd op uit was om mij in de hel te gooien. En het is bijna onmogelijk om liefde te voelen voor iemand waar je bang voor bent. Ik voelde ook nooit liefde voor God. Ik hoopte alleen maar in de hemel te komen. Of, beter gezegd, uit de hel te blijven. Het is nooit tot mij doorgedrongen dat God een liefdevolle Vader wil zijn.
De eerlijkheid gebiedt me overigens te zeggen dat dat ook aan mij lag. Ik ben na mijn bekering nog verschillende keren in diensten van orthodox gereformeerde kerken geweest en het viel me op dat er meer over de liefde van God wordt gesproken dan ik ooit heb gehoord. Het is me gewoon nooit zo opgevallen. Ik vind ook dat het ondersneeuwt onder de waarschuwingen voor de zonde en de vermaningen dat we onze zonden moeten ervaren, onszelf helemaal nietig moeten voelen. Er was ook nooit een oproep tot bekering. Ik begrijp nu ook wel waarom, maar daar kom ik in mijn reactie op het boek van Ds. Kersten nog wel op terug.
Nu ben ik er van overtuigd dat ik God veel verdriet heb aangedaan door zó over Hem te denken. Natuurlijk weet ik niet hoe God denkt. Hij is almachtig en alwetend, dus het is voor ons onmogelijk om Hem te begrijpen. Maar ik geloof dat ik er wel over na mag denken met het verstand dat Hij mij heeft gegeven. In Mattheüs 22 vers :37 staat: ”Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand”.
Sterker nog, ik denk dat Hij dat van ons eist, anders had Hij ons geen verstand gegeven. Door de Here Jezus kunnen we God zien en daardoor kunnen we leren dat God ook gevoelens van liefde en verdriet heeft die op die van ons lijken. Dáárom denk ik dat ik God verdriet heb gedaan door zo over Hem te denken. Stel je voor, God is bereid om de verbroken band met mij te herstellen. Dat is Hem zoveel waard, dat Hij daarvoor het leven van Zijn eigen Zoon heeft gegeven. En ik heb dat aanbod altijd afgeslagen, omdat ik Hem niet wilde geloven. Alsof er iemand aan de deur stond met een bos bloemen, die het weer goed met mij wilde maken, terwijl het niet eens zijn schuld was. En ik gooide die bos op de grond en stampte ze voor zijn ogen tot moes. Dát gevoel, maar dan véél en véél erger. Kun je je daar iets bij voorstellen?
Overigens is het niet zo dat ik, wat ik hierboven in het kort beschrijf, zomaar op één avond heb ontdekt. Het is een proces van ongeveer tien jaar geweest, voordat ik begreep wat ik las en dat ook werkelijk met mijn hart geloofde.
Hoe zit het nu dan precies?
Ik wou dat ik alles wist, maar ik kan je alleen vertellen hoe de puzzelstukjes voor mij ineens op de juiste plaats vielen. Misschien heeft God oorspronkelijk wel een heel ander plan met de wereld gehad dan het uiteindelijk is geworden. Dat gaat natuurlijk lijnrecht in tegen de hoofdlijn van het boek van Ds. Kersten, maar misschien heeft Ds. Kersten wel geen gelijk. Ik probeer alleen maar duidelijk te maken hoe het licht voor mij helder is gaan schijnen.
In de Bijbel staat dat God verheerlijkt wil worden. In Mattheüs 5 vers 16 roept de Here Jezus ons daartoe op: “Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken”.
Het lijkt me logisch dat God daarvoor de wereld heeft geschapen en dat het een taak was van Adam en Eva, en daarmee van alle mensen, om Hem, naast het beheren van Zijn schepping, te verheerlijken.
Adam en Eva waren overigens niet zomaar mensen. Ze waren geschapen naar Gods beeld en naar Gods gelijkenis. In de NBG vertaling staat in Psalm 8 vers 5 “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond”.
Maar God eiste ook onderdanigheid en gehoorzaamheid. Ik weet echt niet waarom God een boom in de hof heeft geplaatst, waarvan de mens niet mocht eten. Wellicht om hen op de proef te stellen, omdat Hij wil dat de mensen Hem loyaal blijven zoals ik op pagina 29 van dit document zal uitleggen. Eén van de moeilijke vragen, waar ik ook geen antwoord op weet, is: Wist God al van te voren dat Eva van de vruchten zou gaan eten? Ik weet het niet. Dat is één van de vele dingen die mijn verstand te boven gaan.
Heel waarschijnlijk is God wel heel erg bedroefd geweest toen Adam, tegen het gebod van God in, van de verboden vrucht at en daardoor met Hem op gelijke hoogte wilde komen te staan. Daardoor werd de relatie tussen God en de schepping verbroken en kon God geen gemeenschap meer hebben met Zijn schepping. Het was de eigen keus van Adam en hij is daar ook zelf verantwoordelijk voor. Hij had het kunnen voorkomen als hij gehoorzaam was geweest. Dat zien we toen de Here Jezus werd verzocht in de woestijn. Hij gaf niet toe aan de verleidingen van Satan. Het is voor mij moeilijk te begrijpen dat Adams zonde zó erg is geweest, dat God daar het hele heilsplan voor moest ontwikkelen om de breuk met de mensen en de schepping te herstellen. Maar het is zo, de geschiedenis bewijst het.
Toen werd me duidelijk wat nu eigenlijk de kern van het probleem is. Ik zei eerder al, dat ik het niet eerlijk vond dat ik de schuld kreeg van Adams zonde. Maar nu weet ik zeker dat die vrucht het probleem niet is. Het gaat om de onderwerping, om de loyaliteit aan God. Dat is wat wij van nature niet willen. Wij zetten onszelf op de eerste plaats en zoeken onze eigen eer. Dat is onze eigen keus en daarvoor zijn wij zelf verantwoordelijk. Door de zondeval is de hele schepping onder Gods oordeel gekomen. Dat wilde God helemaal niet, maar dat is door de schuld van de mens zo geworden. En dat is blijkbaar heel erg geweest. Zo erg, dat wij dat als mensen nauwelijks kunnen begrijpen. Alleen het feit, dat God Zijn Zoon moest offeren om dat weer te herstellen, geeft aan hoe vreselijk dat voor God geweest moet zijn.
Maar tegelijkertijd geeft het ook aan hoeveel God van ons houdt. Stel je eens voor. Voor wie zou jij je leven willen geven? Toch alleen voor iemand waar je erg veel van houdt! Dat bedenk ik ook niet zelf, dat staat in de Bijbel in Johannes 3 vers 16! Is dat niet fantastisch? Begrijp je, hoe mijn Godsbeeld totaal veranderde, toen ik dat ineens ontdekte? Ik ontdekte voor mezelf dat ik altijd in een kerk had geloofd. Ik eerde God met mijn mond, maar in mijn hart moest ik niets van Hem hebben. Ik hield me alleen bezig met menselijke regels, met mijn eigen ik en deed alles hoe ik dacht dat het hoorde. Maar ik dacht er nooit over na wat God nu eigenlijk van mij vroeg.
Nu heeft God mijn ogen geopend. Ik zie ineens de grote lijnen in de Bijbel. God beschrijft daarin hoe Zijn heilsplan er uit ziet. Hoe het tij gekeerd is met het offer dat de Here Jezus aan het kruis heeft gebracht. De zonde van Adam was zó erg, dat er een dergelijk plan met zo’n afschuwelijk offer nodig was om de relatie weer te herstellen. Maar de Here Jezus heeft dat voor ons willen doen. Hij heeft onze zonden op zich genomen en de schuld daarvoor aan het kruis voldaan. Daardoor is het bestaande verbond verouderd verklaard, zoals dat al in Jer 31:31 was voorzegd: “Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;” en we in Heb 8:13 kunnen lezen “Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning”. Er is naar mijn mening dus geen sprake van één verbond, maar van twee: een verouderd en een nieuw verbond.
En na zijn volbrachte werk is de Here Jezus weer opgevaren naar de hemel en zit daar nu aan de rechterhand van Zijn Vader en is daar onze Voorbidder. Hij is de middelaar geworden van het nieuwe verbond, zoals we in Heb 9:15 kunnen lezen: “En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden”. Het staat nog duidelijker in de NBG vertaling: “En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden”.
De Here Jezus heeft nu de macht over de hele aarde, zoals je kunt lezen in Openbaring 1 vanaf vers 4: “... genade zij u en vrede van Hem, die is en die was en die komt, en van de zeven geesten, die voor zijn troon zijn, en van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene der doden en de overste van de koningen der aarde”. En dat zal zo blijven totdat alles aan de Zoon onderworpen is. Dan zal de Zoon het koningschap overdragen aan God de Vader, zoals je kunt lezen in 1 Corinthe 15 vers 24: “..Wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben” en vers 28: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”.
Op grond van het volbrachte werk van de Here Jezus mogen wij nu weer tot God naderen. We mogen Hem onze Vader noemen, zoals je in Romeinen 8 vers 15 kunt lezen. Is dat niet geweldig? Hem komt alle glorie toe. Halleluja!
Fijn, en wat nu?
Dat lijkt me duidelijk. We hebben door onze eigen schuld een probleem veroorzaakt en dat moeten we ook zelf oplossen. Hoe? God heeft het ons laten zien in Zijn Woord. Hij heeft de mogelijkheid geschapen om na de zondeval terug te keren tot Hem. Daarvoor heeft Hij Zijn Zoon naar de aarde gestuurd, waardoor wij zelf de relatie weer kunnen herstellen. We lazen het al in Johannes 3 vers 16: “....opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”. En in Johannes 6 vanaf vers 39 staat: “Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage”. Op dat geloof geeft God dus nieuw leven. Eeuwig leven, dat nu al begint en nooit meer zal eindigen.
Dat is dus de oplossing. Geloof in de Here Jezus, neem het offer aan dat Hij ook voor jou heeft gebracht en je zult behouden worden. In Romeinen 10 vers 9, 10 staat “Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.” Is dat nu alles? Kan dat zo simpel? Pas op, zo simpel is het niet. Het feit dat de Here Jezus voor ons uit de hemel wilde neerdalen, voor ons wilde lijden en onze zonden met Zijn leven aan het kruis wilde brengen kun je toch moeilijk simpel noemen. En vergis je ook niet in de kracht van het geloof. Johannes 1 vers 12 zegt: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam geloven;”. Dat is toch niet niks.
Die keus is overigens niet vrijblijvend. Het is een keus die ieder mens moet maken. Als je die keus niet wilt maken, dan ben je al veroordeeld! In Johannes 3:18 staat “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.”
De Here Jezus legt het in Johannes 3 zo verrassend eenvoudig uit aan Nicodemus. Net zoals de joden in de woestijn beter werden, als ze in geloof naar de slang keken, zo zullen ook wij kinderen Gods worden als we in geloof naar het kruis van Golgotha kijken en ons vertrouwen op de Here Jezus stellen. In 1 Johannes 1 vers 9 lezen we ”Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” Dat hebben mijn vrouw en ik gedaan en het heeft een geweldige verandering in ons leven gebracht. Vrede in ons hart en veel vreugde in ons leven. Dat we God nu mogen kennen en Hem mogen dienen. Dat Hij onze God wil zijn. Dat we Hem onze Vader mogen noemen. En dat we eeuwig bij Hem mogen zijn. De Here Jezus heeft de dood voor ons overwonnen en daarmee de angst voor de dood weggenomen. Is dat niet geweldig?
En wat nog meer? Hij heeft ons innerlijk veranderd, zodat we andere zaken zijn gaan waarderen. Hij heeft ons geboden Hem lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. En daar gaat ons hart nu naar uit. Het geeft vreugde om anderen te kunnen helpen. Zo proberen we ons nu ook op te stellen.
Dat gaat helaas lang niet altijd zonder problemen. We ervaren dat de duivel zijn prooi zo maar niet los laat. Maar het is tegelijkertijd ook een geweldige troost dat we weten dat Hij onze zonden wil vergeven, als we die voor Hem belijden. Daarvoor kunnen we altijd bij Hem terecht. Daarvoor hoeven we niet eens naar de pastoor.
Maar het is ook niet vrijblijvend. In de gelijkenis van de heer, die zijn knechten talenten gaf, zei hij tot degene die niets met zijn talent had gedaan: “Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb. .... En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.”
En zo voelden wij ons ook. God heeft ons ook talenten gegeven en die moeten wij gebruiken. Dat proberen we te doen, zo goed mogelijk. We proberen voor de ander “goedertieren, barmhartig, vergevend” te zijn, zoals Efeze 4 vers 32 dat van ons vraagt. Daarbij laten we ons leiden door de Bijbel, het Woord van God.
Ja ja, dat zal wel
Precies, nu zijn we aangekomen bij het gevoelige punt. Mag je zo maar van jezelf zeggen dat je behouden bent? Persoonlijk geloof ik van wel, maar ik moet toegeven dat ik me voor kan stellen dat iemand door die teksten over de verkiezing aan het twijfelen wordt gebracht. Toch is het volgens mij allemaal niet zo ingewikkeld als het lijkt. Daarom heb ik op pagina 29 van dit document beschreven tot welke conclusie ik ben gekomen over de leer van de uitverkiezing.
Ik geloof dat je zeker kunt weten of je behouden bent omdat de Bijbel er vol mee staat. Er staat veel meer geschreven over de weg tot behoud dan over de leer van de uitverkiezing. Voor mij persoonlijk is vooral de vraag bepalend: wie is er verantwoordelijk voor mijn eeuwige bestemming?
Ik ben er rotsvast van overtuigd dat ieder mens zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen lot. Wij hebben zelf gezondigd en een breuk veroorzaakt in onze relatie met God. Niet dat we zelf die breuk kunnen herstellen, maar God heeft aangegeven hoe die breuk hersteld kan worden. Dat kunnen we niet zelf. Dat kunnen we alleen door het werk dat de Here Jezus voor ons heeft volbracht. God heeft Zijn eigen Zoon gegeven en aan het kruis geofferd voor de voldoening van onze zonden! Hij heeft er ook voor gezorgd dat die blijde boodschap ons persoonlijk heeft bereikt. Nu moeten wij zijn oproep tot bekering beantwoorden. God biedt ons de oplossing aan uit genade. Omdat Hij van ons houdt. Maar we zullen het nooit ontvangen als wij het niet aannemen. Dat is onze eigen verantwoordelijkheid.
God wil niet dat er iemand verloren gaat. In 1 Timotheus 2 vanaf vers 4 staat: “... die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen”. Hij roept iedereen op om zich te bekeren (of Hem, Zijn offer, aan te nemen), zoals de Here Jezus zo vaak gezegd heeft toe hij op de aarde was. In Mattheüs 18 vers 3 lezen we dat Jezus zegt: “Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan.”. En in Lukas 13 vers 3 en 5: “maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen”. De evangeliën staan er vol van en de Bijbel onderwijst verder o.a. in Joh 1:12: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven;” en Jacobus 1:21: “Legt dus af alle vuilheid en alle uitwas van boosheid en neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen kan behouden”.
Als je dat doet, dan hoef je er niet aan te twijfelen of Hij daarop antwoord zal geven. Dat vind je o.a. in Mattheüs 7: “Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden”. en in Lukas 11:9: ”En Ik zeg u: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt en wie zoekt, vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden”.
Of in Openbaringen 3:20: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij”.
En als we Hem aannemen, dan zal de Heilige Geest in ons komen wonen en zal ons lichaam een tempel van de Heilige Geest worden: Dat lezen we in 1 Corinthe 3:16: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont”, of 1 Corinthe 6:19 “Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?”.
In Johannes 14:26 lezen we ook dat de Heilige Geest onze leidsman zal zijn: “maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb”.
En wat zou Ds. Kersten daar nu van vinden?
Misschien is hij het er niet mee eens. Maar dat wil nog niet zeggen dat hij dan ook gelijk heeft. Als ik in de Bijbel lees dat de Here Jezus zegt dat wij ons moeten bekeren en als Ds. Kersten in zijn boek zegt dat wij ons niet kunnen bekeren, dat moeten we een keus maken in wie we geloven. Voor mij is die keus niet moeilijk. Voor veel mensen binnen de orthodox gereformeerde kerken staat de leer van Ds. Kersten bijna op gelijke voet met de bijbel (of misschien zelfs wel daarboven). Uit het bovenstaande zal je al duidelijk zijn geworden dat wij het daar niet (meer) mee eens zijn. Het kan best een goed boek zijn, maar het blijft mensenwerk. Daarom zul je het altijd moeten toetsen aan het enige en ontwijfelbare Woord van God.
De kern van het boek handelt over de orthodox gereformeerde leer van de uitverkiezing. Dat God vóór het ontstaan van de wereld alles al heeft bepaald. Tot in de kleinste details, zoals wat we doen, hoe we het doen, wanneer etc. Daarbij heeft Hij ook bepaald of wij al dan niet uitverkoren zijn. Dat wil zeggen dat al van te voren is bepaald of wij nu wel of niet bij de uitverkorenen horen. Daar kunnen we dan zelf niets meer aan doen en daardoor is het, naar mijn mening, ook onze verantwoordelijkheid niet meer. En met die uitleg kan ik niet uit de voeten.
Volgens die leer zou onze hele geschiedenis al van te voren zijn vastgelegd, als een door God geschreven boek. Een prachtig boek, dat wel, maar allemaal van te voren geschreven. Hij heeft dan het verhaal bedacht en de rollen verdeeld voor de uitverkorenen en de verworpenen. Wij horen dan blijkbaar in één van de kampen en hebben mooi pech als we bij de verworpenen zijn ingedeeld. In dat boek heeft de Here Jezus de rol van Verlosser.
Maar als dat allemaal van te voren al bekend is, dan heeft ons bestaan toch geen zin. Dan is het hele leven een schertsvertoning. Dan is het werk van de Here Jezus toch niets anders dan een rol in een boek geweest? Waarom is Hij dan nog aan het kruis gestorven? God weet de afloop toch al, Hij heeft het zelf geschreven. En voor de mensen maakt het allemaal niet uit. Als ze bij de uitverkorenen horen hebben ze geluk gehad, anders pech. Daar kunnen ze niets aan doen.
Dan is het werk van de Here Jezus op aarde ook maar schijn. Hij roept ons in Mattheüs 4:17 (“Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”) op tot bekering, maar Hij kan het niet echt menen omdat alles toch allemaal al vast staat. Of je Zijn oproep tot bekering nou beantwoordt of niet. Ik wordt er gewoon naar van als ik daar aan denk. De wereld in boekvorm. Alsof God zo met Zijn eigen werk omgaat. Ik geloof er niets van.
Ik weet dat de gereformeerde theologen dit ontkennen. Ze kijken er anders aan tegen aan. Zij proberen dat uit te leggen door onderscheid te maken tussen de verborgen en de geopenbaarde wil van God. De leer van de uitverkiezing hoort dan bij de verborgen wil en de opdracht tot bekering bij de geopenbaarde wil. Dat maakt het volgens mij allemaal nogal ingewikkeld en ik ben bang daar de meeste mensen daar niet zo diep over na zullen denken. Als ze horen dat alleen God je kan bekeren, dan is het niet verwonderlijk dat ze ook geen poging zullen doen om zich te bekeren.
In het bovenstaande heb ik al aangegeven dat ik denk dat elk mens persoonlijk verantwoordelijk is voor zijn eigen leven. God wil niet dat wij verloren gaan, zelfs niet één. Hij wil niet dat we in de duisternis blijven leven. Dáárom roept Hij ons op tot bekering. Dat kunnen we, daarvoor heeft God Zijn Zoon naar de aarde gestuurd. In 1 Johannes 3: 18 en 19 lees ik: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.” Het is dus ook niet vrijblijvend. Als we niet geloven zijn we reeds veroordeeld!
God zal er vast verdriet van hebben als we Zijn oproep niet willen beantwoorden. Dat wij voor eeuwig van Hem verwijdert blijven, door onze eigen schuld.
Als God alles al van tevoren weet, dan plaats ik ook vraagtekens bij verschillende verhalen uit de Bijbel. Dan hoeft het God ook niet te berouwen, dat Hij Saul tot koning heeft gemaakt, zoals we in 1 Samuel 15 vers 11 lezen. En wat moet ik dan denken van Mozes. God liet zich door hem verbidden om het volk Israël te sparen. En bij Jona, toen God Ninevé toch niet had verwoest, omdat de mensen hun zonden hadden beleden en zich hadden bekeerd van hun boze wegen. Het berouwde Hem, na hun bekering, over het kwaad dat Hij gedreigd had hen te zullen aandoen. Dus Hij liet zijn handelen afhangen van het gedrag van de mensen. En zo zijn er zoveel voorbeelden te noemen, waarbij God zijn handelen laat afhangen van het gedrag van mensen.
Maar het grootste probleem is voor mij het feit dat de uitverkiezing, zoals die in het boek wordt geleerd, God verantwoordelijk houdt voor het behoud van de mens. Die kan er immers niets aan doen of God Hem nu verkozen heeft of niet. In het boek wordt met veel omhaal van woorden gezegd dat we deze vraag eigenlijk niet mogen stellen. Maar ik zou niet weten waarom niet. Je kunt het net zo mooi zeggen als je wilt, maar als je stelt dat God je al dan niet heeft uitverkoren en dat je daar zelf niets aan kunt veranderen, dan maak je God daarmee verantwoordelijk voor je behoud! Naar mijn mening worden de mensen door deze leer een doolhof ingestuurd zonder instructies hoe ze daar nu weer uit moeten komen. Sommige mensen komen er dan ook nooit meer uit en worden daar letterlijk radeloos van.
Ik geloof niet dat we God verantwoordelijk mogen stellen voor onze verkiezing. Dat zou betekenen dat al de oproepen tot bekering maar schijn zijn. En waarom zou je dan nog ergens voor bidden? Naar mijn idee doet deze leer afbreuk van het geweldige werk van de Here Jezus. Begrijp me goed, ik ontken niet dat we in de Bijbel over Gods soevereiniteit en de leer van de uitverkiezing kunnen lezen. Het probleem is alleen dat we daarin ook (en naar mijn mening veel duidelijker en veel vaker) lezen over de eigen verantwoordelijkheid van de mens.
Maar het is volgens mij anders dan Ds. Kersten hier beschrijft. Ik heb aan het einde van dit document beschreven welke conclusie ik uit de leer van de uitverkiezing heb getrokken. Voor mij is de leer dan ook geen enkel probleem meer. Als iemand het offer van verzoening van de Here Jezus aanneemt en daardoor toegang krijgt tot het Koninkrijk van God, dan voldoet hij daarmee aan de eis die God al voor de grondlegging der wereld heeft gesteld. Prima toch?
Dus het boek is niet goed?
Wie ben ik om dat te beoordelen. Het leven is gelukkig niet zo zwart-wit, dat je alleen maar kunt oordelen in termen van goed en fout. Ik sta van harte achter het grootste deel van het boek. Alleen de kern is naar mijn idee verkeerd, en dat is toch wel essentieel. Daarnaast staat het woordgebruik mij tegen. Niet de woorden, maar de toon waarop sommige stellingen ten opzichte van anderen verdedigd worden. Die is niet liefdevol en verdraagzaam, voor mijn gevoel soms zelfs hatelijk en afbrekend.
Uit het bovenstaande heb je al begrepen dat ik liever alleen uit de Bijbel wil leren, als het ontwijfelbare Woord van God. Als ik dat zo stel wordt mij vaak verweten dat ik het wiel opnieuw uit wil vinden. Dan wordt mij de raad gegeven om daarvoor passende literatuur te raadplegen. Maar daar ben ik nou net zo huiverig voor geworden. Jarenlang heb ik naar een leer geluisterd die mij achteraf niet op het juiste pad heeft gebracht. Dat maakt mij wantrouwend en daarom ga ik liever alleen bij de Bijbel te rade. Elk ander boek kan een prima aanvulling zijn, maar het is voor mij geen Woord van God. En mochten er al andere boeken zijn geïnspireerd door de Heilige Geest, dan dit boek van Ds. Kersten zeker niet. Daarvoor vind ik het te koud, te harteloos.
Het boek begint met de opmerking dat velen met lust en ijver het onderwijs in de aloude, beproefde leer der waarheid volgen. En dat het in tijden van verval dubbel nodig is om in de zuivere leer gefundeerd te worden. Inmiddels zijn woorden als oprechte zuivere leer voor mij holle klanken geworden. Daarmee wordt vaak een eigen gedachten goed bedoeld dat men zelf hoger acht dan dat van een ander en waarom men een ander vaak veroordeelt. Denken dat je beter bent dan een ander associeert voor mij met hoogmoed.
Ik denk dat velen het onderwijs van dit boek volgen, omdat ze in een orthodox gereformeerde kerk zijn opgegroeid. Net zoals ik dat zelf heb gedaan. Heel veel jonge mensen zullen er niet eens over nadenken of ze dit al dan niet willen volgen. Het hoort zo, of ze moeten van hun ouders. Toen ik twintig werd vond mijn moeder ook dat ik mij "moest laten aannemen", want dat hadden mijn broers ook gedaan voordat ze in militaire dienst gingen. Dat hoort zo. In feite betekent het dat je belooft dat je gehoorzaam zult zijn aan de regels van de kerk. Maar toch geloof ik niet dat de kerk dat oorspronkelijk zo heeft bedoeld. Belijdenis doen betekent dat je in het openbaar belijdt dat je gelooft dat de Here Jezus ook jouw zonden aan het kruis heeft gedragen en ook voor jou de dood heeft overwonnen. In principe betekent het dat je je hebt bekeerd. Daarom moet je ook aangaan aan het avondmaal, want daar is het voor bedoeld. Lees de formulieren er maar op na. (Sterker nog, als je dat niet doet, dan voldoe je niet aan de opdracht in 1 Corinthe 11: 26 “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt”.)
Maar helaas onderzoeken de meeste jongeren de leer niet meer zo veel. Daar kan Ds. Kersten overigens niets aan doen, want dat komt in praktisch alle kerken voor. Voor ons was het niet anders, helaas. We vinden het nog steeds jammer dat we pas op latere leeftijd tot bekering zijn gekomen. Daardoor hebben we jarenlang zonder de liefde en de vrede van de Here geleefd. En, wat nog veel erger is, we hebben onze God en Vader al die tijd niet de eer gegeven die Hem toekomt. We hebben al die tijd niet aan het doel beantwoord waartoe Hij ons had geschapen en daarom hebben we al die tijd in zonde geleefd. Maar we zijn dolgelukkig dat we Hem hebben leren kennen als onze goedertieren Vader. Dat is overigens ook de reden dat wij soms misschien wat fanatiek overkomen. We gunnen iedereen de vrede die er over je komt als je de Here Jezus toelaat in je hart. Daarom vertellen we het ook graag aan jonge mensen, zodat ze er vroeg van kunnen genieten om Hem te dienen.
In het voorwoord van het boek staat dat het boek geschreven is voor jonge mensen. Maar ik kan je vertellen dat het mij rond mijn veertigste jaar veel moeite heeft gekost om het te lezen en te begrijpen.
De belijdenisgeschriften
Het boek begint met een toelichting op de belijdenisgeschriften. Daarvoor geldt, wat mij betreft, hetzelfde als voor dit boek: Ze kunnen best goed zijn, maar ze zijn géén Woord van God. Ik zeg altijd voor de zekerheid dat ik ze geloof voor zover ze in overeenstemming zijn met de Bijbel. Dat zeg ik bewust, omdat ik heb gemerkt dat voor veel orthodox gereformeerde mensen de belijdenis geschriften bijna een hogere plaats in hebben genomen dan de Bijbel. In veel gevallen wordt er dan ook naar deze geschriften verwezen in plaats van naar de Bijbel. En dat is naar mijn idee helemaal fout.
Het nare van een uitspraak als hierboven is, dat je gelijk wordt verweten dat je de belijdenis geschriften opzij zet. En dat is niet het geval, want je kun er veel van leren als je dat wilt. En er was ook een goede reden om ze op te stellen, zeker in de tijd waarin ze zijn ontstaan. Daarom dragen ze ook sterk het teken van die tijd. Maar ze zijn in de loop der tijden een eigen leven gaan leiden en voor sommigen hebben ze zelfs de plaats van de Bijbel overgenomen. Volgens anderen moet je geloven in de Bijbel en in de belijdenis geschriften, de drie formulieren van enigheid. Blijkbaar voegen die geschriften dus iets toe aan Gods Woord. Leringen, die geboden van mensen zijn. En daar zijn we het dus niet mee eens! De Bijbel is Gods Woord en de Bijbel alleen!
Datzelfde geldt voor de Heidelberger Katechismus. Een zeer nuttig boekwerk, zeker in de tijd waarin het is ontstaan. En ik denk dat je er nog steeds veel uit kunt leren en dat velen er door bemoedigd zijn geworden en nog steeds worden. Maar het is en blijft voor mij een leerboek, ondergeschikt aan Het Woord.
Met de artikelen tegen de remonstranten heb ik al wat meer moeite, dat zal wel duidelijk zijn. In de eerste plaats is beschrijving van het meningsverschil tussen Arminius en Gomarus nogal subjectief. Blijkbaar verkondigde Arminius in zijn prediking gevoelens die in strijd waren met de zuivere leer. Dat zal best, daar kan ik geen mening over geven. Maar er wordt nergens met een referentie naar Gods Woord aangegeven waarom en waarin die leer dan strijdig is. Ja, Arminius werd beschuldigd van pelagianisme en socianisme, en dat is blijkbaar erg. Maar toch ook weer niet zo heel erg, want anders had Gomarus zijn bezwaren niet in hoeven te trekken. Dan volgt er een stukje waarin de arminianen worden beticht van sluwheid en gruwelijke dwalingen, maar nergens wordt even duidelijk aangegeven waarin ze nu zo vreselijk fout waren. Maar goed, blijkbaar liep het zo hoog op dat "de gereformeerde religie" tot de laatste druppel bloeds beschermd moest worden.
En dat geldt blijkbaar nog steeds. Wee je gebeente als je er iets van durft te zeggen. Het geloof in de gereformeerde religie moet verdedigd worden. Zo geloofde ik ook in de kerk en vocht mijn robbertjes mee. Totdat God (bij wijze van spreken) zei: "Henk, denk nou eens na. Gebruik je verstand. Onderzoek de Schriften, om te kijken of de dingen zijn zoals ze je worden verteld". Ik ben heel hardnekkig geweest, maar God overwon. Natuurlijk, want Hij is Almachtig. Hij laat zich niet hinderen door welke menselijke instelling dan ook. Nu geloof ik in mijn God en Vader, en in mijn Heiland Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Here en in de Heilige Geest. Halleluja!
En dan nu het Kort Begrip.
Het boekje is opgesteld omdat de Heidelberger Katechismus voor sommigen te moeilijk was. Dat kan ik me voorstellen. Ik zou het geweldig vinden als het Kort Begrip daarom nog eens zou worden herschreven. Voor de jeugd van deze tijd en in de taal van deze tijd. Maar met de aloude waarheid dat Jezus verlossing heeft gebracht aan het kruis, voor een ieder die gelooft!
Het nadeel van zowel de Heidelberger Katechismus, en dus ook het Kort Begrip, vind ik dat het zoveel nadruk legt op onze ellende. Althans, dat is de indruk die ik krijg als ik dit boek doorlees. In werkelijkheid valt het gelukkig nogal mee: vier zondagen over de ellende tegenover 27 over de verlossing en 21 over de dankbaarheid. Maar de ellende is zo langzamerhand een keurmerk geworden van de ware orthodoxe gereformeerde leer. Hoe ellendiger hoe beter. Het is net of het leuk is om dat steeds weer te zeggen.
En het vervelende is dat het gewoon waar is. Als wij ons niet bekeren, dan leven we in de duisternis en blijven we in de staat van ellende! Wie kan nou ontkennen dat het niet zo is, als God notabene zijn eigen Zoon moest offeren om ons uit die ellendige staat te halen.
Maar het grote nadeel van deze nadruk is dat er in verschillende kerken praktisch alleen nog maar over die staat van ellende wordt gepreekt. Vurige betogen over hoe zondig en ellendig we ons wel niet moeten voelen. Sterker nog, als je die ellende niet voelt kun je geen kind van God zijn. Hoe "ellendiger" je bent, hoe meer aanzien je krijgt in sommige orthodox gereformeerde gezindten.
Maar dat staat helemaal niet in de Bijbel! Ik kan het althans niet in die mate vinden. God heeft ons gemaakt. Hij kent ons en weet in welke staat wij leven. Maar Hij is een goedertieren en genadig God. Hij weet dat wij helemaal niets kunnen doen om de band met Hem te herstellen. Wij mogen met lege handen tot Hem naderen. Door die nadruk op de ellende komt het verlossingswerk van onze Here en Heiland in de schaduw te staan. Ik kan me nog van verschillende preken herinneren, dat me voor het grootste deel duidelijk werd gemaakt dat ik een zondig mens was en me ook zo moest voelen. En dat het nooit goed met me kon komen als ik me niet zo zou voelen. Het voelen van de staat van ellende is een doel op zich geworden. Maar dat lees ik niet in de Bijbel. Het is volgens mij helemaal niet goed om je altijd ellendig te voelen. Dat kan door gebeurtenissen of emoties soms wel zo zijn, maar dat is tijdelijk.
Ongetwijfeld is aan het eind van de preek ook altijd verteld van de verlossing door het bloed van Jezus Christus, maar dat kan ik me niet meer herinneren. Daar lag zeker de nadruk niet op. In de diensten die ik na mijn bekering heb bezocht heb ik gehoord dat het wel degelijk gebeurde. En daar ben ik in elk geval erg blij om.
Maar nu zie ik die staat van ellende heel anders. Want ik leef niet meer in die staat. Door het offer van de Here Jezus ben ik daar uitgehaald. Daarom word ik ook altijd kriegel als mensen het alleen maar daar over kunnen hebben. Alsof je het na de geboorte van een kind alleen maar over de weeën en de bevalling hebt. Het kind is toch geboren! Er is nieuw leven, daar gaat het toch om. Wie denkt er nu aan wat daar aan vooraf ging. Ja natuurlijk, de moeder en de vader. Maar altijd met een dankbare blik op het kind. Zo zie ik de staat van ellende ook. Vreselijk voor de onbekeerde mens en vooral ook vreselijk voor God, omdat Zijn maaksel niet aan Zijn doel beantwoordt.
Maar het ligt achter ons. We zijn gered door het bloed van Christus. En de gedachte aan onze ellendige staat maakt de liefde voor Christus alleen maar groter.
De staat van ellende
Afgezien van de opmerkingen die ik al heb gemaakt, ben ik het er helemaal mee eens. Een mens wordt geboren in een verloren staat. Als hij zich niet bekeert, dan moet God hem verwerpen, omdat Hij geen gemeenschap kan hebben met de zonde. Ik vind het zelf wat mathematisch worden als je zo nadrukkelijk stelt dat je drie stukken (ellende, verlossing en dankbaarheid) zou moeten kennen, voordat je welgetroost zalig zou kunnen leven en sterven. Het is natuurlijk wel waar, maar het komt vanzelf, zodra je beseft dat je zondig leeft en niet aan Gods doel beantwoordt. Dan komt ook de vreugde van de verlossing, als je weet dat het bloed van de Here Jezus je heeft gereinigd en ben je Hem dankbaar dat Hij dat ook voor jou heeft willen doen. Vanuit die dankbaarheid wil je Hem dan ook dienen en met vreugde Zijn goede werken aan anderen vertellen.
Je wordt je inderdaad van je zonden bewust als je je leven spiegelt aan de wet van God: Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Dat gaat veel verder dan de tien geboden die God op de Sinai aan de joden heeft gegeven. Wij hebben een wet die in onze harten is gelegd en die ook in ons verstand is geschreven. Jeremia had al voorzegd dat dat zou gaan gebeuren (Jeremia 31 vers 31 tot 33). En in Hebr. 10 vers 14-17 wordt dat bevestigd. "Heb God lief boven alles en uw naaste als u zelf". Dat is geen samenvatting, maar de hoofdsom, de wet van het nieuwe verbond.
Ik vind dat het boek ook duidelijk laat zien hoeveel moeite de orthodox gereformeerde religie moet doen om de Bijbel passend te krijgen bij de gereformeerde leer. In vraag drie (wat heeft God u in Zijn wet bevolen?) wordt aangegeven dat de Here op de Sinai een drieërlei wet heeft gegeven. Als je die zo wilt indelen, dan heb ik daar geen moeite mee. Maar het gaat me te ver als je vervolgens zegt dat die verschillende soorten wetten een andere geldigheid hebben. Dat staat nergens. Naar mijn idee hebben àlle wetten van de joden afgedaan, omdat Christus door één offerande voor altijd heeft volmaakt hen, die geheiligd worden (Heb 10:14). Daardoor is de wet (àlle wetten) buiten werking gesteld, zoals we kunnen lezen in Efeze 2:14 en 15: “Want Hij is onze vrede, die de twee een heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen,...” en Gal 3:24 en 25 “De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester”.
Ik snap dan ook absoluut niet waarom alleen de ceremoniële wetten afgedaan zouden hebben. Dat kan ik niet in de Bijbel terug vinden. Hetzelfde geldt voor de burgerlijke wetten. Waarom zouden die dan ook niet meer gelden? Overigens vond ik in dat gedeelte een goed voorbeeld van wat ik bedoelde, toen ik zei dat God niet als een liefdevolle Vader wordt voorgesteld. Ik las: “Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden”. Het klinkt zo anders, zo negatief over God. Vooral als je weet dat Hij Zijn eigen Zoon juist heeft gegeven om dat te voorkomen. Want Hij wil niet dat er iemand verloren gaat. Ik denk dat God er juist heel veel verdriet van zal hebben als iemand Zijn aanbod, dat hem zóveel heeft gekost, zal verwerpen.
En dan is ineens de wet der zeden, de tien geboden, niet afgeschaft. Dat vind ik nou bijzonder. Waarom niet? Het feit dat ze door God in twee stenen tafelen zijn gegrift maakt ze op zich natuurlijk wel bijzonder, maar niet anders dan de ceremoniële en burgerlijke wetten. En de vergelijking met de houdbaarheid van tekst in steen is onzin. Daar worden ze niet meer geldig van.
En dan is de heiliging van de zevende dag ineens weer iets ceremonieels. Ja, zo lust ik er nog wel wat! Staat dat gebod dan soms niet gegrift in steen? Onzin! Dit vind ik een voorbeeld van hoe er voor de religie een draai aan de uitleg van de Bijbel gegeven moest worden. “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat des Heren, uws Gods. ..... Daarom zegende de Here de sabbatdag, en heiligde dezelve. In Ex 35:2 lees ik zelfs: “Zes dagen zal werk verricht worden, maar op de zevende dag zal het voor u een heilige tijd zijn, een volledige sabbat voor de Here; ieder, die daarop werk verricht, zal ter dood gebracht worden”.
Nee, niet de eerste dag, dat is heel wat anders. Dat is de Dag des Heren. De dag waarop we herdenken dat de Here Jezus uit de dood is opgestaan. Dat heeft helemaal niets met de zevende dag te maken. Dat wij als christenen (voornamelijk in Nederland) nu de eerste dag als een rustdag houden is helemaal niet Bijbels. Niet slecht, maar ook niet Bijbels. Het is een menselijke instelling. En wie geeft ons mensen het recht om Gods heilige wet zomaar te veranderen? Daar lezen we niets over in de Bijbel.
En hetzelfde geldt voor de opmerking dat God deze wet in het hart van Adam heeft gegrift. Dat vind ik onzin. Ook dat kan ik niet terug vinden in de Bijbel.
De tien geboden zijn er gekomen, omdat Israël na 430 jaar slavernij niet meer wist hoe ze God moest dienen en aanbidden. En om ze te helpen op hun reis door de woestijn, en later in het beloofde land. Volgens Galaten 3 vers 17 (“Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderd dertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen”) hebben die verder niets met de belofte van het verbond te maken.
Het verbond der genade
En zo komen we dan bij het verbond der
genade, de wortel van de gereformeerde leer. Het “verbond” is een bekend
begrip dat de eenvoudige leek bijna als vanzelfsprekend associeert met
de doop. Maar naar mijn ervaring weet praktisch niemand wat nu precies
met dat verbond wordt bedoeld. De meeste mensen denken dat het gaat over
een verbond tussen God en Abraham en daarmee met zijn nageslacht.
Volgens de gereformeerde traditie geldt dat verbond nu ook voor ons en
omdat Abraham zijn nageslacht moest laten besnijden en (volgens het
doopformulier) de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen, moeten
wij ons daarom dus ook laten dopen.
[1]
In het boek gaat het dan ineens over een zaligheid, die vermaakt is aan Gods uitverkorenen in Christus. Heeft het een nationale openbaringsvorm, die je dan weer van het wezen van het verbond moet onderscheiden. Er volgt een gecompliceerde verhandeling over de betrokken partijen. En “op grond van die heilige verbondssluiting zijn de uitverkorenen Christus gegeven tot Zijn eigendom”. Maar dat is pertinent niet waar! Christus heeft met Zijn bloed diegenen “gekocht” die in Hem geloven!
“Het genade verbond is van eeuwigheid met de uitverkorenen in Christus gesloten”. Dat kan ik gewoon niet in de Bijbel vinden! Volgens het boek is dat de gereformeerde verbondsleer, zoals de gereformeerde godgeleerden steeds getuigd hebben. Maar het is geen Bijbelse leer! Het wekt bij mij dan ook geen verbazing dat er bij deze hele ingewikkelde verhandeling geen verwijzingen naar de Bijbel worden gemaakt. Dat kan ook niet, want die zijn er niet.
En dan kun je wel dreigen dat “we onze kostelijke oude schrijvers huis en kerk uit bannen”, maar daar gaat het niet om. Dat wat God zegt in Zijn Woord, dààr gaat het om! En dan waarschuwt het boek: “De Heere beware ons, opdat wij tot zulk een verbondsontzenuwende leer nimmer overhellen”. Ik zou zeggen, doe als de gemeente Berea in Handelingen 17: Neem het woord met alle bereidwilligheid aan en ga de Schriften dagelijks na om te zien of deze dingen zo zijn. Dat is belangrijker dan om te weten hoe de oude schrijvers daar over dachten.
En ik wil je wel verklappen dat ik die verbondsleer niet heb kunnen vinden. Ik heb gevonden dat de waarheid veel eenvoudiger is. Gelukkig maar. Want als we het dan gaan hebben over partikuliere, patriarchale, nationale en kerkelijke openbaringsvormen, dan laat ik de rest graag over aan de theologische bollebozen. Voor mij zijn dat allemaal doolhoven en rookwolken, die het zicht op het heil van Christus versluieren. Geef mij maar het: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam geloven;” (Joh 1:12). Direct uit Het Woord. Daar houd ik van.
Overigens wil ik op dit punt nogmaals benadrukken dat ik het graag van iemand wil horen als ik het fout heb. Het verbaast me elke keer weer dat zoveel mensen al deze woorden steeds als zoete koek aannemen. Als ik iets mis of verkeerd zie, laat het me dan weten op grond van Het Woord.
Door deze manier van benaderen heb ik misschien de indruk gewekt dat ik het werk van de oud-vaders onderschat, of wellicht zelfs kleineer. Maar dat is absoluut niet de bedoeling. Velen zullen groot in het geloof zijn geweest, daar ben ik oprecht van overtuigd. Maar in de gereformeerde leer hebben hun dogma's soms een hogere plaats gekregen dan de Bijbel, en dat vind ik niet goed. De Here Jezus is de Heer van al onze oud-vaders en daarom kunnen we ons maar beter houden aan Zijn dogma’s.
Vervolgens gaat het boek verder met een bespreking van de tien geboden. Het eindigt bij het antwoord op vraag 7 met een stukje waarin wordt aangetoond in welke diepe ellende wij allen van nature verkeren. Daarin wordt onder andere Titus 3 vers 3 aangehaald: ”hatelijk en elkaar hatende”. Maar als je deze tekst opzoekt, dan staat er: ”Want vroeger waren ook wij....hatelijk en elkaar hatende”. En in vers 4 lees je dan: “Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland (en) God verscheen, heeft Hij ....ons gered ...door de vernieuwing van de Heilige Geest”.
Het “van nature” zou inderdaad op “want vroeger” kunnen slaan, dus daarmee heeft Ds. Kersten gelijk. Het verschil zit er in dat de bijbel ons in vers 4 gelijk troost dat Hij ons nu gered heeft. Dat vergeet Ds. Kersten mee te nemen in zijn boek. Het is dus niet zo dat het niet waar is wat er staat. De toon maakt het alleen zo naar. En het is niet compleet. Het lijkt wel of er een soort behagen uit spreekt om tegen de mensen te zeggen hoe diep ellendig ze zich wel niet moeten voelen. Volgens mij komt dat gewoon door de nadruk die op dat deel van de catechismus wordt gelegd. Maar ik lees dat niet zo in de Bijbel. En ik hoor het ook niet uit de mond van de Here Jezus. En ik voel het persoonlijk ook niet zo.
Wat ik wel ervaren heb is dat, na mijn bekering, de haat uit mijn hart is weggevloeid. Ik haat niemand meer. Daar is een bewogenheid voor anderen voor in de plaats gekomen, precies zoals ik dat in vers 4 lees. Daarvoor loof en prijs ik de Heer, dat Hij ook mijn hart zo radicaal wilde veranderen.
En dan de oorsprong van onze ellende
Het heeft denk ik niet veel zin om nog verder op de ellende in te gaan. Dit stuk bevat echter nog wel weer een voorbeeld van de toon, die het boek voor mij zo onaangenaam maakt. Benamingen als ”de verfoeilijke Pelagius”, “de ketter”, “hun geestelijke gebroed” komen bij mij onaangenaam over en doen me denken aan iemand die zichzelf beter vindt dan zijn naaste.
Het stuk over het beeld van God geloof ik graag. Ook dat je daarvan kunt spreken in engere en in ruimere zin. Volgens mij is dat gewoon niet belangrijk. Het boek zegt dat de mens na de val “een redelijk-zedelijk schepsel bleef, met verstand en wil begiftigd”. Houd dit nog even vast. Hier kom ik nog op terug.
In de behandeling van vraag 9: “vanwaar komt dan die verdorvenheid, die in u is?” stelt Ds. Kersten dat God al voor de zondeval wist en dat Hij “in Zijn ondoorgrondelijke raad en onbevattelijke wil ruimte heeft gelaten voor de openbaring van de zonde”. Ik ben het er mee eens dat dit onbevattelijk is. Daarom vind ik de verdere beschouwing nogal zinloos. De mens moest vallen omdat God dat zo besloten had, maar ook weer niet omdat God hem vermogens had gegeven om staande te blijven. Maar die vermogens waren niet groot genoeg, want de mens viel, en God wist dat al van te voren. Zo kunnen we nog wel uren doorgaan. Dat maakt het nou juist zo onbevattelijk. En het verhaal over tweeërlei noodzakelijkheid maakt het voor mij bepaald niet duidelijker. Toen ik het boek voor de eerste keer las dacht ik op dit punt: geef mijn portie maar aan Fikkie! En na de tweede keer: ach laat maar. Volgens mij kun je ook rustig belijdenis doen zonder dat je dat allemaal weet. Zelfs als het waar mocht zijn.
Dat de mens vrijwillig handelde geloof ik ook. De zondeval is zijn eigen schuld. En als God dat van te voren al zo bepaald heeft, dan is het de schuld van God. Dan zou het ook niet de schuld van Ezau, de farao of Judas zijn. Bij de farao begrijp ik het zo wie zo niet, omdat God daarbij zo duidelijk van te voren aan Mozes vertelt dat Hij het hart van de farao zou verharden. Die kan daar dus niets aan doen, zou ik denken. Maar dat weet ik niet, daar denk ik verder maar niet over na want dat heeft toch geen zin. God is een Rechtvaardig God en ik kan farao met een gerust hart aan Hem overgeven.
Bij de behandeling van vraag 11 “Gaat ons de ongehoorzaamheid van Adam aan?” wordt uitgebreid stil gestaan bij de verbondsbetrekking met Adam. Een staaltje gereformeerde inlegkunde, zonder enige verwijzing naar de Bijbel. Nergens in de Bijbel staat iets over die indeling in soorten verbonden. En ik heb nergens duidelijk kunnen vinden dat er een verbondsbetrekking met Adam was.
In Hosea 6 vers 7 gaat het over een vergelijking van Israël dat, net als Adam, trouwelooslijk had gehandeld door het verbond te breken. Daaruit kan ik niet afleiden dat God dus ook een werkverbond met Adam had gemaakt.
Daarbij worden er ook een aantal verzen genoemd, die aan moeten tonen dat eens het eeuwige leven op het doen van de wet was beloofd. Ik heb de teksten hieronder in hun verband afgedrukt:
Romeinen 3 vanaf vers 27:
“Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken? Neen, maar door de wet van geloof. (28) Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.”
En dan Romeinen 10 vanaf vers 1, waarin Paulus het heeft over Israël:
“Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. (2) Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. (3) Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen. (4) Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. (5) Want Mozes schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven. (6) Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? Namelijk om Christus te doen afdalen; (7) of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen. (8) Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. (9) Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; (10) want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.”
Is het niet bijzonder? Direct uit de Bijbel. Je zou bijna denken dat ik het opgezocht had als ammunitie tégen de verbondsleer, terwijl Ds. Kersten ze juist aanhaalt om de verbondsleer te onderbouwen. Het wordt er allemaal niet eenvoudiger van.
Het stukje van Galaten 4 vers 24 bevestigt dat we uit het geloof gerechtvaardigd worden. Vers 25 geeft aan dat we niet meer onder de tuchtmeester zijn, als het geloof gekomen is. Je kunt het ook nalezen in de brief aan de Hebreeën.
Vervolgens wordt onze zonde-relatie met Adam uit de doeken gedaan. Het valt me op dat er steeds met stellingen wordt gewerkt. Eén die moeilijk te ontkennen valt, zoals onze natuurlijke relatie met Adam. En één die goed bij de gereformeerde leer past, maar waarvan ik de onderbouwing niet in de Bijbel terug kan vinden.
Gelukkig kan ik me wel vinden in de conclusie: God moet de zonde straffen, omdat Hij God is. Maar we weten nu ook dat Christus die straf gedragen heeft, voor een ieder die gelooft. Daarom hoeven we niet meer bang te zijn voor “het eeuwige vuur, eerst naar de ziel, en eens ook naar het lichaam”. We mogen uitzien naar het nieuwe Jeruzalem, waar we met al de heiligen God zullen verheerlijken. Halleluja!
Van de Middelaar
Dit lijkt op het eerste gezicht als een stukje waar we het gewoon mee eens kunnen zijn. Wij geloven inderdaad dat de Here Jezus de Middelaar is die de gemeenschap tussen God en de mensen kan herstellen. Hoe die Middelaar er dan uit moet zien, of Hij ziel en lichaam moet hebben, tot het menselijke geslacht moet behoren, of Hij waarachtig God en mens moet zijn en dat soort dingen lijken me niet zo relevant. Het lijkt me meer dogmatiek, ook gelet op het gebrek aan verwijzingen naar de Schrift. Het klinkt ook niet onredelijk, alhoewel opmerkingen als “afbetaling tot de laatste penning toe” en “door voldoening aan Gods recht tot de laatste kwadrantpenning van onze schuld voldoet” erg menselijk klinken. Zo van: betalen zul je! God heeft Zijn Zoon aan ons schuldige mensen gegeven, en ik kan me met mijn beperkte verstandelijke vermogen niet voorstellen dat Hij daarbij van dit soort nare gedachten heeft gehad.
Persoonlijk zou ik iemand, die meer van het geloof wil leren, niet vermoeien met dit soort zaken. Wat maakt het uit wat Eutychus en Nestorius leerden. En dat ze op de synode van Chalcedon in 451 terecht werden gewezen. Ik wil niet zeggen dat dit soort onderzoek niet belangrijk is, want we moeten natuurlijk zorgen dat de geloofsleer zo zuiver mogelijk blijft. Maar dat is naar mijn idee meer voer voor theologen. Voor “beginners” in het geloof lijkt me belangrijker om te weten wat Christus wèl van ons wil.
Maar dan komt vraag 18, of ook alle mensen door de Middelaar Jezus zalig worden. Het geloof trekt de scheidslijn, dat staat duidelijk in Joh. 3 vers 16. Dat is ook het enige dat hier staat. De lijn van de predestinatie is er bij verzonnen. Christus is inderdaad helaas geen Middelaar voor alle mensen. Maar Hij wil dat wèl zijn! Als de mensen maar in Hem wilden geloven.
Als je dat zegt, dan loochen je misschien wel de soevereine verkiezing des Vaders, in de zin van uitverkiezing zoals we dat aan het begin van deze aantekeningen al hebben besproken. Dat is pure dogmatiek, dat vind ik ook niet erg. Maar ik vind het persoonlijk je reinste kolder om dan ook te beweren dat je dan het bloed van Christus onrein acht, of de zaligmakende bediening van de Heilige Geest miskent, of de doodstaat van de mens loochent. Dat blijkt ook wel uit de uiterst magere verdediging van de genoemde punten. Daarin staat o.a. dat Christus zeide: “Gij wilt tot Mij niet komen”. Heeft die mens dan een wil of niet?
Nu kom ik nog even terug op het stukje dat je nog even vast moest houden. Ik heb er geen enkele moeite mee dat je de mensen, die Christus in geloof aannemen, uitverkorenen noemt. Ds. Kersten beschuldigt de Arminianen ervan dat ze Gods Woord verdraaien tot hun eigen verderf. Maar waar staat dan dat de zaligheid wordt verworven voor hen, die met het oprechte geloof begiftigd worden? Dan zou er in Joh. 3 vers 16 staan: “want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die Hij het geloof gegeven heeft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebben”. Maar dat staat er niet. Gelukkig niet! Het is toch ook zo onlogisch als wat als je stelt dat: a) In Adam, door één mens alle schuld gekomen is over alle mensen, maar b) dat er door één mens niet de genade over alle mensen komt. En elke keer wordt de algemene verzoening er maar weer bijgehaald om de aandacht van de zwakke punten van de verkiezingsleer af te leiden. Zo ook met 2 Tim. 4, waarin staat dat God wil dat alle mensen zalig worden. Dat past niet bij de verkiezingsleer. Daar moet iets op gevonden worden. Ik lees de Bijbel liever zonder rekening te houden met die verkiezingsleer. Zoals Joh 1:12: “Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven”. Amen. Nee, niet “die Hij het geloof in Zijn naam gegeven heeft”. Onzin. En ook niet “voor iedereen”, zoals de algemene verzoeningsleer blijkbaar leert. Ook onzin. Alleen voor diegenen die Hem hebben aangenomen! Lees de Bijbel toch gewoon. En geloof wat je leest!
In Efeze 2:8 lees ik “Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God;” De gereformeerde traditie leest hier dat geloof dus een gave van God is. En dat je daarom niet kunt geloven als God het je niet eerst heeft gegeven. Ikzelf lees dat de genade een gave van God is. Dat kan net zo goed en het lijkt veel logischer. De Here Jezus is gekomen als Middelaar. We kunnen Hem niet aannemen als Hij niet eerst gegeven zou zijn. Dat is Gods genade gave. Om het eenvoudig te houden raad ik aan om net als Nikodemus te doen. Stel deze vraag aan de Here Jezus. En luister naar het antwoord dat Hij geeft in Joh. 3 vers 16, waarin Hij ons eeuwig leven schenkt op grond van ons geloof in Hem. We zijn zelf verantwoordelijk, net zoals Adam ook zelf verantwoordelijk was voor de zonde die hij beging. En als de remonstranten dat beweren, dan hebben ze helemaal gelijk! Het verbaast me dan ook niets, dat gereformeerden in de praktijk naar de remonstranten over schijnen te hellen. De Bijbel gaat boven de dogma's!
Van het wezen en de hoofdsom des geloofs
Het lijkt wel of de onderwijzer het leuk vindt om twijfel te zaaien. Of eigenlijk denk ik dat het meer door de manier van uitleggen van de onderwijzer komt. Alleen zij, die Christus met een oprecht geloof aannemen, zullen zalig worden. Dat is helemaal waar. Maar is dat geloof nu wel oprecht? Ik zou zeggen, dat kun je alleen zelf weten. Jij alleen kent je eigen hart.
Maar goed, de definitie van het oprechte geloof is prima. Het valt me overigens toch op, dat ik met de vragen en antwoorden van het kort begrip weinig problemen heb. De problemen ontstaan meer door de uitleg, die de lezer naar mijn mening in een bepaalde richting wil duwen.
Zo lees ik dat Gods Woord schijnt te spreken van een historisch geloof, een tijdgeloof, een wonder geloof en een waar zaligmakend geloof. Als je nu een naam wilt geven aan de soorten geloof, die je in de Bijbel zou kunnen vinden en wilt onderscheiden, dan heb ik daar geen moeite mee. Maar waarom zou je dat doen? Je maakt er de twijfelachtige gelovige alleen maar onzeker mee. Is mijn geloof wel echt? Heb ik niet het historische geloof of het tijdgeloof? Wat maakt het uit! Je gelooft of je gelooft niet. Je moet een waar zaligmakend geloof hebben. Daar gaat het om! Die keuze mogelijkheden maken de zaak alleen maar verwarrend. Ik zie in deze opsplitsing geen nut tot opbouw van de klein gelovige.
In het boek staat bij de behandeling van vraag 19: “Hoezeer is Rome met zijn blind en twijfelachtig geloof vreemdeling van dit oprechte geloof”. Ik lees in de Bijbel: “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Of zou God daarop een uitzondering hebben gemaakt voor diegenen die de orthodox gereformeerde theologie aanhangen?
Om het allemaal te kunnen begrijpen, moet ik volgens Ds. Kersten ook nog onderscheiden tussen het wezen en de oefening van het geloof. Het zal wel. Zou Filippus dat nu werkelijk allemaal aan de Moorman hebben uitgelegd, voordat hij hem kon dopen?
Dan komen we bij de apostolische geloofs belijdenis. Dat maakt het weer wat gemakkelijker. De genoemde dwalingen neem ik maar op de koop toe. Ik neem graag aan dat Praxeas, Sabellius, Samosatenus in 265 door de Synode van Antiochië zijn afgezet, omdat ze loochenden dat er in het éne Wezen drie personen zijn. Dat is voer voor historici en theologen. Ikzelf durf niet te stellen, dat iemand die de leer van de drie-eenheid niet vast gelooft, niet zalig kan worden. Mijn God is machtig en genadig, voor een ieder die gelooft! Halleluja.
God heeft de hemel en de aarde geschapen. Dat vind ik, zeker in deze tijd, een moeilijk punt. Niet dat ik twijfel aan het werk van God. Maar ik begrijp gewoon niet hoe dat nu in zijn werk is gegaan. Ik weet niet of de dagen gewone dagen van 24 uur waren. Was er al een aarde die om de zon draaide? En de aanwezige kennis van deze tijd zaait ook de nodige twijfel. Maar ik heb geaccepteerd dat ik het niet kan begrijpen. Ik geloof God op Zijn Woord. Dat is zeker.
Vervolgens wordt de schepping beschreven als het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. En het werk van de Vader, der voorzienigheid, wordt weer onderscheiden in onderhouding, medewerking en regering. En de onderhouding is weer middellijk of onmiddellijk. Ik vind dat geloven hier wel erg moeilijk wordt gemaakt. Het lijkt me beter om ons maar gewoon eenvoudig door Zijn hand te laten leiden.
Van de namen des Middelaars
Ook hier valt eigenlijk niet zoveel over te zeggen. De vragen en antwoorden van het Kort Begrip zijn duidelijk. De uitleg voegt daar niet veel extra's aan toe. Bij vraag 27 “Hoe is Hij dan mens geworden?” wordt vermeld dat de Wederdopers de ware geboorte uit Maria loochenen. Zij stellen dat Jezus door Maria is gegaan als water door een goot, met andere woorden Jezus en Maria zijn niet van hetzelfde vlees. Persoonlijk geloof ik dat Jezus wel degelijk mens is geworden, net zoals dat in het Kort Begrip staat vermeld. Maar ik heb er altijd moeite mee dat Jezus wel uit Maria, maar niet uit Jozef geboren is. Mijn gevoel zegt dan: Dan krijgt Jezus in elk geval nog de helft van de erfzonde mee, voor zover je daar mathematisch over kunt spreken. Daarom kwam de gedachte ooit wel eens bij me op of de engel niet gewoon een complete vrucht bij Maria heeft ingeplant. Om het praktisch te zeggen: niet alleen een mannelijk zaadje, maar een compleet bevrucht eitje. In dat geval zou Maria de eerste "draag-moeder" zijn geweest. Dat zou ook goed passen bij de gedachte dat de Zoon ons in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde. Ik vond het wel een leuke gedachte, omdat dat nu ook in onze maatschappij aan de orde komt. Maar verder vind ik het niet belangrijk.
Na vraag 28 “heeft Hij dan Zijn mensheid uit de hemel gebracht?” wordt weer uitgelegd dat de menswording het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is. Weet je, het zal allemaal wel, maar het lijkt
