AUGUSTINUS - Belijdenissen

Hieronder publiceren we, met enige regelmaat, een nieuw gedeelte uit Belijdenissen van Augustinus.
De belijdenissen van Augustinus zijn een zeer persoonlijk werk van hem waaruit we bijzonder veel mogen leren.
Niet alleen over de toenmalige tijden, maar ook zeker over zijn relatie met God, is Augustinus zeer eerlijk en openhartig. Dit maakt de belijdenissen een zeer mooi en waardevol werk in historisch, kerkhistorisch en theologisch perspectief. Zo waardevol dat het ook nog relevant is en een juist perspectief kan scheppen voor het leven van ons nu alle dag.
We wensen u daarom veel leesvreude!

U kunt gebruik maken van de onderstaande indexering die de begintitels van de onderverdeelde belijdenissen aangeeft, door op de titel van uw keuze te klikken


INDEXERING

1. Groot bent Gij, o Heere, en zeer te prijzen
2. En hoe zal ik mijn God aanroepen
3. Bevatten U dan hemel en aarde, daar Gij ze vervult?
4. Wat is dan mijn God?
5. Wie zal mij geven rust te vinden in U?
6. Te eng is het huis van mijn ziel, dan dat Gij daarin tot haar zou komen
7. Maar laat mij toch spreken in de tegenwoordigheid van Uw barmhartigheid
8. Later begon ik ook te lachen, eerst in de slaap, dan ook, als ik wakker was
9. En zie, mijn jeugd is reeds lang gestorven en ik leef.
10. Ik belijd U, Heere van de hemel en van de aarde
11. Verhoor mij, o God. Wee de zonden van de mensen.
12. Gij dus, Heere mijn God, die aan het kind het leven gegeven hebt

1. Groot bent Gij, o Heere, en zeer te prijzen; groot is Uw kracht en Uw verstand is geen getal. En de mens wil U prijzen, de mens, een deel Uwer schepping; ja de mens, ofschoon hij zijn sterfelijkheid in zich omdraagt en de getuigenis van zijn zonde en de getuigenis, dat Gij de hovaardige weerstaat: toch wil de mens, een deel Uwer schepping, U prijzen. Gij wekt hem er toe op, dat het zijn lust is U te loven, want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U. Laat mij, Heere, weten en inzien, wat voorafgaat: U aan te roepen of U te prijzen, en of U te kennen voorafgaat, of U aan te roepen. Maar wie roept U aan, wanneer hij U niet kent? Want in zijn onwetendheid kan hij in plaats van het een wezen een ander aanroepen. Of wordt Gij veeleer aangeroepen, opdat Gij gekend wordt? Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welke zij niet geloofd hebben? Of hoe geloven zij, zonder die hun predikt? En zij zullen de Heere prijzen, die Hem zoeken. Want wie Hem zoeken, vinden Hem en wie Hem vinden, zullen Hem prijzen. Laat me U zoeken, Heere, terwijl ik U aanroep en U aanroepen, terwijl ik in U geloof; want Gij bent ons verkondigd. U roept aan, o Heere, mijn geloof, dat Gij mij geschonken hebt, dat Gij in mij hebt gewekt door de menswording van Uw Zoon, door de dienst van Uw verkondiger.


2. En hoe zal ik mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer, daar ik Hem immers in mij roep, wanneer ik Hem aanroep? En welke plaats is in mij, dat mijn God daarheen in mij zou komen? Dat mijn God daarheen zou komen in mij, God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft? Ja, Heere mijn God, is er iets in mij, dat U zou kunnen bevatten? Kunnen dan de hemel en de aarde, die Gij gemaakt hebt en in welke Gij mij gemaakt hebt, U bevatten? Of kan daarom al wat is, U bevatten, omdat zonder U niet zijn zou, wat is? En daar nu ook ik ben, waartoe vraag ik dan, dat Gij komt in mij, die niet zijn zou, wanneer Gij niet in mij waart? Want ik ben toch niet de hel, en toch bent Gij ook daar. Want bedde ik mij in de hel, Gij bent daar. Ik zou dus niet zijn, mijn God, ik zou geheel niet zijn, wanneer Gij niet in mij waart. Of is het zo, dat ik niet zijn zou, indien ik niet was in U, uit wie alles is, door wie alles is en in wie alles is? Ja ook zo is het, Heere; ook zo. Waarheen roep ik U dan, daar ik in U ben? Of vanwaar zou Gij komen in mij? Want waar zou ik gaan buiten hemel en aarde, dat vandaar in mij zou komen mijn God, die gezegd heeft: "Ik vervul hemel en aarde?"


3. Bevatten U dan hemel en aarde, daar Gij ze vervult? Of vervult Gij ze, maar slechts met een deel van Uw wezen, omdat ze U niet bevatten kunnen? En waarheen doet Gij stromen dat deel van Uw wezen, dat hemel en aarde, wanneer ze van U vervuld zijn, niet bevatten kunnen? Of hebt Gij niet van node, dat Gij door iets wordt bevat, Gij, die alles bevat, daar Gij al, wat Gij vervult, vervult door het te bevatten? Want geen vaten, die vol zijn van U, geven U vastheid, omdat, ook al zouden zij breken, Gij niet wordt uitgestort. En wanneer Gij uitgestort wordt over ons, dan ligt niet Gij terneer, maar ons richt Gij op, en niet Gij wordt verstrooid, maar ons verzamelt Gij. Maar alle dingen, die Gij vervult, die alle vervult Gij met geheel Uw wezen. Of omdat alle dingen niet geheel Uw wezen kunnen bevatten, bevatten ze daarom een deel van U en bevat alles tegelijkertijd hetzelfde deel? Of bevat ieder ding een bijzonder deel, de grotere dingen een groter en de kleinere een kleiner? Bestaat er dus een deel van U, dat groter en een ander deel, dat kleiner is? Of bent Gij overal geheel en bevat geen enkel ding U in Uw geheel?


4 Wat is dan mijn God? Wat, vraag ik, anders dan God, de Heere? Want wie is de Heere, behalve de Heere? Of wie is God, behalve onze God? O Gij allerhoogste, beste, machtigste, aalmachtigste, barmhartige en rechtvaardigste, meest verborgene en toch alomtegenwoordige, schoonste en sterkste, standvastige en toch ongrijpbare, onveranderlijke en alles veranderend, nimmer nieuw, nimmer oud, alles vernieuwend; die de hovaardige doet verouderen en ze weten het niet; altijd werkend, altijd rustig, vergaderend en toch niet nooddruftig, dragend en vervullend en beschermend, scheppend en voedend en voleindigend, zoekend, hoewel U niets ontbreekt. Gij bemint, maar zonder hartstocht, Gij ijvert, maar bent kommerloos, het berouwt U en Gij bent zonder smart, Gij toornt en bent ongeschokt, Uw werken verandert Gij, maar Gij verandert niet Uw raadsbesluit; Gij neemt aan, wat Gij vindt, maar nooit verloren hebt; Gij bent nooit iets behoevende, maar verheugt U in gewin, nooit gierig, maar toch eist Gij woeker. Meer dan het verschuldigde wordt U betaald, zodat Gij tot schuldenaar wordt, en toch wie bezit iets, dat niet het Uw is? Gij betaalt schulden, hoewel Ge niemand iets schuldig bent, Gij scheldt kwijt, zonder dat Gij verliest. En wat betekenen onze woorden, mijn God, mijn leven, mijn heilige verheugenis; of wat zegt men, wanneer men spreekt van U? En toch wee degenen, die zwijgen van U, waar zij, rijk aan woorden, gelijk stommen zijn.


5. Wie zal mij geven rust te vinden in U? Wie zal mij geven, dat Gij komt in mijn hart en dat Gij het dronken maakt, zodat ik mijn ellenden vergeet en U, mijn enig Goed, omhels? Wat bent Gij mij? Ontferm U van mij, opdat ik woorden moge vinden. Wat ben ik zelf voor U, dat Gij mij beveelt U lief te hebben en, zo ik dat nalaat, op mij toornt en mij bedreigt met ontzettend jammer? Zou deze dan gering zijn, indien ik U niet beminde? Wee mij! Zeg mij om Uw barmhartigheden, o Heere, mijn God, wat Gij mij bent. Zeg tot mijn ziel: ik ben Uw heil. Ja zeg dat, opdat ik het hore. Zie, de oren mijns harten zijn vóór U, Heere; open ze en zeg tot mijn ziel: ik ben Uw heil. Ik zal deze stem naijlen en U aangrijpen. Verberg Uw aangezicht niet van mij: laat mij sterven, opdat ik niet sterve, maar Uw aangezicht aanschouw.


6. Te eng is het huis van mijn ziel, dan dat Gij daarin tot haar zou komen: verruim Gij het. Bouwvallig is het, vernieuw het. Er zijn dingen aan, die Uw ogen kwetsen: ik weet het en beken het. Maar wie zal het reinigen? Of tot wie zal ik roepen dan tot U: reinig mij van mijn verborgene afdwalingen, Heere, en behoed Uw knecht voor die van anderen? Ik geloof en daarom spreek ik. Heere, Gij weet het. Heb ik U niet tegen mijzelf mijn zonden bekend gemaakt, mijn God en hebt Gij mij de goddeloosheid mijns harten niet vergeven? Ik strijd niet in het gericht met U, die de Waarheid bent; en ik wil niet mijzelf bedriegen, opdat mijn ongerechtigheid zichzelf niet iets voorliegt. Ik strijd dus niet in het gericht met U; immers: zo Gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?


7. Maar laat mij toch spreken in de tegenwoordigheid van Uw barmhartigheid, mij, stof en as, laat mij toch spreken; want zie het is Uw barmhartigheid, tot welke ik spreek, niet een mens, die mij zou bespotten. Ook Gij bespot mij wellicht, maar Gij zult omkeren en U van mij erbarmen. Want wat is het, dat ik wil zeggen, Heere, dan dat ik niet weet, vanwaar ik hierheen gekomen ben, wat zal ik zeggen: in dit sterfelijke leven of in dit levende sterven? Ik weet het niet. En de vertroostingen Uw barmhartigheden ontvingen mij, zoals ik vernomen heb van de ouders van mijn lichaam, van mijn vader, uit wie, en mijn moeder, in wie Gij mij in de tijd geformeerd hebt; want ik zelf heb daaraan geen herinnering. Mij ontvingen dus de vertroostingen van de moedermelk en mijn moeder of voedsters vulden zich niet zelf de borsten, maar Gij gaf mij door haar het voedsel van mij jeugd overeenkomstig Uw inzetting en de rijkdom, die Gij tot op de grond van de dingen hebt gelegd. Gij gaf mij ook, dat ik niet meer verlangde, dan wat Gij gaf en aan mijn voedsters, dat ze mij wilden geven, wat Gij haar gaf: want met een door U ingeschapen neiging wilden zij mij geven van de overvloed, die ze van U ontvingen. Want het goede, dat ik van haar ontving, deed haarzelf goed; maar het was niet uit haar, maar door haar: immers uit U, mijn God, zijn alle goede dingen, en uit mijn God is geheel mijn heil. Dat verstond ik later, wanneer Gij mij tot U riep door Uw innerlijke en uiterlijke gaven. Want toen kon ik slechts zuigen en rust vinden in genieting en schreien, als ik pijn had; anders niets.


8. Later begon ik ook te lachen, eerst in de slaap, dan ook, als ik wakker was. Want dat heeft men mij van me verteld en ik geloofde het, omdat we hetzelfde van andere kinderen zien; want van mezelf herinner ik me dat niet. En zie, langzamerhand begon ik te merken, waar ik was, en ik wilde mijn wensen kenbaar maken aan hen, die ze konden vervullen; maar ik kon niet, omdat genen binnen in mij waren, deze echter buiten mij en niet het vermogen hadden met een van hun zintuigen in mijn ziel door te dringen. En zo spartelde ik met mijn ledematen en gaf geluid om mijn wensen te kennen te geven, de weinige tekenen van wilsuiting, die ik tot mijn beschikking had en die in overeenstemming waren met wat ik vermocht: want ze gaven niet duidelijk uiting aan mijn wensen. En wanneer men dan mijn zin niet deed, hetzij omdat men mij niet begreep of omdat het niet goed voor mij zou geweest zijn, dan maakte ik me boos op de volwassenen, die niet deden, wat ik wilde en de vrijen, die mij niet dienden en wreekte ik me op hen door te schreien. Ik heb ervaren, dat zo de zuigelingen waren, die ik heb kunnen waarnemen, en dat ik zo geweest ben, hebben die zelf in hun onwetendheid mij beter aangetoond, dan mijn opvoeders, die het wisten.


9. En zie, mijn jeugd is reeds lang gestorven en ik leef. Maar Gij, Heere, die altijd leeft en in wie niets sterft, omdat vóór de aanvang van de eeuwen en vóór alles, waarbij men van "vóór" kan spreken, Gij bent en God bent en de Heer van alles, wat Gij geschapen hebt, en omdat de oorzaken van alle onbestendige dingen in U hun vasten grond hebben en de onveranderlijke oorsprong van al het veranderlijke in U rust en de eeuwige redelijke gedachten van al het onredelijke en tijdelijke in U leven; zeg mij op mijn smeekbede, o mijn God, zeg mij, ellendige, in Uw barmhartigheid, of mijn jeugd een voortzetting was van een reeds verstreken leeftijd. Of is dat die, welke ik in de schoot van mij moeder doorbracht? Want ook daarvan heeft men mij iets verteld en zelf zag ik zwangere vrouwen. Maar wat dan vóór die tijd, mijn Verheugenis, mijn God? Was ik ergens of was ik iemand? Want ik heb niemand, die mij dat zou kunnen zeggen; noch mijn vader, noch mijn moeder konden het, noch de ervaring met anderen noch mijn herinnering. Of belacht Gij me, wanneer ik dat vraag en beveelt Gij me, om datgene, wat ik weet, U te loven en U te belijden?


10. Ik belijd U, Heere van de hemel en van de aarde, en loof U voor mijn levensaanvang en mijn jeugd, die ik mij niet herinner; Gij hebt de mens het vermogen geschonken om uit anderen gevolgtrekkingen te maken aangaande zichzelf en op gezag ook van zwakke vrouwen veel aan te nemen omtrent zichzelf. Ik was en leefde dus ook toen, en, reeds aan het einde van mijn jeugd, zocht ik tekens, waardoor ik mijn gevoelens aan anderen kon kenbaar maken. Vanwaar komt zo’n bezield wezen anders dan van U, Heere? Of zal iemand de kunst bezitten zichzelf te scheppen? Of ontspringt elders een bron, waaruit het zijn en het leven in ons vloeit, of bent niet alleen Gij het, Heere, Die ons maakt, voor wie zijn en leven niet onderscheiden zijn, omdat juist die eenheid het hoogste zijn en het hoogste leven betekent? Want Gij bent de Hoogste en verandert niet en in U gaat de dag van heden niet voorbij en toch gaat hij voorbij in U, omdat ook dat alles in U is: want de tijden zouden geen baan hebben, waarlangs ze heensnellen, wanneer Gij ze niet in U bevat hieldt. En omdat Uw jaren niet geëindigd worden, { 1} zijn Uw jaren de dag van heden: en hoeveel dagen van ons en van onze vaderen zijn reeds tijdens Uw huidige dag voorbijgegaan en ontleenden aan hem hun maat en hun aard en nog andere zullen voorbijgaan en aan hem hun maat en aard ontlenen. Maar Gij bent dezelfde {2} en alles, wat morgen en daarna geschieden zal, zult Gij heden bewerken en al wat gisteren en daarvoor geschied is, hebt Gij heden bewerkt. Wat gaat het mij aan, indien iemand dit niet begrijpt? Laat hem zich toch verheugen, terwijl hij zegt: "wat is dit?" Laat hem dan toch zich verheugen en laat hem liever door dit niet te vinden U vinden, dan door het te vinden U niet vinden.


11. Verhoor mij, o God. Wee de zonden van de mensen. Een mens is het, die dit zegt en Gij erbarmt U van zijn, omdat Gij hem gemaakt hebt en de zonde niet gemaakt hebt in hem. Wie herinnert mij aan de zonde van mij jeugd? Want niemand is rein van zonde voor Uw aangezicht, ook niet een kind, dat slechts één dag oud is op aarde. Wie herinnert mij eraan? Immers ieder kind, dat nu een zuigeling is, en in dat ik zie, wat ik me niet herinner van mezelf. Waarin dan zondigde ik toen? Daarin, dat ik schreiend naar de moederborst verlangde? Want indien ik dat nu deed, wel niet verlangend naar de moedermelk, maar naar spijs, die in overeenstemming is met mijn jaren, zou ik uitgelachen en terecht berispt worden. Toen deed ik dus iets berispen waardig, maar omdat ik iemand, die me zou berispt hebben, toch niet kon begrijpen, verboden gewoonte en gezond verstand, mij te berispen. Want met het opgroeien roeien we dergelijke dingen uit en werpen ze van ons. En nooit zag ik iemand, die, wanneer hij iets reinigde, met bewustheid het goede wegwierp. Of was ook dat wellicht, de leeftijd in aanmerking genomen, goed, schreiend te verlangen ook dat, wat slechts tot schade gegeven zou worden; heftig boos te worden op vrije mensen, die het kind zijn zin niet wilden geven en op volwassenen; en zijn ouders en velen anderen, die verstandiger waren en hem niet op zijn wenken gehoor gaven, door slaan zoveel mogelijk pijn te willen doen, omdat ze zijn bevelen niet gehoorzaamden, die niet dan tot grote schade gehoorzaamd konden worden? Zo zijn de ledematen van een klein kind in hun zwakheid onschuldig, maar niet zijn ziel. Met eigen ogen heb ik een jaloers kind gezien; hij kon nog niet spreken, maar met een bleek gezicht en met nijdige blik keek hij naar zijn zoogbroeder. Wie kent dat niet? Moeders en voedsters zeggen, dat zij dat met het een of ander middeltje weer goed weten te maken. Of is dat soms ook onschuld, wanneer de melkbron rijkelijk en meer dan voldoende stroomt, een zoogbroeder niet te dulden, die zo geheel en al hulpbehoevend is en die nog uitsluitend bij dat voedsel leeft? Maar vriendelijk verdraagt men dat, niet omdat het niets of weinig betekent, maar omdat het met de jaren verdwijnt. Dit kan men daaruit opmaken, dat men datzelfde niet kalm kan toelaten, wanneer het bij iemand van ouderen leeftijd wordt aangetroffen.


12. Gij dus, Heere mijn God, die aan het kind het leven gegeven hebt, en het lichaam, dat Gij, gelijk wij het zien, hebt toegerust met zintuigen, samengevoegd uit ledematen, met schone gestalte gesierd, en wie Gij al de neigingen van een levend wezen hebt ingeplant, die nodig zijn om het in zijn volkomenheid ongedeerd te bewaren, Gij beveelt mij daarom U te loven en U te belijden en Uw naam te psalmzingen, o Allerhoogste; want Gij bent de almachtige en goede God, ook al had Gij alleen dat gemaakt, dat niemand anders kan maken dan Gij, de Enige, van wie iedere vorm van zijn is, o, Allerschoonste, die alles schoon vormt en alles ordent naar Uw wet. Deze tijd van mijn leven dan, o Heere, in welke ik mij niet herinner geleefd te hebben, maar omtrent welke ik anderen heb geloofd en uit andere kinderen de gevolgtrekking gemaakt heb, dat ik hem doorleefd heb, wil ik toch liever - ofschoon deze gevolgtrekking alleszins aannemelijk is - niet rekenen tot dit mijn leven, dat ik leef in deze tijd. Want hij is gehuld in dezelfde duisternis van mij vergetelheid als de tijd, die ik doorleefde in de schoot van mij moeder. Maar indien ik in ongerechtigheid ontvangen ben en in zonde mijn moeder mij in haar schoot heeft gevoed, waar, bid ik U, mijn God, waar, Heere, of wanneer ben ik, Uw knecht, onschuldig geweest? Maar zie, ik ga die tijd voorbij: waartoe zou ik me nog bezig houden met die tijd, waarvan elk spoor uit mijn herinnering verdwenen is?


Reacties op getuigenis?!

Onder de teksten van de verschillende getuigenissen staan reacties. Wij vinden het bijzonder leuk om reacties te krijgen op wat hier gepubliceerd wordt.

Misschien heeft uzelf wel iets moois wat we hier mogen publiceren!? We ontvangen uw reacties en bijdragen heel graag per email: reactie@eenheid.org